Uit de Pers.
In het Diaconaal Correspondentieblad geeft Prof. Biesterveld onder den titel van: De instel ling van het Diaconaat, een zeer belangrijk over zicht over hetgeen aan het Christelijk Diaconaal voorafging.
Na in een eerste artikel geteekend te hebben, hoe het beginsel der barmhartigheid in de hei denwereld ontbrak, wordt in een tweede artikel uiteengezet, hoeveel beter de toestand onder Israël was:
De toestand bij Israël was een geheel andere dan in de heiden wereld. Dat kon ook niet anders bij het volk, dat wandelde in het licht der godsopenbaring. Wel vinden wij ook niet bij Israël eene georganiseerde verzorging van de armen. Maar dat was ook niet noodig, omdat armoede in grooten omvang bij dit volk niet werd gevonden. Verschillende instellingen door Jehova aan Zijn volk voorgeschreven, voorkwamen dit. Men denke aan het jubeljaar het recht van lossen, de be palingen in betrekking tot rente, enz. Nu is in de practijk zeker niet aan al deze wetten ten allen tijde voldaan — toch werkten allerlei invloeden er toe mede, om in Israels landpalen de groote armoede te weren, Het groote bedrijf was delandbouw ; industrie ontbrak; arbeid was plicht; de levensinrichting betrekkelijk eenvoudig.
Toch waren er armen, en in de wetgeving is voor hea zorg gedragen. Niet alleen dat de wet opkwam voor het rechtvaardig behandelen van weduwen en weezen, ai'men en vreemdelingen voor het gericht (Ex. 22:21 en 22, Deut. 14:7), er werd ook voor de onderhouding der armen ge zorgd. Zij hadden recht op de nalezing van den oogt (Lev. 19:9 en 10)! Wat in het Sabbathsjaar groeide, moest voor hen worden bestemd (Lev. 25 : 2). Zij rnochten aanzitten aan de offermaaltijden en am de tiendenraaaltijden (Deut. 14; 28). De armen hebben dus een bij de wet vastgesteld deel aan de opbrengst van den akker, en aan hetgeen Gode geofferd, en Zijnen dienaren tot levensonderhoud afgezonderd wordt. Duidelijk staat hierbij op den voorgrond, dat alles is het eigendom des Heeren, en dus ons recht van bezit altijd is een betrekkelijk, een afgeleid recht. Wij zijn rentmeesters en moeten naar het bevel van den eigenaar, ook anderen laten deelen in de opbrengst van hetgeen Hij ons te beheeren geeft
De wet zorgt voor den arme ook in ander op zicht. Den nooddruftige moet men zijn loon geven voor de avond daalt Deut. 24:17^; van eene wedewe mag men het kleed niet tot pand nemen; weduw en wees moeten mee ten feest maaltijd genoodigd worden (Deut. 36 11 en 14}. Wel zal de armoe niet ophouden in het midden des lands, maar daarom juist gebiedt de Heere; gij zult uv/ hand mildelijk opendoen aan uwen broeder, aan uwe bedrukten, en aan uwe armen in uw land (Deut. 15:11). Wie den arme mildelijk geeft, en ook om het jaar der vrijlating dat nadert zijne gave niet inhoudt, en hem rijkelijk leenen blijft, mag er op rekenen, dat om dier zake wil, de Heere God hem zegenen zal in al zijn werk en in alles waaraan hij zijn hand slaat (Deut. 15:10).
De voorschriften waren duidelijk genoeg. En hoezeer het bij de ware Israëlieten vast stond, dat barmhartigheid aan eilendigen te bewijzen, niet maar zijn mag eene spontane uiting, gelijk wij dit bij het Heidendom bemerkten, doch eene deugd die uit het ware leven met God voortspruit, blijkt wel uit het ideaal van den vrome, gelijk dit telkens in het Oude Testament wordt geteekend De dichter van P alm 37 zegt in vers 22 van den recht vaardige, dat hij zich ontfermt en geeft; en in vers. 36, dat hij zich den ganschen dag ontfermt, en leent. Naar Psalm 41:3 is hij gelukzalig, die zich verstandelijk gedraagt jegens eenen ellendige. Job, de rechtvaardige bij uitnemendheid, mag zich zelf noemen den vader v< .n de nooddruftigen (hfst. 29:16).
De goddelooze is onbarmhartig (Spreuken 12 10). Geen wonder dat zoo het beeld van den recht vaardige geteekend wordt. Hij toch is een kind van God, van den hemelschen Vader, die barm hartigheid aan du zenden bewijst, en zou het kind dan niet als de Vader doen, wien barmhartigheid aangenamer is dan offerande! De armen te verzorgen, dat is God dienen, en als wij dat doen, dan verzorgen wij degenen die van ons vleesch zijn, onze naasten. Geen verachten dus van den arme, maar hem een voorwerp der liefde rekenen.
Van zelf is naar den aard der Oud-Testamentische bedeeling, de barmhartigheid nog niet universeel, nog besloten binnen de perken der wet. Niet alsof de consequentie van het latere Fari zeïsme juist ware, dat uit het gebod: ij zult uwen naaste liefhebben, meende te mogen afleiden: aar uwen vijand zult gij haten — integendeel, reeds in het Oude. Testament lezen wij: ndien dengene, die u haat, hongert, geef hem brood te eten; en zoo hij dorstig is, geef hem water te drinken ; want gij zult vurige kolen op zijn hoofd hoopen, en de Heere zal het u vergelden (Spreuken 25 : 21 en 22).
En ook voor de vreemdelingen in Israels poorte zorgde de wet, door Jehova, Israels Bondsgod, gegeven. Voor de slaven werd bij Israël gezorgd, als bij geen volk van dien tijd het geval was. Toch is er nog geen volkomen gelijk recht voor den vreemdeling als voor den geboren Israëliet. Van hem mag rente genomen, hij kan geen grondbezit hebben, en deelt niet in de zegeningen van het Sabbathsjaar. Het is als met de geheele bedeeling des Ouden Verbonds. De verbonden Gods zijn tot één volk beperkt. Daar alleen heeft God Zijne altaren, en wordt Zijne kennis verbreid Slechts in de nationale gemeenschap met dit volk kan me • de weldaden van het genadeverbond deel achtig zijn. Wel zongen de dichters en spraken de profeten van oud-Israël van de heerlijke dagen, dat de scepter van Koning Messias alle vorsten der aarde voor zich zou zien buigen, toch was zulk een dag nog niet gekomen. De middelmuur der afscheiding moest daartoe vallen. En die viel pas door Golgotha's kruis. Met wijsheid was het aldus door den Heere verordend. Israël moest de bewaarder der verbonden zijn, en daarvoor van de volken afgescheiden leven, tot des Heeren tijd daar was om Zijne Kerk weer katholiek temaken, niet binnen de grenzen van één land besloten. En nu droeg in dien tijd der afzondering ook de barmhartigheid een nationaal en geen universeel karakter. Wel waren er teekenen die voorspelden, dat straks op de vraag: wie is uw naaste, zou worden geantwoord met het voorbeeld van den barmhartigen Samaritaan, maar het omhulsel van dén nationalen vorm, waarmee de bedeeling van het genadeverbond was omgeven, moest eerst weggenomen om den vollen rijkdom van het werk der barmhartigheid tot allen uitgebreid te zien.
Jezus zou zijn jongeren roepen tot werken der barmhartigheid, ook hierin meer dan die door hem zelf zijn gedaan, dat het terrein waarop zij zullen arbeiden, zooveel breeder is, dan waar hij rond ging goed doende, als de wereld grooter is dan Palestina's land.
De tweede trek van de Oud Testamentische bedeeling, het aan wetsvoorschriften gebonden leven van het kind, tegenover de mannelijke vrijheid van den nieuwen dag drukt ook zijn stempel op het werk der barmhartigheid onder oud-Israël. Het Nieuwe Testament geeft de groote beginselen aan, die nu het handelen van de discipelen des Heeren hebben te bepalen, en dan zoowel de beginselen voor het publieke als > oor het particuliere leven. Maar het is geen codex van wetten, die voor elk geva beschrijtt wat wij hebben te doen. Niet in regelen beschreven, gelijk wij het zagen bij Israël. De barmhartigheid vloeit als zedelijke verpl chting uit de levensverhouding als van zelve voort, zonder dat zij als leligieuse verplichting is voorgeschreven. Zeker komt het ook in het Oude Testament op de gezind eid des harten aan, die bepaalt de waarde der daden. Maar toch staan de wetten die eischen barmhartigheid te oefenen, meer geïsoleerd naast elkander, en wederom is het een nieuw gebod, als het gebod der liefde jegens den naaste gelijk wordt gesteld met de liefde jegens God, welke twee niet van elkander te scheiden zijn. De barmhartigheid was dus onder het Oude Testament nog niet universeel, maar nationaal, nog niet vrij, maar aan de wet gebonden.
Wanneer wij de beteekenis van de Nieuw-Testa mentische prediking der barmhartigheid recht willen verstaan, en eenigermate ons indenken hoe diep zij in het leven ingreep van den tijd, toen zij optrad, moeten wij ook rekenen met het feit, dat het Jodendom van Jezus' dagen diepgaand verschilde van hetgeen de Heere met de Oud-Testa mentische bedeeling voor had. Het Jodendom na de balhngschap had een caricatuur gemaakt van hetgeen de Oud Testamentische bedeeling kenmerkte. Het was nationalistisch geworden en ging de vijanden haten. Elke niet jood is een vijand. Bewijs van vroomheid is het, den niet jood te ver achten. Daarbij werd het weltisch, zoodat het de liefde doodde. Aalmoezen geven is een verdienstelijk werk geworden.
Men leze slechts in de apocriephe boeken. Ge rechtigheid en aalmoezen geven worden gelijke begrippen. Het latere Jodendom vat Psalm 17:15: k zal uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, aldus op, dat dit woord zou voorschrijven om bij het binnenkomen van de Synagoge aalmoezen te geven. Zelfs wordt in het boek Tobias en van Jezus Sirach aan het geven van aalmoezen toegeschreven de kracht van verlossing van zonden. Bij de Farizeen werd het aalmoezen geven geheel en al uiterlijk wettisch opgevat. Zij deden het om bij de menschen roem te verwerven, gelijk hun schijnheilig en eigengerechtig handelen door Jezus ten volle is ontmaskerd.
Ook de latere Talmudisten dringen zeer sterk op het ge'en van aalmoezen aan. Dit goede werk behoedt van plotselingen dood en geeft het eeuwige leven. Wie een vreemde herbergt erft het paradijs, en wie een kranke bezoekt wordt gered van de hel. Hierbij bedenke men echter, dat alle weldadigheid slechts den joden zelf geldt. Men moet den anderen geen aalmoezen geven, en ook ze niet van hen aannemen. Alleen om des vredes wil is een en ander toegestaan, maar men is hun geen harm hartigheid schuldig.
Hoewel dus het aalmoezen geven niet ontbrak bij het Jodendom, en ook nu nog bij hen nietont breekt, is het toch geen barmhartigheid uit liefde. En daarom moet ook het Israël van Jezus dagen het als een nieuw gebod hooren, dat men elkander liefhebben zal.
Heel de wereld lag voor God verdoemelijk, heiden en jood, en leefde zelfzuchtig, in eigenliefde groot, aan de ware barmhartigheid vreemd.
Met belangstelling zullen deze artikelen worden gevolgd.
Ze zijn breed opgezet en beloven een uitnemende inleiding te worden op een Handboek voor de Diakoniek, dat door onze diakenen reeds al te lang wordt verwacht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 17 mei 1903
De Heraut | 4 Pagina's