De Leertucht in de Gereformeerde Kerk van Nederland tusschen 1570 en 1620
Amsterdam, 13 Maart 1903.
Een der belangrijkste dissertaties op het gebied der vaderlandsche kerkhistorie, is wel het proefschrift, waarmede Ds. H. Schokking, predikant bij de Hervormde kerk te Wezep, onlangs aan de stedelijke Universiteit te Amsterdam tot doctor in de theologie promoveerde. Het is een breed opgezette studie over de „Leertucht in de Gereformeerde kerk van Nederland tusschen 1570 en 1620, " meer dan 30O pagina's groot, waarin een schat van bijzonderheden uit de kerkhistorie wordt medegedeeld. Wie dit doorwrocht werk doorleest, zal, ook al mag hij niet met elke conclusie van den schrijver medegaan, toch den tol zijner hulde en waardeering niet kunnen onthouden aan den ijver en werkkracht, waarvan dit proefschrift getuigenis aflegt.
Reeds de keuze van het onderwerp mag een gelukkige worden genoemd. Aan biografische dissertaties zijn we overrijk; allerlei min of meer bekende personen uit onze kerkgeschiedenis vonden reeds hun levensbeschrijvers. En hoe nuttig deze biografische detailstudie ook wezen moge, ze verliep toch vaak in een peuterigheid, een uitpluizen van bijzonderheden, die voor de algemcene kennis der historie weinig be lang hebben. Niet ten onrechte werd soms in het buitenland geklaagd, dat de historische studie in ons vaderland te veel in het „kisinliche" opging, en de breedheid van blik werd gemist. Dr. Schokking deed daarom een goed werk, met een onderwerp te kiezen, dat van meer algemeen belang is, en handelt over een levensfunctie der Gereformeerde kerk, in de bloeiperiode van haar bestaan. De vraag, hoe onze Gereformeerde vaderen voor de „zuiverheid van de leer" gezorgd hebben, is een historisch onderzoek ten volle waard. Niet alleen, omdat daardoor een juister beeld van het verleden wordt geteekend, maar ook omdat ds practijk onzer vaderen een leerschool voor het heden kan zijn, en menige gulden les uit den schat der oudheid ons hier geboden wordt.
Verdient de keuze van het onderwerp dus allen lof, niet minder de wijze, waarop het onderwerp is behandeld geworden. Het onderzoek naar de „leertucht" wordt door Dr, Schokking niet beperkt tot die gevallen, waarin de kerk tegen bepaalde uitingen van ketterij moest optreden, maar omvat alles wat dienst deed, om de zuiverheid der leer te handhaven. Het onderzoek bij de toelating tot den dienst des Woords, de eischen van het examen, de attestatie, de gemeenschappelijke godgeleerde arbeid op de vergaderingen, de profetie, het (afgeleid) gezag der kerkelijke symbolen, de onderteekening der formulieren, de revisie der confessie, de gravamina, de vrijheid van profetie, de tolerantie, de tucht in engeren zin en de werkzaamheid buiten de kerkelijke grenzen, vormen de mijlpalen waarlangs de weg van dit onderzoek loopt. En al moogt ge meenen, dat de titel leertucht meer als locomotief dienst doet, om den langen trein voort te trekken, ge zijt toch dankbaar, dat in zoo uitgebreid overzicht u heel de arbeid der Gereformeerde kerk wordt geteekend om het haar toebetrouwde pand veilig te bewaren.
Daarbij komt, dat Ds. Schokking niet alleen vlijtig saamgelezen heeft, v/at in reeds uitgegeven kerkelijke acta te vinden was en onder ieders bereik stond, maar ook tal van bescheiden gebruikte, die in de kerkelijke archieven verscholen liggen. Met name de classicale archieven van de classis Neder-Velu we, Sneek en Amsterdam zijn door hem nageplozen en gaven menige treffende bijzonderheid. Deze dissertatie verrijkt metterdaad onze kennis van het glorieus verleden onzer Gereformeerde kerk, en ook daarvoor zijn we Dr. Schokking dank schuldig.
Indien we hieraan nog toevoegen, dat Dr. Schokking gemakkelijk styleert; dat de voorstelHng der feiten, om een zijner geliefkoosde uitdrukkingen te bezigen, „levendig" is, en hij, ook waar hij polemiseert tegen afwijkende meeningen, steeds den hoffelijken toon bewaart; dan zal men ons toestemmen, dat deze eersteling hope geeft, dat deze nieuwe doctor in de theologie ook voor de toekqgist een aanwinst voor de kerkhistorie belooft te zijn.
Met dit woord van hartelijke aanbeveling zouden v/ij dan ook kunnen volstaan, indien Dr. Schokking aan de behandeling van zijn eigenlijk onderwerp niet een breede studie had laten voorafgaan, die een woord van critiek eischt, omdat daarin een reconstructie van de historie wordt geboden, die door den onpartijdigen onderzoeker wel niet als juist zal worden erkend.
Het spreekt wel van zelf, dat een weekblad als de Heraut niet de aangewezen plaats is, om een dissertatie in bijzonderheden te critiseeren. Allerlei kleinere onnauwkeurigheden, die door gebrek aan akribie in den tekst binnenslopen, laten we dan ook aan de vakmannen over. Zulke vergissingen en onjuistheden komen schier in elke dissertatie voor en toonen alleen, dat het meesterschap in de historie eerst langs den weg van langdurige en ernstige studie wordt bereikt.
Maar wel is de vraag van belang, of de voorstelling, die Dr. Schokking van heel het kerkbegrip onzer vaderen geeft, juist is. Voordat hij de eigenlijke leertucht behandelt, geeft hij eerst een hoofdstuk over de „kerkelijke vergaderingen" als de organen, waardoor de tucht geoefend werd. Op zich zelf is dit niet te veroordeelen; maar wanneer dit inleidende hoofdstuk bijna een derde deel van de dissertatie beslaat, tot in de kleinste bijzonderheden toe de saamstelling, aard en onderlinge verhouding van kerkeraad, classis, provinciale en Generale Synode behandelt, bladzijden wijdt aan de vraag, of de Dordsche Synode een internationale of een nationale mag heetenenz., dan heeft dit alles met het eigenlijke onderwerp al bitter weinig te maken en vraagt men zich telkens af, waartoe deze uitweidingen dienen. Het: „In der Beschrankung zeigt sich der Meister, ' geldt van dit deel althans niet.
Toch is het niet alleen deze methodologische fout, die hier te gispen valt. Blijkbaar heeft men hierbij niet te doen met een lust tot uitweiden, die vaak onze doctorandi parten speelt, maar schuilt hierachter een bepaald opzet. Heel dit eerste deel wordt gedragen door een tendenz. Het doel van dit hoofdstuk is om aan te toonen, dat de voorstelling van Voetius, onzen grooten canonicus, alsof het kerkverband ontstond door confoederatie van op zich zelf autonome kerken, met de historie in strijd is. Wel openbaart de onzichtbare kerk zich plaatselijk en is elke plaatselijke kerk dus een ecclesia completa, een volledige kerk. Maar zoodra het kerkverband gelegd is, smelten deze plaatselijke kerken saim tot één kerk, die allen omvat en waarvan de plaatselijke kerken slechts deelen zijn. Of om het volkomen duidelijk beeld van Dr. Schokking over te nemen : de onzichtbare kerk is de olie, die op het water drijft: legt men daarop een blad papier, dan dringt de olie druppelsgewijs er door heen en vormt zelfstandige kringen (de plaatselijke kerken); maar naar mate de olie verder doordringt verdwijnen deze zelfstandige kringen en vormen ten slotte één olieachtige massa (de landskerk); de eenheid van de olie op het water weerspiegelt zich aldus in de eenheid van de olie op het papier.
Het beeld is zeker gelukkig gekozen, en indien beelden bewijzen konden dan ware de zaak daarmede uit. Dr. Schokking weet echter zelf wel, dat exempla illustrant et non demonstrant en tracht daarom deze voorstelling ook met de gegevens der historie te rechtvaardigen.
De bewijzen, daarvoor aangevoerd, zijn echter uiterst zwak. Het geheele betoog neemt zijn uitgangspunt in een paar uitdrukkingen ontleend aan de Synopsis Purioris Theologiae, die door de vier Leidsche professoren, Walaeus, Rivet, Polyander en Thysius uitgegeven. Daargelaten nu of deze citaten juist geëxegetiseerd zijn, zal ieder toch gevoelen, dat deze wijze van bewijsvoering niet opgaat. Wanneer ik wil weten hoe onze vaderen over de kerk in kerkrechtelijken zin gedacht hebben, dan heb ik niet jin de eerste plaats aan te kloppen bij een Dogmatiek, die zeer ter loops over de kerk als instituut handelt, maar bij de schrijvers over het Kerkrecht. De Synopsis te beschouwen als de communis opinio van onze Gereformeerde kerken, niet wat haar dogmatisch, maar wat haar kerkrechtelijk standpunt aangaat, en dit werk uit te spelen tegenover Voetius, die dan onder den invloed van het Engelsche Independentisme een geheel nieuwe beschouwing in ons kerkrecht zou geïmpor teerd hebben, is een vergrijp tegen de historie, dat zelfs met den naam van den overleden hoogleeraar Kleyn niet kan gedekt worden. Met enkele groote woorden, als dat Voetius in zijn historische beschouwingen onjuist en principieel niet Gereformeerd is, maakt men zich van onzen Meester op het gebied van het Kerkrecht niet af. Dan dient zwaarder geschut te worden aangevoerd dan de sobere dogmatische theses, onder de auspiciën der Leidsche faculteit ia 1625 verdedigd.
Indien Dr. Schokking zich streng had willen houden aan het tijdperk, door hem afgebakend^ dan had noch de Synopsis noch Voetius door hem mogen worden genoemd. Het viertal Leidsche hoogleeraren heeft op de periode van 1570—1620 zeer weinig invloed geoefend; Rivet kwam pas na 1620 te Leiden, Walaeus en Thysius ia 1619 en alleen Polyander doceerde er van 1611 af Hun invloed dagteekent van de Dordtsche Synode, maar in het daaraan voorafgaande tijdvak treden geheel andere personen op deri voorgrond. Datheen en Caspar van der Heyde, Arnold Cornelissen en Hendrik van den Corput, en later mannen als Piancius, Trigland, Hommius zijn de leiders op kerkrechtelijk gebied geweest. Maar ook indien men wilde onderzoeken hoe in rustiger tijd, na afloop der Remonstrantsche troebelen, het kerkbegrip zich afspiegelde in het bewustzijn van de toongevende leiders, dan had men niet bij het Leidsche viertal, maar bij Voetius aan te kloppen. Men moet al zeer weinig thuis zijn in het tijdvak na de Dordtsche Synode, om niet te weten, dat niet de Sy nopsis Purioris Theologiae, maar de Politica Ecclesiastica van Voetius het kerkrecht heeft beheerscht.
En hoe onjuist de voorstelling is, alsof Voetius onder independentistische invloeden een geheel nieuw kerkbegrip zou hebben geformeerd, dat dusverre gansch onbekend was, kan uit één feit voldoende blijken,
Voetius heeft heel zijn leven lang aan aanvallen blootgestaan. Zelf een militante natuur, lokte hij tot bestrijding uit. Zijn tegenstanders hebben dan ook op elk punt, waar een aanval mogelijk was, hem met duchtige wapenen bestreden. Van een jurare in verba magistri was bij onze theologische kemphanen tegenover Voetius geen sprake.
Maar op welk punt men Voetius ook hebbe aangevallen, geen zijner bestrijders heeft er aan gedacht, het fundament van zijn kerkrechtelijk stelsel als principieel ongereformeerd aan te tasten. In alle blauw boekjes en schotschriften dier dagen zocht men te vergeefs zelfs naar een spoor van eenige reactie, tegen Voetius' voorstelling van de autonomie der plaatselijke kerk Zelfs Maresius heeft, op dat punt, Voetius nooit van „afwijkende gevoelens" beticht
Zoo ziet men hoe de opvatting van Dr. Schokking tot een voorsteUing leidt, die lijnrecht met de wet der historische ontwikkeling in strijd is, In 1625 zou de Synop sis, als communis opinio van alle Gerefor meerde kerken, een kerkrechtelijk stelsel hebben verkondigd, dat diametraal tegenover Voetius' opvatting stond. En toch zou bij de verschijning van Voetius' Politica Ecclesiastica, zonder slag of stoot deze nieuwe opvatting door allen zijn aanvaard en van eenig verzet tegen deze „revolutie" op kerkrechtelijk gebied zelfs geen zweem te ontdekken zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 15 maart 1903
De Heraut | 4 Pagina's