Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Toon ons den Vader.”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Toon ons den Vader.”

9 minuten leestijd

Pliilippus zeide tot hem: Heere, toon ons den Vader, en het is ons genoeg. Joh. XIV : 8.

Hoofdgedachte ook in deze Meditatie blijve het aangrijpende woord van Jezus: Dit is het\ eeuwige leven dat zij U kennen, den eenigen waarachtigen God. De zin van dat zeggen is te vol, te rijk om op eenmaal in-en doorgedacht te worden. Daarom komen we er ditmaal, en straks nader op terug.

We deden gevoelen wat leven, wat ecuwig\ leven is. We hebben niet gepoogd het eeuwige leven in een begrip samen te vatten, veel min hebben we het begrip ervan ontleed. Al wat we poogden was, in het leven zelf-de gewaarwording van het leven te doen grijpen, en ook om het denkbeeld van het leven dat eeuwig is, dieper op te vatten dan als ware het bloot een leven zonder eind. Een leven zonder eind gerekt, zou u niet dan troostelooze wanhoop aanjagen; eeuwig leven, heel iets anders, bezielt en verjongt.

Doch nu verder.

Er staat niet, dat wie den Vader kent, het eeuwige \tvtn z& \ ontvangen. Het heet niet: „Als gij zoo vroom en volijverig zijl, om God te leeren kennen, dan zult gij als loon daarvoor na uw dood het eeuwige leven u zien schenken". Er ; staat, heel anders, dat God te kennen het eeuwige leven zelf is. En ge gevoelt, dat scheelt hemelsbreed. Eeuwig leven als loon voor uw inspanning om God te leeren kennen, is een oppervlakkige uitwendige opvatting, werktuigelij k en gemaniereerd. Daarentegen een eeuwig • leven dat zelf in het kennen van God bestaat, is een gedachte zoo diep, dat ge, er in glurend, geen bodem ziet.

Eeuwig leven loon voor kennis hoort bij de examen manie. Veel studie, veel van buiten leeren, veel nazeggen wat men u voorzegt, en dan als loon promotie uit een vergankelijke en ondergaande in een altoosdurende, , nooit eindigende existentie. In anderen zin, dan waarin het woord gemeenlijk op de reclameplaat voor komt: een soort hoogere levensverzekering.

Het wordt dan geheugenwerk. Een spits vondig gesteld leerstellig boek, eiken halven volzin uitgeplozen, om u het alles ordelijk voor te leggen, wat in den loop der eeuwen over het wezen en het werk, over den persoon en de eigenschappen van den Oneindige in stelsel is gebracht. En als het dan ten slotte alles dor en verdord voor uw zielsoog is geworden, tot er u geen enkele geur des levens meer uit tegenademt, dan zou die dorre, doode kennis het loon ontvangen van het eeuwige leven.

Maar dit alles valt weg, zoo ge het neemt gelijk het er staat: De kennisse van God zelt is het eeuwige leven. Wie reeds hier die kennisse bezit, bezit alzoo dit eeuwige leven reeds nu, reeds hier. En omgekeerd, wie afsterft zonder die kennisse Gods hier gevonden te hebben, die vindt ze ook nimmer hier namaals. Voor dien daagt de eeuwige morgen nooit.

Ge voelt, ge tast het: Zóó opgevat (en zóó moet, zoo alleen mag het verstaan worden) dringt dit woord van Jezus als een macht op u aan Als een macht die indringt in uw wezen en conscientie, om u af te vragen : Hebt gij die kennisse Gods reeds verworven ? En evenzoo als een macht die prikkelt om nu nog, eer het te laat is, naar die kennisse te grijpen, zoolang te grijpen, tot ge in uw eigen zielstrilling de golving van dit eeuwige leven voelt deinen.

En nu komt Filippus, en vraagt naïevelijk: Heere, toon ons den Vader.

Kinderlijknaïef, en toch koos hij het juiste uit gangspunt, om verder te komen. Want wie zoo vraagt, bewijst dat hij 't meent, dat het hem ernst is. Hij begeert tot de kennisse Gods te geraken. Er blijkt uit zijn zeggen, dat hij geen boekenkennis, maar levenskennis van God begeert. Hij wil God kennen, God zelven. En • wat dan natuurlijker, dan dat hij begint met te vragen: Toon mij den Vader.

Een der schaduwzijden van het godsdienstig leven, gelijk ons dit uit de Reformatie toekwam, is, dat het zich te zeer leerstellig, in tegenstelling met Rome, ontwikkeld heeft. Dit moest zoo, het kon niet anders. Het leerstellige kon niet ontbeerd worden. Maar toch, het heeft iets bedenkelijks, als het te eenzijdig op den voorgrond treedt. Het is hetzelfde verschil als tusschen de Evangeliën en de Brieven, omdat ook in die brieven reeds leerstellige strijd wordt gevoerd. En zelfs in de Evangeliën hebt ge hetzelfde onderscheid tusschen de Bergrede en den strijd van Jezus met de Schriftgeleerden.

In den eersten aanloop was de Reformatie beter dan later. Wat verrukkelijke taal soms in de Belijdenis, in het Avondmaalsformulier en in de Geuzenliedekens. En omgekeerd, hoe verdord en vermagerd reeds zijn de latere formulieren. Eerst stroomt er leven, later is er niets meer dan de leeggeloopen bedding, met nog een zwak adertjen, doodloopend in het zand. o, Het is niet te zeggen, wat dit 's Heeren volk verarmt heeft.

Nu weet Filippus van deze tegenstellingen en formules nog niets. Hij staat er nog kinderlijk naief voor. God is hem werkelijk het eeuwige Wezen. Hij begeert zijn God, hij zoekt zijn God, en daaromishet de bede van zijn hart of hij God mocht kunnen zien, en zoo spreekt hij het in den drang zijner ziel uit: loon ons den Vader.

Als er van een persoon sprake is, en men vraagt u: Kent ge hem ? dan is, zoo ge hem ganschelijk niet kent, niets natuurlijker, dan dat ge zegt: ik heb hem zelfs nooit gezien.

_ Zien is het eerste, een indruk door het zien ontvangen, het vanzelf sprekende. Vandaar dat in oud en nieuw Verbond dat zien van God telkens op den voorgrond treedt. Bij Mozes reeds, toen hij bad: Toon mij uw heerlijkheid! en toen Jehbvah antwoordde; „Mij zal geen mensch zien en leven". En ge weet wat later Paulus in het nieuwe Verbond jubelde: „Wij allen, met ongedektcn hoofde de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld en gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid." Dat hier reeds, en daarna: „Dan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten deele, maar dan zal ik kennen, gelijk ik ook gekend ben."

In zulke woorden trilt het leven der Schrift. Hier is alle dorheid weg. Het is alles wezenlijk, het is alles volle realiteit. Het is om God, om den levenden God te doen. Om Hem te zien, Hem te aanschouwen, en dan zielsinnig te genieten in dien leven-instortenden aanblik.

En daarom wat Filippus vroeg: „Heere, toon ons den Vader", het was het juist gekozen begin, opkomend uit diepgevoelden dorst naar den levenden God.

Maar helaas, buiten u is God niet te zien, en het is volkomen duidelijk, waarom niet.

Buiten u kunt ge iets, wat het ook zij, alleen dan zien, als het zich in de wereld als een afzonderlijk stuk of deel van die wereld aan u voordoet, en genoegzaam beperkt is, om in den 1 omvang van uw blik te vallen.

Niemand kan de wereld zien, wel stukken en deelen ervan. Nu dit, dan dat, voor zoover het onder uw bereik valt. Doch al kondt ge de wereld zien (des neen), dan zoudt ge toch God niet kunnen zien, want de wereld is eindig God oneindig, en zdfs het wijdst begrip dat ge u van de wereld maakt, zinkt weg in het niet vergeleken bij den oneindigen God.

En dan, zien kunt ge alleen wat in uw blik valt, wat alzoo een vorm, een gedaante, een gestalte heeft; en God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.

God buiten u te zien, is daarom onmogelijk. Hem buiten u te willen zien, is God verkleinen, is aan God een gestalte geven, en uw God als geest te niet doen.

En hier nu treedt de afgoderij in. De afgoderij was, dat de volken „de heerlijk heid des onverderfelijken Gods veranderd hebben in de gelijkenis van den verderlelijken mensch" (Rom. I:23).

Dat begon niet uit boosheid, het begon uit vroomheid. Het waren niet de slechtsten, maar de besten uit de natiën, die tempelen bouwden en er een beeld van God in plaatsten. Ook onder die natiën ging het geroep op: Toon ons God. En toen toonde de priester hun God, in een beeld dat ze maakten.

Zoo waanden ze God aan het volk nader te brengen, en toch, juist door dat ellendige beeld deden ze alle kennisse Gods voor het volk te loor gaan.

Met elke afbeelding^ van God is (7oi zelf weg. Vandaar dat doordringend vermaan van Johannes, eer hij stierf: Kinderkens, bewaart u zelven | van de atgoden !

En zoo blijven die twee tegenover elkander staan.

Eenerzijds dat dringen en roepen: Toon ons den Vader! De zielskreet, die aan een dogma, die aan een begrip, die aan een formule niet genoeg heeft; die God zelven wil bezitten. De echt vrome, kinderlijk-vrome, dorst naar den levenden God. En daartegenover anderzijds: Ge kunt God niet als een voorwerp voor u stellen, noch met uw oog zien. Hij is de Onzienlijke. En met elke poging, om hem in beeld voor u te stellen, verliest ge den Oneindige en raakt steeds verder van uw God af.

De verzoening nu van deze elkander uitsluitende gewaarwordingen; dat ge innerlijk^ gedreven wordt, om niet te rusten eer ge God ziet, en dat ge, door God u voor te stellen. Hem juist geheel en al verliest, ligt in wat Jezus aan Filippus antwoordde: „Die mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien, en nu zegt gij: Toon ons den Vader".

Maar hóe ?

Er is een zien buiten u, maar er is ook een zien in u. Doch niet in u als eenling. Niet gij op u zelf, maar gij in uw menschelijke natuur.

Nu treedt in den Zoon des menschen God zelf in die menschelijke natuur voor u. En door uw gemeenschap met den Zoon des menschen ziet aldus ook gij uw God, in Jezus, door Jezus, en in u zelven door den Heiligen Geest.

Niet het beeld van God in den afgodstempel, maar het beeld Gods in Messias!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 mei 1903

De Heraut | 4 Pagina's

„Toon ons den Vader.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 mei 1903

De Heraut | 4 Pagina's