Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Dr. Rijk Kramer.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Dr. Rijk Kramer.

5 minuten leestijd

Op Donderdag den i4den Mei j.l. verwierf de heer Rijk Kramer, arts te Amsterdam, aan de Stedelijke Universiteit aldaar op verdienstelijke wijze den graad van doctor in de geneeskunde. Hij deed dii na verdediging van een proefschrift, zeer omvangrijk (250 bl.), handelende „Over de beteekenis van de physische factoren bij de processen van absorptie en secretie."

Volgens de inleiding was het doel van dit proefschrift „om na te gaan, welken invloed het stroomen van het vocht op de membraamdiffusie heeft. Op grond van zijne proeven komt Dr. H. J. Hamburger tot het besluit, dat de snelheid van den stroom van invloed is en dat hetgeen in vivo (bij het levende) gebeurt, nl. resorptie van isotonische en hyperisotonische vloeistoffen, ook in physische proeven te verwezenlijken is. Het was dus belangrijk van v/ege de conclusie, die er uit getrokken werd, den invloed van het stroomen nader na te gaan.

„De uitkomst, waartoe ik gekomen ben, is, dat de snelheid van den stroom niets aan het resultaat der proef toe of afdoet, voor zooverre het stroomen niet in verband staat met veranderingen in de concentratie van het vocht of den druk, waaronder het vocht staat."

Het proefschrift bestaat uit een viertal hoofdstukken, handelende over: Hat physisch gedeelte, physische theorieën, physiologisch gedeelte en samenvatting en besluit.

Vooral het laatste hoofdstuk is voor de wetenschap in het algemeen en voor hen, die gelooven in God den Vader, den almachtige. Schepper des Hemels en der aarde in het bijzonder van groote beteekenis.

Vanwaar is het leven, welke is zijn oorsprong, deze vraag splitst wie denken in twee deelen. Niet alleen het leven l> ij den mensch, waarbij evolutie en schepping tegenover elkander staan, maar alle leven. Bij de beantwoording dier vraag zijn vitalisme en mechanisme twee theorieën, welke onverzoenlijk tegenover elkander staan. Op grond nu van hetgeen door den schrijver in de eerste drie hoofdstukken uiterst fijn is uitgeplozen, kan hij, als vrucht van nauwgezet wetenschappelijk onderzoek, in het laatste hoofdstuk zijne gevolgtrekkingen maken, welke in zekeren zin persoonlijke geloofsbelijdenis zijn. Enkele aanhalingen kunnen de belangrijkheid van dit hoofdstuk doen uitkomen.

Bl. 227. „Tegengesteld aan Haeckel en an deren, die zeggen: „waar het geloof begint, houdt de wetenschap op", zou ik willen zeggen met Dr. Kuyper: dat de wetenschap begint, waar het geloof, het fundament, waarop gebouwd wordt, voorafgaat.

De een stelt als grondprincipe de teleologie, de ander het causaal verband, de een is dualist, de ander monist; of met andere woorden gezegd: de een is vitalist, de ander mechanist. De een stelt het bovennatuurlijke op den voorgrond, de ander het natuurlijke."

Bl. 243. „Toegegeven voor een oogenblik, dat het dierenrijk zich voortbeweegt langs de banen der evolutie, dan zou eenmaal, gegeven de onafhankelijkheid, de graad der onafliankelijkheid kunnen varieeren. Maar de onafhankelijkheid laat zich niet door evolutie uit afhankelijkheid afleiden. Overal waar leven is, is een zekere onafhankelijkheid van het physischchemische; dit vinden wij zoowel bij het dier in toto als bij zijne elementaire deelen, de cel; de graad kan varieeren, de wijze waarop kan verschillen ; zooals gebleken is bij de studie van kliersecretie, darm resorptie en lymph-productie. Eene vergelijkende studie tusschen de verschijnselen der physiologie en de wetten der physische chemie, doen de physische momenten opvatten als prikkels voor de levende cel. Niet de causae efficientes, doch de causae finales verklaren de werking der levende cel."

Bl. 246. „Doch stelt men voorop den „Logos" en ziet men in de natuur een daad van het Hoogste Intellect, dan is de taak der natuurwetenschap het plan der schepping te vertolken. Dan is de wet van orde en successie, als zoovele andere relaties, logisch te verstaan."

Bl. 248 eindigt de schrijver met deze sobere en schoone woorden: „Met de voorstelling dat de vitalist rondloopt met een gat in zijn wetenschappelijk bewustzijn, kan ik mij dan ook niet vereenigen. Het vitalisme is niet een deus ex machina, maar het stelt een machina ex Deo. Het is niet de uitdrukking van het niet weten, maar integendeel, het geeft uitdrukking aan het weten. Meer dan bij iemand, is het juist bij Johannes Muller, dat ik vind eenheid in conceptie en consequentie van opvatting.

Zoo is dan het vitalisme, zooals ik het versta, eene theorie, die tegenover het anorganische het organische stelt; die geen continuïteit van het doode en het levende aanneemt, maar schepping; die boven het causaal verband een logisch verband stelt; tegenover de ai macht der Natuur een almachtig God, tegenover het „ignoramus en ignorabimus" het „wij kennen ten deele en wij profetee-en ten deele "

Deze dissertatie, waaruit ik eene enkele aan haling heb gedaan, is eene eere voor den schrijver, vrucht van nauwgezette proefneming, ijverige studie en uitgebreide lectuur; bewijs van een scherp verstand, critisch aangelegd, maar tevens van het geloof van den schrijver in God, den almachtige, in wien de bron van alle leven is.

Eene eere is dit proefschrift ook voor de stedelijke Universiteit, in het bijzonder voor hare medische faculteit, voornamelijk voor den promotor, Prof. Place.

Tegenover de bekrompene eenzijdigheid van moderne theologische professoren, - die angstvallig elk proefschrift weren, dat hunne theoriën bestrijdt, is dit proefschrift een unicum, waar het is aangeboden aan en verdedigd voor eene faculteit, welke uitsluitend of bijna geheel bestaat uit geleerden, die een ander geloof heb ben en eene andere beschouwing, wat den oorsprong van het leven aangaat, als door dezen schrijver ontwikkeld is.

Niet te vergeten is de winste, welke dit proef schrift oplevert voor de Christelijke wetenschap, en de versterking, welke zij biedt aan het Chris telijk geloof, waar de hypnose der evolutie dreigt den jeugdigen student te beheerschen. Geen Christen in het hart en een heiden met het verstand. Geen geloovige in de binnenkamer en een materialist in de wetenschap. Maar altijd een geloovige, ook in de wetenschap. Het geloof is geen vijand van het weten, maar het hoogste weten.

Zij het aan dezen doctor in de medicijnen gegeven in de praktijk de krsnken te helpen, maar ook door meerdere vruchten van wetenschappelijk onderzoek de geloovige of christelijke wetenschap te verrijken.

Amsterdam, Bloeimaand, 1903.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 mei 1903

De Heraut | 4 Pagina's

Dr. Rijk Kramer.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 mei 1903

De Heraut | 4 Pagina's