Uit de Pers.
In de Rotterdamsche Kerkbode geeft D.'». Landwehr een serie artikelen over de „Roeping der kerk tegenover de Sociale Nooden".
Een eerste artikel zette kort en bondig uiteen, waarom de kerk ook ten opzichte van het sociale vraagstuk een roeping heeft:
In November van het jaar 1891 werd op het Sociaal Congres te Amsterdam door een der in vloedrijkste leden deze gewichtige verklaring afgelegd : »ik geloof, dat de Kerk eene hooge roeping heeft ook in maatschappelijk opzicht. Ik geloof, dat zij het eenige organisme is, dat tegen de ontbindende kracht van het Socialisme op den duur bestand zal blijken. Wanneer dit laatste zich uitbreidt en geheel georganiseerd zal zijn, zullen de maatschappij en de staat op zichzelve tot weerstand onmachtig zijn en het kan zelfs wel gebeuren, dat zij er geheel door ingenomen althans tijdelijk zijn instrumenten worden. Maar dat is onmogelijk bij de Kerk. Die kan er nooit door vernield of bedorven worden, want van haar geldt de belofte, »dat zelfs de poorten der hel haar niet zullen overweldigen.’
Kort nadat deze treffende woorden gesproken waren, hoorden wij van gansch andere zijde hetzelfde bevestigen. Een der invloedrijkste voorstanders van het Socialisme in Friesland ^eide destijds : o voor de maatschappij vrees ik niet, want die is toch verwoest en verkanker); voor den staat evenmin, want die wordt toch op den duur niet genoegzaam beveilligd; maar mijn doodvijandin is de Kerk. In haar schuilt het geloof en dat maakt haar sterk." Daarom roepen de Socialisten thans weer duide • lijker dan vroeger: weg met de Kerk en weg met de priesters.
Wij hebben deze woorden aangehaald, om u te laten gevoelen, hoe èn van de zijde des geloofs èn van de zijde des ongeloofs de bcteekenis van de Kerk voor het maatschappelijk leven erkend wordt. De Kerk heeft eene dure roeping te vervullen, welke naar ons oordeel lang niet genoeg tot het bewustzijn is doorgedrongen. Wie haar laat opgaan in eene vergadering voor hen, die als hoogste ideaal stellen om onder wijnstok, en vijgeboom neer te zitten, zal van die roeping weinig verstaan ; maar wie haar beschouwt als het strijdend leger van Koning Christus, dat met de banier van Zijn Woord in de hand, op alle terrein zich moet laten hoeren en overal de ordinantiën des Heeren heeft te verkondigen, die beseft die roeping zonder twijfel.
Te betreuren is het, dat veler oogen tot nu toe bijna gesloten waren voor de ernstige roeping, welke de Kerk heett. Toen wij vroeger meer dan eens de belangen der werklieden bepleitten, meenden sommigen, dat de predikanten zich daar niet mede moesten bezig houden. Alsof de roeping van een dienaar des Woords alleen ligt in den kring, waarin hij geplaatst is. Wij stemmen aanstonds toe: daar ligt allereerst zijn ' oeping, maar volstrekt . niet alleen. De Dienaar des Woords heeft als Die-' naar der Kerk ook eene roeping op sociaal terrein. Immers heeft de Kerk haar licht te laten schijnen, dan moet zij dit ook doen door hare denaren. Thans nu de dagen zeer ernstig zijn en men de macht van het Socialisme ziet en menigmaal overschat, nu roept men om hulpe, om voorlichting
van onze Christen-arbeiders. Men had dat eerder moeten doen en men had de dienaren, die zich voor dit werk gaven, aan moeten moedigen. Doch beter laat dan nooit.
Wij zullen in enkele opeenvolgende stukken de roeping der Kerk op Soc.aal terrein naar ons inzien voorstellen. Het spreekt als van zelve, dat wij niet in elk opzicht volledig kunnen zijn, maar we willen althans de zaken waar het op aankomt, met vrijmoedigheid noemen.
In het daaropvolgende artikel werd dit nader uitgewerkt ten opzichte van den Dienst des Woords :
De Kerk, als het lichaam des Heeren, heeft haar eigen organen. Zij heeft van haar Koning de instelling der ambten ontvangen. Wij willen eerst onderzoeken, wat op het gebied dezer ambten gedaan kan v.'orden met oog op de soc ale nooden.
Allereerst hebben wij dan te bespreken den dienst des Woords. Of in dien dienst ook te rekenen is met sociale toestanden, is alleen uit te maken, indien men een juiste opvatting van dien dienst heeft Vele laten hem opgaan in een persoonlijk getuigenis van den pi-ediker; maar, al ligt er in de prediking ook een getuigenis, in getuigen mag zij niet opgaan Anderen beschouwen den dienst des Woords als eene F.vangelieprediking in engeren zin. Hoewel de prediking Evangelieverkond ging moet zijn, mag zij daar niet geheel in opgaan. Neen, de dienst des Woords bestaat hierin dat men het gansclie Woord des Heeren, met al sijn beloften 'en eisclien, met al zijne ordinantiën voor elk levens terrein, waarop de Christen zich te bewegen heeft, neerlegt aan de conscientiën der hoorders. Met name aan de volgelingen van den hervormer Cal vijn komt de eere toe, dat zij dit verstaan en in toepassing gebracht hebben. Wie nu nauwlettend den dienst des Woords in onzen tijd nagaat zal on getwijfeld moeten toestemmen, dat wij in dit opzicht niet van tekortkoming zijn vrij te pletten. Hoe toch is de feitelijke toestand ? Het grootste deel der gemeente wil liefst rustdag aan rustdag bepaald worden bij de kern der leer. Rech vaardigmaking, geloof en bekeering zijn onderwerpen, waar men altoos wel over wil hooren preeken. Indien echter een dienaar van uit de kern naar den omtrek gaat en gewaagt van den eisch Gods voor ons lichaam, voor ons huisgezin, voor de maatschappij en voor den staat, dan geniet men niet meer en noemt de prediking dor. Dat deze voorstelling niet bezijden de waarheid is, zal ieder toestemmen, die meer van nal-ij bekend is met wat er alzoo leeft in da hoofden en harten der rnenschen.
Een gevolg van dezen toestand is gevi'orden, dat sommige dienaren (iets wat zich wel laat verklaren, maar niet billijken) in hun prediking zich doorgaans in één cirkel bewegen. De Heere leert ons, dat alle Schrift van Hem ingegeven is en nuttig is tot Jeering, maar zij behandelen maar o, zulk een klein gedeelte van het Woord. Dat nu is zeer te bejammeren.
De waarheid van de rechtvaardigmaking des zondaars voor God is ongetwijfeld de kern der leer. Een groot godgeleerde onzer dagen heeft de Schrift eens vergeleken bij een apotheek. In een apotheek zijn medicamenten die eiken dag, en anderen, die slechts nu en dan gebruikt worden. Zoo is het ook met de waarheden der H. Schrift. Daar zijn er, die telkens moeten voorgesteld worden, maar daar zijn er ook, die nu en dan moeten ver kondigd worden. Al de waarheden der H. Schriit moe'en tot het bewustzijn der gemeente gebracht worden, doch met a'(; 'i'//£/rf. Wie eiken rustdag over de sociale nooden en over de onmisbare remediën ging spreken, zou niet wijselijk handelen.
De gemeente moet eerst haar verhouding tot God leeren kennen, maar daarna ook de verhouding tot de broeders en tot den naaste in het algemeen. Dat is de wille Gods!
Men behoeft dan geen sociale preeken te houden. Dat woord is onzes inziens onjuist, maar men moet ook de v/oorden Gods, waar op sociale toestanden gezien wordt, uitleggen en toepassen voor de ge meente. Als men nu vraagt, wat dan in den dienst des Woords bijzonderlijk onder de amdacht der hoorders moet worden gebracht, dan is het niet overbodig er aan te herinneren, dat men in de eerste plaats, zoo dikwijls als het te pas komt, moet wijzen op het verschil van stand, dat er alto s geweest is, en naar Gods Woord zal blijven. De ongelijkheid in de maatschappij is niet een gevolg van achteruitgang, of werkeloosneid, of overbevolking.
Toen koning Salomo het woor i neerschreef: rijken en armen ontmoeten elkander, de Heere heeft ze beide gemaak , toen was er geen sprake van achteruitgang, want het geld werd voor geen ding geacht en het zilver werd geacht als de steenen. Het maat schappelijk leven onder Israël was tot zijn hoogsten bloei gekomen.
Toen was er ook geen sprake van werkeloosheid, want men kwam handen te kort. Alleen voor het bouwen van den tempel moesten duizenden arbeiders van uit andere landen komen. Lastdragers, houthouwers en andere arbeidslieden waren er in Israël niet genoeg.
Toen was er ook geen kwestie van overbevolking, want ieder had in Israël plaats genoeg voor zich en de zijnen. De nijvere landbouwer kon er zijn ploeg laten trekken, de stille herder kon er weide vinden in de rijk besproeide dalen, de koene vis scher kon zijn netten uitwerpen op de zee.
En ondanks dat alles was er toch nog verschil in stand en kon Salomo nog spreken van rijken en armen. Dat verschil heeft God gewild. Let wel, de Heere wil als de God van alle leven de verscheidenheid; maar de droeve tegenstellingen van doodarm en schatrijk zijn gevolgen der zonde. De zonde maakt van v rscheidenheid droeve tegenstellingen.
In den dienst des Woords moet hierop gewezen worden, opdat ieder versta: de Heere regeert. Oost, noch \Vest, noch zandwoestijn, doet ons meer of minder zijn. God is rechter, die 't beshst. Hij geeft aan den een een scepter en aan den ander een spade. De Apostelen wijzen daar telkens op in hu'i brieven en bovenal lieeft de Heere Jezus het zwijgen opgelegd aan alle predikers van gelijkheid toen Hij zeide: de armen hebt gij altijd met [i, maar Mij niet altijd.
Natuurlijk is dit slechts een klein deel van de taak, die de kerk heeft.
Maar het is toch een uitnemende gedachte, dat op zoo klare en duidelijke wijze op de roeping der Kerk gewezen wordt.
Met belangstelling zullen deze artikelen gelezen worden. We hopen, dat Ds. Landwehr gelegenheid vinden zal deze artikelen later in een brochure vereenigd, in het licht te geven.
Ze zijn waard ook buiten Rotterdam verspreid te worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 5 april 1903
De Heraut | 4 Pagina's