Westapelle.
Amsterdam, 27 Febr. 1903.
Het is een verblijdend feit, dat de verspreide geloovigen in dit kleine Walchersche dorp de noodzakelijkheid hebben ingezien om de gemeenschap der heiligen te beoefenen en daarom dezer dagen tot institueering der Kerk zijn overgegaan.
Schier overal in ons land vindt men dorpen, waarin het getal der Gerefor meerde belijders nog klein is en het gevoel van eigen zwakheid den moed beneemt om tot zelfstandige kerkformatie te komen. Men woont dan bij een andere kerk in; men gaat in een naburig dorp ter kerk; men zendt zijn kinderen daar ter catechisatie.
Van veel moeite, veel kosten, veel ongemak is men aldus bevrijd. Een zelfstandige kerk eischt een eigen gebouw voor den Dienst des Woords; een eigen predikant; een eigen verzorging van de armen. Een finantieele last, dien men meent niet te kunnen dragen.
En vaak komt daarbij een zekere menschenVrees. Zelfstandig op te treden ; een eigen kerkeraad te stellen tegenover den kerkeraad der Hervormde kerk; een predikant te laten optreden tegenover den dominé, dat alles eischt vooral op onze dorpen moed.
Moed ook, omdat men finantieel afhankelijk is van de gunst der menschen. Een bakker of timmerman, die naar de naburige „afgescheiden" of „doleerende" kerk „loopt", laat men met rust. Een ieder moet voor zich zelf weten, waar hij geestelijk voedsel wil halen.
Maar zoodra deze bakker of timmerman als ouderling gaat optreden, een eigen gebouw voor den preekdienst inricht, predikanten laat overkomen, dan ontwaakt de kerkelijke hartstocht.
Dat is revolutie in de kerk. Daardoor wordt de rustige vrede gestoord. Dat is een tegenkerk oprichten. Daarmede wordt de eer van den predikant gekrenkt.
En de straf blijft niet uit.
Een straf, die meestal in den broode treft. Zulk een timmerman krijgt geen werk meer; bij zulk een winkelier koopt men niet meer; zulk een bakker hoeft niet meer met brood te komen.'
Is het dan niet te begrijpen, dat zulke verspreide leden der Gereformeerde kerk het inwonen in een ander huis wel zoo gemakkelijk en veilig vinden als het bouwen van een eigen kerkelijk huis.'
En toch moet ook hier tegenover alle menschelijke berekening en alle kleingeloovigheid het Gereformeerde beginsel worden hoog gehouden.
Dr. Wagenaar deed daarom een goed werk met dit beginsel in Zeeland's Kerkbode nog eens klaar en helder uit een te zetten.
De vraag: „Moet op elke plaats, waar geloovigen zijn, de Kerk geïnstitueerd worden ? wordt aldus door hem beantwoord :
Onder 't O. V. was de Kerk verborgen in '/ Vo k en dus het Kerkelijk leven nationaal, 't Beeld der Kerk was één kandelaar met zeven armen.
Onder 't N. V. formeerden de Apostelen/& a/selijke gemeenten.
Wel had de moedergemeente te Jerusalem aanvankelijk een zeker representeerend karakter, doch eerlang was ze eene plaatselijke Kerk naast de andere gemeenten in jtidea.
Zoo kent de Schrift des N. V. ook de gemeenten in Galatie en voorts de gemeente te Rome. Corinthe, Thessalonica, Philippi, enz.
Zeer merkwaardig is in Openbaring I de representatie der Algemeene Christelijke Kerk als een kring van zeven gemeenten.
De éen ekandelaar met de zeven lampen is geworden tot een kring van zeven kandelaren.
En die zeven kandelaren zijn de zeven gemeenten.
De zeven plaatselijke Kerken.
Overal uu waar geloovigen vergaderen, is 't wezen der Kerk.
„Waar twee of drie in Mijn naam vergaderen, daar ben Ik in 't midden van hen."
Daar is Christus met de zijnen en daarom kan er plaats vinden ambtelijke arbeid in den dienst des Woords en der Sacramenten.
Dit wezen der Kerk heeft een ingeschapen drang om zich te openbaren in den vierderlei dienst.
Daarom vraagt 't om ambtsdragers en ambtelijken dienst; om zijn rechte institueering.
Dit is ook het uitgangspunt onzer Dordtsche Kerkenorde.
Die heeft als de samenstellende deelen van 't Kerkverband de plaatselijke Kerken.
Dit beginsel is dan ook in de laatste jaren sterk doorgedrongen.
Hier en daar verdraagt men overgangstoestanden. •
Maar 't zijn uitzonderingen. Afkeurenswaardigheden, doch waarin men berust.
Vast staat onder ons de regel: ieder geloovige heeft eene roeping voor zijne eigene woonplaats, en 't is het ambt der geloovigen om, indien op hunne woonplaats een geestelijke broederschap schuilt er de Kerk van Christus te brengen tot haar rechte gestalte en forme.
Eigen woonplaats te verlaten en over te laten zondigt tegen de goede orde, tegen de liefde jegens den naaste, tegen de trouw aan de broederen, die in gemeenschap der heiligen behoort te worden betoond en geoefend.
Mag ik het er voor houden, dat wij 't hierover allen eens zijn? "
Zoo is het.
In den tijd der Reformatie was het vaak nog veel banger en hopeloozer werk, om de „verspreide geloovigen" tot een zelfstandige kerk te vergaderen.
En toch lieten onze Synoden den eisch van Gods Woord nooit los.
Op elke plaats waar een voldoend aantal geloovigen was, moest een Kerkeraad worden gekozen en de diensten worden ingesteld.
Niet alleen omdat de gemeenschap der heiligen er toe dringt en alleen in de kerk de broederlijke saambinding kan gevonden worden.
Maar bovenal, omdat de eere Gods het eischt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 1903
De Heraut | 4 Pagina's