Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De onthouding.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De onthouding.

8 minuten leestijd

De bekende Roomsche polemist, die onder den schuilnaam F. A. Maaier, in de Maasbode de wacht houdt over alle „antipapistische felheden", tikt onze redactie op de vingers over hetgeen we schreven aangaande de „huwelij ks-onthouding", die de Roomsche kerk als een bijzondere verdienste aanprijst.

De heer Maaier heet hetgeen we schreven over Augustinus en het gevoelen der Roomsche kerk „onjuist." Nader bewijs voor dit beweren ontbreekt echter, en we zullen dus eerst afwachten welke onjuistheden de heer Maaier ontdekte, voor we ons tegen deze beschuldiging verdedigen. Voorshands volsta de meêdeeling, dat we niet alleen Augustinus met opzet er over nalazen en zijn gevoelen zooveel mogelijk met zijn eigen woorden weergaven, maar bovendien een „Roomschen bril" gebruikten. Onze voorstelling van Augustinus' gevoelen was bijna woordelijk ontleend aan de bekende Dogmen-geschichte van Dr. Joseph Schwarle, wijlen huisprelaat van den Paus en professor in de Theologie aan de Koninklijke Academie te Munster.

Erger echter dan deze onjuistheden, acht de heer M.aaier onze opmerking, dat de hopg-idealistische opvatting van de „maagdelijkheid" bij de Roomsche kerk in de praktijk gedurende de Middeleeuwen tot diep. zedelijk bederf aanleiding gaf. Deswege worden we beschuldigd van antipapistische felheid; van laster en krenkende beleediging.

Wat de schrijver over de Katholieke opvatting van het huwelijk en de invoering van het celibaat zegt, laten wij voor zijn rekening. Maar de aangehaalde woorden, bijzonder de slotalinea, zijn meer dan onjuist. Zooals zij daar staan, zijn zij niets meer of minder dan laster en krenkende beleediging bovendien. Zulke uitlatingen waren wij in tijden van de Heraut niet gewoon. Wij willen geenszins ontkennen en evenmin verbloemen, dat in den loop der tijden zelfs de heiligste staten betreurenswaardige vergrijpen te aanschouwen hebben gegeven. Maar waren deze het gevolg van de hoog ideale opvatting der maagdelijkheid en van den toeleg om de kuischheid der heiligen, bijzonder der H. Maagd, na (e volgen ?

Maar waren de kloosters in de Middeleeuwen holen van ontucht en is het beleven van den maagdelijken staat en der onthouding een schennis van goddelijke ordinantie, schennis, die tot gerechte straf de verregaandste zedeloosheid tengevolge heeft?

Wie gevoelt niet, dat hier een geheel onververdiende smaad wordt geworpen, niet alleen op gansche scharen van groote, geleerde en heilige mannen, van schuldelooze, reine en edele vrouwen en maagden uit het verleden, maar bovendien op talloozen van beiderlei kunne uit den tegenwoordigen tijd? De Katholieke Kerk heeft nog immer dezelfde hoogideale opvatting van de maagdelijkheid en ont houding als wïleer. Nog immer vormen de maagden hare keurbenden, nog iramer kiest zij uit hen hare geestelijken, hare priesters en bisschoppen, hare leidslieden en bestuurders. Volgens den ongenoemden schrijver in de Hereout echter zouden de onafzienbare rijen van kloosterlingen en geestelijken, met bisschoppen en Paus aan het hoofd, allen schuldig staan aan een „schennis van Gods ordinantie, " en, daar Gods ordinantie niet straffeloos wordt geschonden, eveneens in de schandelijkste on tucht moeten wegzinken. En wat nog de kroon zet op alles, die schennis zou door niemand minder dan door den Apostel Paulus zijn aangeraden, ja door God zelf in de H. maagd met het heerlijke wonder zijn bekroond en in den hemel met een afzonderlijk aureool worden verheerlijkt !

Het komt ons voor, dat de heer Maaier, eenmaal het strijdros bestegen hebbende, in wilde vaart zijn tegenstander voorbijrent en slagen uitdeelt, die alleen de lucht treffen.

Os/er de geestelijkheid en de kloosters in onze dagen is door ons niet gesproken. Met nadruk schreven we: „Tot wat diep zedelijk bederf juist deze hoog-ideale opvatting in de Middeleeuwen geleid heeft, behoeft hier niet uiteen te worden gezet." De vraag is dus alleen of de heer Maaier erkent, wat alle onpartijdige geschiedschrijvers, ook de Roomsche, toestemmen, dat tegen het einde der Middeleeuwen èn bij de geestelijken èn in de kloosters een verregaande zedeloosheid zich geopenbaard heeft. Alleen indien dit feit onjuist is, kan er van lastering en krenkende beleediging sprake zijn. Nu heeft zeker niemand scherper dan Petrus Damiani over dit bederf van kloosters en geestelijken in zijn dagen het vonnis geveld. En Petrus Damiani was een onverdacht Roomsche. Indien de heer Maaier er prijs op stelt uit Damiani en andere Roomsche schrijvers uit later tijd het oordeel te vernemen over den toestand der kerk vóór de Reformatie, dan zijn wij bereid nader bewijs te leveren.

De heer Maaier wil het echter blijkbaar over een anderen boeg wenden. Het feit van de verregaande zedeloosheid vóór de Reformatie, wordt niet rechtstreeks door hem ontkend. Maar hij acht het beleedigend, dat deze zedeloosheid wordt afgeleid uit de „huwelijksonthouding" die de Roomsche kerk aan haar geestelijkheid oplegt. Dat wij in die zedeloosheid een oordeel zagen over de „schending van Gods ordinantie, " was de bittere druppel, die den beker overloopen deed.

De vraag dient dus beantwoord, of de onthouding, gelijk de Roomsche kerk die leert, in strijd is met de ordinantie Gods en of zij aanleiding tot onzedelijkheid geven kan.

Nu weet de heer Maaier zeer goed, dat door Protestanten nooit gezegd is, dat het huwelijk een gebod is dat voor ieder mensch persoonlijk geldt, zoodat wie niet trouwt, kwaad doet. Zelfs wordt volmondig toegegeven, dat er omstandigheden kunnen zijn, waarin de ongehuwde staat te verkiezen is boven den gehuwden staat. Indien iemand de gave der onthouding heeft en niet huwt, om zich te beter aan den dienst des Heeren te wijden, dan doet hij daarmede een verdienstelijk werk. Aan «den lof dien de heer Maaier toezwaait aan de breede rij van mannen en vrouwen, die in de Roomsche kerk zich vrijv/illig van het huwelijk onthouden hebben, om in den dienst der barmhartigheid, der wetenschap of der zending. God te kunnen dienen, doen wij dan ook niets te kort. Het woord van Christus, dat er zijn die zich gesneden hebben om het koninkrijk der hemelen, en het woord van Paulus, dat wie niet trouwt, zich alleen bekommeren kan om de dingen des-Heeren, geldt van deze mannen en vrouwen ten volle.

Maar wel treedt de „schending van Gods ordinantie" in, wanneer het ceHbaat voor het geheele leven verplichtend wordt gesteld voor heel een kring van personen. Ook de Roomsche Kerk erkent, dat het celibaat van de priesters geen rechtstreeksch goddelijk gebod, maar een instelling van de Kerk is. In de Schrift is van deze „verplichte huwelijksonthouding" geen sprake. Integendeel, de Apostel Paulus zegt nadrukkelijk, dat het beter is te trouwen dan te branden. Wie de gave der onthouding niet bezit, heeft dus wel degelijk een roeping van Godswege om in het huwelijk te treden. Doet hij het niet, dan stelt hij zich-zelf bloot aan het gevaar van in ergerlijke zonde te vallen.

De heer Maaier zal ons toestemmen, dat noch de priesters noch de monniken noch de nonnen bij het afleggen van de gelofte der kuischheid met zekerheid kunnen weten, of de „gave der onthouding" hun voor hun geheele leven geschonken is. De biographieën zelfs van zeer heilige personen toonen, hoe plotseling op later leeftijd de worsteling met den zondigen lust opkomen kan. Toch dwingt de Roomsche Kerk hen dan ongehuwd te blijven leven. De gelofte wordt vrijwillig afgelegd; maar als zij is afgelegd, dan kan zij niet meer teniet worden gedaan. Ze geldt heel het leven lang. En juist daardoor brengt de Roomsche Kerk haar geestelijkheid in een zeer bange verzoeking en gaat ze naar onze overtuiging in tegen de ordinantie Gods.

Vooral in een tijd als de Middeleeuwen, toen de zeden veel ruwer waren en de hartstochten veel feller bruisten, moest deze gedwongen onthouding wel tot allerlei kwaad leiden. Het concubinaat der pastoors was niet een incidenteel, maar een algemeen verbreid euvel, waarvan de schande in de volkskringen nauv/elijks meer gevoeld werd. De hoogste geestelijken gaven het voorbeeld en de lagere geestelijkheid volgde na. Eerst na en mede door de Reformatie is aan dit ergerlijke kwaad een einde gekomen. ïiLen feit, dat v? ij dankbaar erkennen, maar dat toch geenszins kan ongedaan maken waf in vroeger eeuw is geschied.

En eindelijk, als de heer Maaier zoo spoedig geraakt is, wanneer de Heraut zich veroorlooft in een historische uiteenzetting op rdgemeen erkende feiten te wijzen, meet hij dan niet met twee maten.'' Het is nog niet zoo lang geleden, dat in een bekend weekblad werd overgedrukt een stuk uit een roomschen Catechismus, door Roomsche zendelingen in China verspreid, waarin aan Luther en Calvijn de grofste vergrijpen tegen de zedelijkheid werden ten laste gelegd.

Deze Cathechismus werd gedrukt en uitgegeven met goedkeuring vanden Bisschop. En toch weet ieder eerlijk historicus, dat deze voorstelling alsof Calvijn wegens niet te noemen zonden zou gebrandmerkt zijn, niets dan een „laster en krenkende beleediging is, " om de woorden van den heer Maaier over te nemen.

In de Roomsche pers werd hierover het stilzwijgen bewaard.

Wanneer de heer Maaier van „antipapistische felheid" spreekt, laat hij dan eerst den staf breken over deze „papistische felheden", waarmede de Roomsche zendelingen in China de Christenen van de Protestanten trachten afkeerig te maken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 1903

De Heraut | 4 Pagina's

De onthouding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 1903

De Heraut | 4 Pagina's