Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Godsdienst en Wetenschap.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Godsdienst en Wetenschap.

8 minuten leestijd

De provinciale conferentie 30 April tel Leeuwarden gehouden, werd opgeluisterd door een degelijk referaat van Prof. Bavinck over Godsdienst en Wetenschap.

In de volgende vijf steUingen had de referent kort zijn gedachten saamgevat:

1. De positivistische opvatting van de wetenschap laat aan haar wezen en doel geen recht wedervaren.

2. Godsdienst en wetenschap zijn wel onderscheiden, maar mogen niet dualistisch naast, veel minder vijandig tegenover elkaar gesteld worden.

3 De Christelijke religie is aan de ontwikkeling van begrip, inhoad en omvang der wetenschap [ bevorderlijk geweest.

4. Wijl de Christelijke religie niet tegen de natuur, maar alleen tegen de zonde overslaat, onderdrukt zij de wetenschap niet, maar maakt haar vrij.

5. De uitbreiding welke de wetenschap heden ten dage geniet, maakt het meer nog dan vroeger noodzakelijk, dat zij in Christelijken geest beoefend en onderwezen worde.

Volgens het verslag in de Friesche Kerkbode opgenomen, lichtte Professor Bavinck deze stellingen aldus toe :

Het onderwerp, in deze stellingen aan de orde gesteld, beveelt zich aan door zijne actualiteit. Van de eene zijde is men er op uit, om godsdienst en wetenschap steeds strenger en scherper te scheiden; en van den anderen kant is er een streven waar te nemen om ook de wetenschap wederom in Christelijken geest te beoefenen en te onderwijzen. De strijd voor de school met den Bijbel zet zich voort tot eene voorstelling, om het universitair onderwijs vrij te maken van de banden des ongeloofs. De indiening van een voorstel tot wijziging en aanvulling van de wet op het Hooger Onderwijs is een evenement.

I. Toen het Christendom zijn intrede in de wereld deed, vond het tegenover zich een rijke cultuur, die onder Gods algemeene goedheid was ontstaan. Maar zij ging door innerlijk bederf haar ondergang tegemoet. Het Christendom heeft toen die cultuur niet in haar geheel verworpen of overgenomen, maar ze naarstiglijk onderzocht en het goede behouden. En zoo heeft het een Christelijken stempel gedrukt op gezin, maatschappij, staat, kunst en ook op de wetenschap. En deze gekerstende wetenschap is, in weerwil van allerlei gebrek en afwijking, blijven heerschen tot het midden der achttiende eeuw toe.

Maar langzamerhand is er verzet tegen haar gekomen en heeft ze voor eene ralionalistischdogmatische wetenschap plaats moeten maken, die niet van Christelijke beginselen, maar van abseract metaphysische, zoogenaamde rede-waarheden uitging. Lang heeft deze richting niet gebloeid. Want straks kwam Kant tegen haar op, om aan te toonen, dat er op melaphysisch terrein geen weten mogelijk was. En omstreeks het midden der vorige eeuw trad in Frankrijk A. Comte op, die de theologisch en metaphysische phase van weleer in de positieve wilde doen overgaan.

Deze positivistische richting in de wetenschap acht alle theologie en metaphysica contrabande, oordeelt dat het wezen der dingen onkenbaar is en bepaalt zich tot een onderzoek naar de ver schijnselen in hun onderling verband.

Maar deze richting is onhoudbaar. Zij laat aan wezen en doel der wetenschap geen recht wedervaren. Want ten eerste is zij zelve vrucht, niet exact onderzoek, maar van philosophie en dus altijd tegen zich zelve verdeeld. Ten tweede liggen wezen en verschijning der dingen objectief niet gescheiden naast elkaar, maar in de ver schijning wordt het wezen openbaar; en dus ware de verschijning geen verschijning meer, maar niets dan bedriegelijke schijn. En ten derde zijn de vermogens en krachten van den menschelijken geest niet in afzonderlijke loketten geplaatst, maar staan voortdurend in AVechselwirkung; hoofd en hart, waarneming endenken werken steeds op elkaor in. Het is niet mogelijk, dat een man van wetenschap bij zijn wetenschappelijk onderzoek en nadenken zich van zich zelven ontdoe.

II. Daaruit volgt reeds, dat de wetenschap objectief noch subjectief van den godsdienst te scheiden is. Wel zijn beide onderscheiden en behooren ze steeds onderscheiden te blijven. Maar hier vooral mag en kan onderscheiding geen scheiding zijn. Het kan ook niet van de zijde van den godsdienst. Want godsdienst is j zeer zeker een zaak van het hart, een aandoening des gemoeds, maar eene aandoening, die met voorstellingen in verband staat. Godsdienst sluit ook altijd voorstellingen in, voorstellingen des verstands over God, wereld, mensch, zonde, verlossing, werelddeel en wereldeinde. Zonder zoodanige voorstellingen is zelfs geen godsdienst denkbaar of bestaanbaar. Dit zoo zijnde, spreekt het vanzelve, dat de godsdienstige voorstellingen ook met. de wetenschap in aanraking komenen er mede overeenstemmen of er tegen strijden Neutraal is geen enkele godsdienst tegenover de wetenschap; neutraal is ook geen enkel godsdienstig mensch. Hij kan het niet zijn. Want één van beide: God is niets of Hij is alles voor ons. Wie God dient, moet Hem dienen ('wra/en altijd. De liefde tot God neemt verstand en hart en alle krachten in beslag.

III. Indien dit van den godsdienst in het algemeen geldt, het is temeer waar van de Christelijke religie. Hoe eng of ruim men haar opvatte, of men haar belijde in twaalf korte of in zevenendertig breede artikelen, zij brengt altijd bepaalde, concrete voorstellingen mee. Zij sluit in het geloof aan een persoonlijk God, aan de schepping der wereld, aan de Gottebenbildlichkeit van den mensch, aan den val, aan de verlossing, aan de bestemming der wereld enz. en komt dus telkens met de wetenschap in aanraking. De historie bewijst dat ook tot op den huldigen dag. Alle scheiding is ijdel gebleken en is zoowel van de zijde der Christgeloovigen als van die der wetenschap verworpen.

Maar die wederzijdsche aanraking en inwerking is voor beide een zegen geweest. Wat men ook anders beweren moge, de Christ, religie is aan de ontwikkeling van begrip, inhoud en omvang der wetenschap bevorderlijk geweest. Zij heeft de wetenschap, die de Heidensche wereld in stervenden toestand achterliet, uit haar valj opgericht en met nieuw leven bezield. Zij heeft der menschheid een drang en een liefde tot waarheid in het hart geplant, zooals die vroeger niet of althans niet in die mate, bekend was. Zij heeft aan een nieuwe wetenschap, de theologie, het aanzijn geschonken en haar een plaats der eere in den cyclus der wetenschappen verschaft. Zij beeft de rechte, onbevangen beoefening zoowel van de natuur-als van de geesteswetenschappen mogelijk gemaakt, de natuur van den ban des bijgeloofs bevrijd, de geschiedenis als een wereldgeschiedenis doen kennen en de geestelijke en zedelijke beseffen in den mensch versterkt en bevestigd.

IV. Dat alles heeft de Chr. religie gedaan en kon zij doen, wijl zij niet vijandig staat tegenover de schepping, de natuur als zoodanig, maar alleen tegenover de zonde. Christus was Zaligmaker. Hij kwam niet alleen, om de werken des duivels te verbreken, maar juist om daardoor de werken des Vaders te herstellen. Alleen maar, die werken des duivels worden niet alleen in het gemoeds-en wilsleven, maar ook in het bewustzijn van den mensch openbaar. Zonde is schuld, smet, verkeerde gezindheid des gemoeds, maar ook onverstand, dwaasheid, duisternis. En daarom brengt de herschepping niet alleen wedergeboorte maar ook verlichting, niet alleen leven maar ook waarheid mede. Christus is vol van genade en waarheid. Hij is gegeven tot wijsheid en rechtvaardigheid. De rechte Christen is hij das, die niet alleen door Christus van de schuld en smet maar ook van de dwaasheid der zonde bevrijd is. Wie door den Zoon is vrijgemaakt, die alleen is waarlijk ook wetenschappelijk vrij.

V. Gewoonlijk vat men dit anders op en brengt tegen de beoefening van de wetenschap naar Chnst. beginselen in, dat ze bevooroordeeld is en aan tevoren vaststaande resultaten gebonden. Maar afgedacht daarvan, dat er geen „onbevooroordeelde" wetenschap mogelijk is; men heeft slechts de keuze tusschen eene geloovige en eene ongeloovige wetenschap. De laatste wordt in haar heillooze gevolgen hoe langer hoe meer openbaar; de lagere de middelbare en hoogere scholen dreigen met haar neutraliteit en ongeloof niet alleen een gevaar te worden voor Kerk en godsdienst, maar ook voor huis gezin, staat en maatschappij.

Daarom is het meer dan ooit noodzakelijk, dat de wetenschap beoefend en onderwezen worde in Christ, geest, tot steun voor de Kerk, tot zegen van de maatschappij, lot heil van het vaderland, tot uitbreiding van Gods rijk, tot cere van Zijn Naam. Een hoog, heilig, heerlijk ideaal wenkt ons. Moge het oiis allen bezielen met moed en aangorden met kracht. Het is de inspanning en de toewijding van alle onze krachten waard.

Deze kloeke verdediging van de Christelijke religie en haar invloed ten goede op de wetenschap zal indruk gemaakt hebben.

Zulk een bezielend referaat zet gloed en leven bij aan een pastorale conferentie en brengt de hoorders in eens op dat hoogere standpunt, waardoor de kleine bisbilles van ons kerkelijk leven op den achtergrond raken en de ernst van onze heilige roeping ook I tegenover de wetenschap wordt verstaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 mei 1903

De Heraut | 4 Pagina's

Godsdienst en Wetenschap.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 mei 1903

De Heraut | 4 Pagina's