Lerwiek en Baltasound.
Het jaarverslag van hetgeen de Zuid-Hollandsche zeekerken verricht hebben ten bate van de Nederlandsche visschers op de kusten van Schotlend, is weder rondgezonden, en legt opnieuw getuigenis af van den rijken zegen, dien God de Heere op dezen arbeid schenkt.
Ditmaal is deze arbeid niet onbelangrijk uitgebreid geworden. Daar vele haringschepen niet te Lerwick, maar te Baltasound, het Noordelijkst gelegen plaatsje op de Shetland's eilanden, hun vangst afleverden, oordeelden de zeekerken van Zuid-Holland, dat ook hier voor den dienst des Woords moest gezorgd worden. Ds. Goslinga van Schiedam ging daarom naar Lerwick, terwijl Ds. Van der Valk, die als pionier dezen arbeid aangevangen had, naar Baltasound trok, en daar een nieuw arbeidsveld in beslag nam.
Beide broeders hebben van hun lotgevallen een verslag opgesteld voor de kerken, die hen afzonden; dit verslag is thans door den druk publiek gemaakt, en er is geen beter aanbeveling voor dezen arbeid, dan de onopgesmukte en nuchtere mededeehng van hetgeen deze beide broeders voor onze visschers hebben gedaan.
De hoofdzaak is en blijft natuurlijk de bediening des Woords op den rustdag; de bidstonden en bijbellezingen in de week ; en de geestelijke verzorging en raad, die zoowel in het lokaal der bijeenkomsten als aan boord gegeven wordt. Maar daarnaast waren onze predikanten, in menig opzicht, de raadslieden en helpers onzer schippers, ook waar ziekte of andere oorzaken materieele hulp noodig maakt.
Het belangrijkst is in dat opzicht het verslag van Ds. Goslinga, omdat Lerwick de hoofdplaats voor onze visschers blijft. Wij nemen daarom een deel uit dit verslag over, om te laten zien, hoe nuttig ook voor de meer materieele belangen onzer visschers de aanwezigheid onzer predikanten in Schotland is.
Verder hebben wij vele schippers geholpen die eenige averij aan hunne schepen of donkeys hadden. Sommigen schoten wij de gemaakte onkosten voor en anderen dienden wij voor tolk bij den timmerman of den smid. Dit laatste was waarlijk niet gemakkelijk. Wij, die buiten het visschersleven staan, kennen niet de namen van de onderscheidene scheepsdeelen in onze eigene taal en om die dan in eene vreemde taal over te brengen en aan de Engelschen te zeggen, wat onze menschen bedoelden, valt niet zoo licht. Wij vroegen dan eerst aan hen de namen van het gebrokene in het Hollandsch en hoe ze het gemaakt wilden hebben, daarna vroegen wij den Engelschen de namen dier deelen in hunne taal en legde hun nu uit wat onze schippers begeerden dat door hen zoude worden gedaan. Deze onze bemoeienissen liepen ook tot wederzijdsche tevredenheid af.
Bij het transporteeren van haring met de stoomboot naar Leith, vanwaar ze wordt vervoerd naar Rotterdam, zijn zekere formaliteiten te vervullen, waarnaar we voor onze mannen informeerden; ook sommige andere zaken deden wij voor hen: als het verkrijgen van toegang tot de begraafplaats om een gedenkteeken van een aldaar begraven familielid aan te brengen. Ook waren wij soms betrokken in de zaken die men met het Customhouse had te doen. onder meer in het volgende geval. Op Zaterdag 21 Juni kwamen twee schippers van Scheveninger bommen tot mij met een droevig gelaat. Zij vertelden mij, dat zij Vrijdagsmorgens om 10 uur in de baai waren gekomen en terstond de vlag hadden geheschen, het teeken dat men de commiezen aan boord wenscht en verwacht; welk bezoek noodig is, vóór het schip aan den wal mag worden vastgemaakt, of de schipper of een van de anderen der bemanning hetzelve mag verlaten. Zij hadden evenwel dengeheelen dag tevergeefs gewacht, en daar het anker des eenen stuk was en het weer onstuimig, vertrouwde deze het niet 'snachts in de Baai te blijven liggen en had hij tegen acht uur zijn schip vastgelegd aan eene reeds gevisiteerde bom. De tweede, ook al bevreesd om 'snachts midden in de Baai te blijven leggen, had daarna zijn schip aan dat des eersten verbonden. In den morgen van den volgenden dag waren nu de commiezen gekomen en hadden ieder om deze handeling voor i p.st. beboet, wijl het evenmin geoorloofd is een schip vast te leggen aan een ander, dat reeds gevisiteerd is, als rechtstreeks aan den wal, omdat dan ook de mogelijkheid van smokkelen bestaat. De schippers vroegen mij of ik niets voor hen kon doen om van boete te worden vrijgesteld. Daar ik ten volle overtuigd was, dat de mannen ter goeder trouw hadden gehandeld, beloofde ik mijn best te zullen doen, hoewel ik vreesde, dat zij zouden moeten betalen, wijl zij tegen de wet hadden gehandeld. Er was een lichtpunt in deze zaak, waarop ik in hun belang meende te kunnen wijzen. De commiezen hadden niet het recht hen zoolang op visitatie te laten wachten, daar vele dringende zaken de schippers konden noodzaken naar den wal te gaan of het schip vast te leggen. Op dit verzuim der commiezen is dan ook door mij attent gemaakt door middel van den heer TuUock, met dit gevolg, dat de boete werd kwijtgescholden door den ontvanger van het Belastingkantoor.
In een ander geval achtten wij ons geroepen onze medewerking te weigeren. Men vroeg ons,
of wij er niets aan konden doen om de invrij heidstelling van een matroos te bevorderen, die wegens smokkelen in de gevangenis was gezet. Daar het ons bleek, dat deze invrijheidstelling van zelf zou volgen, jcodra maar de boete, die was opgelegd, werd betaald, zoo hebben wij aapgeraden om zoo spoedig mogelijk zulks te doen en gezegd, dat wij niet naar Shetland waren gekomen om kwaad te helpen goedkeuren of verschoonen. Naar aanleiding van dit geval hebben wij herhaaldelijk onze visschers in de Hall tegen het smokkelen gewaarschuwd. Ook zijn wij nog in aanraking geweest met de Court of Justice van de Country of Shetland, en wel in de volgende zaak.
Een Maassluische schipper had zijn hond medegenomen naar den wal te Baltasound en daarvan had de politie proces verbaal tegen hem opgemaakt, omdat zulks bij de wet in geheel Shetland is verboden. Dit proces moest te Lerwick worden behandeld. De schipper kwam tot ons om raad en hulp; hij meende, dat hij onrechtmatig was bekeurd. Hij zeide, dat, als hij in de Baai te Lerwick kwam, hij steeds werd herinnerd aan de wetsbepaling op dit gebied en men hem ook een papier ter hand stelde met de desbetreffende verordening. Te Baltasound had men hem niets gezegd en niets gegeven; nu dacht hij, dat het daar wel geoorloofd was een hond mede naar den wal te nemen. Nauwelijks echter was daarvan het proces veibaal tegen hem opgemaakt of men gaf hem de verordening, doch hij had geweigerd deze aan te nemen. Het was Woensdag toen de schipper ons zulks mededeelde en daar zijne zaak eerst den.daarop '/olgenden Za'terdag, 'savonds te 5 uren, zou worden behandeld, kon hij niet zoo lang in de Baai blijven; hij beloofde ons echter tegen dien tijd terug te zullen zijn, indien wij hem zooveel mogelijk wilden helpen, wat door ons werd toegezegd. Des Donderdags kregen wij een bode bij ons, door den sherif, den president-rechter van de Court, gezonden, met verzoek bij de behandeling van deze zaak voor den schipper als tolk op te treden. Natuurlijk maakten wij geen bezwaar om aan dit verzoek te voldoen. Een onzer begaf zich ter bestemder tijd naar de Court, maar de schipper was er niet. Toen werd de behandeling zijner zaak uitgesteld tot 6I/2 uur, in de hoop, dat hij dan present zoude zijn, doch ook toen was hij absent. Nu dacht ik, dat hij bij verstek veroordeeld zoude worden, maar neen, zulks geschiedde niet; tot een nieuw uitstel werd besloten en ik kreeg aanzegging om 'sMaandagsmorgens 9 uren weer present te zijn.
Daar wij vreesden dat de schipper niet door overmacht, maar moedwillig wegbleef, zoo besloten wij, dat indien hij 'sMaandags nog niet present was, terwijl hij dan best tegenwoordig kon zijn, mets meer te doen tot zijne verdediging en van het woord af te zien.
Wijl de schipper ook 'sMaandags niet verscheen, heb ik zulks aan de Court medegedeeld. Wij schaamden ons voor onzen trouweloozen landgenoot, en ik had er ook wel wat spijt van, dat ik de eerste en hoogstwaarschijnlijk ook de laatste pleitrede, die ik ooit voor eenige rechtbank zou uitspreken en die met zooveel zorg en moeite was opgesteld, moest verwijzen naar de pruUemand.
Behalve dat wij aan de Court mededeelden van het woord af te zien, hebben wij hetzelve bedankt voor de welwillendheid in deze zaak betoond. Die welwillendheid werd ons trouwens door de Engelsche autoriteiten en andere officieele personen, zoo dikwijls wij met hen in aanraking kwamen, steeds bewezen, en onze Nederlandsche Bureaucraten kunnen op dit gebied nog wel wat van hen leeren.
Ten slotte zij nog gemeld, dat ook dit verslag overvloeit van lof voor de welwillende houding, zoowel door de Schotsche kerk als door de Engelsche Orerheid tegenover onze predikanten aangenomen.
De uitbreiding van het arbeidsveld, deed natuurlijk de kosten stijgen. Ds. Sluyter van Maassluis doet daarom, in zijn inleidend woord, een beroep op de ofiervaardigheid der kerken. Een arbeid, die zoo rijke vruchten afwerpt, mag door gebrek aan geld niet gedrukt worden. Wij twijfelen dan ook niet, of deze roepstem zal door milde bijdragen worden gevolgd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 29 maart 1903
De Heraut | 4 Pagina's