Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Met heel uw ziel”.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Met heel uw ziel”.

9 minuten leestijd

En Jezus zeide tot hem: Gij zult liefhebben den Heere uwen God met geheel uw hart, en met geheel uwe ziel, en met geheel uw verstand. Dit is het eerste en het groot gebod. Matth. 22 : 37, 38.

Als de vraag opgaat, of er iemand, of er ééti mensch is, die God zoekt, betwist de Psalmist dit beslist, en klaagt bitterlijk: „Allen zijn ze afgeweken, er is niemand rechtvaardig, ook niet één, er is niemand die verstandig is, er is niemand die God zoekt, ook niet tot één toe 1"^

Huichelde de zanger zelf dan, toen hij 't voor 't oor van alle eeuwen zoo roerend uitzong: „Gelijk het hert schreeuwt naar de waterstroomen, alzoo schreeuwt mijn ziel naar U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God!"? Of ook veinsde Asaf een stand van zijn ziel, die niets dan zelfbedrog was, toen hij het zijn God toejubelde: „Ik zal dan gedurig bij U zijn, in al mijn nooden, angst en pijn, U al mijn liefde waardig schatten ? " Stellig niet.

Maar de vraag bedoelde, of er in het hart ook maar van één mensch van nature nog de magnetische trekking zoog, die naar God trok en eiken hinder, eiken weerstand overwon. En daarop moet: neen, en altoos weer neen worden gezegd, want die trekking is er niet in ons menschelijk hart, zooals dat hart, geschonden en verminkt, niet meer is, wat God het schiep, maar wat het werd door zelf bederf.

Ge ziet het dan ook voor oogen.

Of is het niet om bij te schreien, zoo volstrekt niets als de groote massa der menschen voor God voelt, en naar God dorst. Op zichzelf is het getal reeds zoo klein van wie nog eenigen ernst met hun religie maken, en veel kleiner nog het getal van wie het type van vroomheid weergeven. Maar beweeg u nu onder die nog alleszins godsdienstige lieden, bezie ze, ga ze na, beluister hun gesprekken, doe meê in hun omgang; en hoe verbaast het u dan telkens weer, dat het alles zoo uitwendig, zoo opgekleefd, zoo werktuigelijk toegaat; en hoe heel zelden ontwaart ge dan, te doen te hebben met een ziel, die er haar werk van maakt, om God te naderen, God meer nabij te komen, en haar God te vinden.

Zelfs in veler overluid bidden, in de kerk en buiten de kerk, rijst telkens weer de kwalijk te onderdrukken vraag bij u op: Komt die man, komt die vrouw, als het Amen over de lippen gaat, van God vandaan, of is de ziel zelfs in het bidden even ver van God gebleven als altoos?

Toch, er is geen twijfel aan, er zijn er altoos enkelen, die niet zelden onder het bidden en buiten het bidden, zoekend naar gemeenschap met het Eeuwige Wezen in hun ziel verkeeren. Alleen maar, dan blijkt, bij onderzoek, telkens weer, hoe de magnetische aantrekking niet uit hen zelve opkwam, maar hoe God-zelf met magnetische kracht hen trok.

Waarom die kracht op den één wel, op den ander niet werkt, we staan er voor en weten het niet. Maar het feit blijft, dat zooals de magneet het staal, alzoo God de ziel kaï aantrekken. En dan is dit trekken onweerstaanbaar. Dan zoekt die ziel God, omdat God die ziel trekt.

Hoe werkt dit nu ?

Gaat die toenadering van de ziel tot God door ons verstand, door onzen wil, door ons gevoel, door onze verbeelding of door een onverklaarbaar mystieke werking waar geen naam voor is?

En dan loopt 't antwoord uiteen al naar de aard is van wie antwoordt. Dan werpt de één het op het verstandelijk en leerstellig kennen van God; de ander op de gemeenschap der liefde; een derde op de eenswillenheid in den wil; een vierde weer op droomgezichten; een vijfde op ingevingen; en hoe verder ge rondvraagt hoe verder de antwoorden uiteenloopen. Aanleg en inborst spelen daarbij een hoofdrol. De spitsvondige ontleder van begrippen en begripsbepalingen zoekt zijn kracht in het leerstellig sterk belijden. De man van de daad in het practisch zich toewijden. Wie fijn in zijn gevoel besnaard is, in den toon van heimwee, dien hij aan zijn bewegelijk gemoed ontlokt. En zoo de verbeeldingsrijke en tot fantasie geneigde in voorstellingen en zinrijke beelden. Ieder naar zijn aard, zou men zeggen kunnen. Zoo is het nu, en zoo was het in vroegere eeuwen. Uit oude geschriften ziet ge de menschen van voorheen nóg voor u opleven, en het blijkt eertijds als nu geweest te zijn. Allerlei stroomingen, allerlei sc'iolen, allerlei richtingen, de één zus en de ander zóó. Nim mer vindt ge eenparigheid. Nooit is het God zoeken met heel de ziel!

Reeds dit toont, dat ge door te kiezen voor ééne enkele methode om God te zoeken, wegen naar God afsluit, die u wel terdege gemeenschap konden ontsluiten, en dat de kinderen Gods vrije wandeling op alle deze wegen moeten behouden, om in niets hun gemeenschap met het Vaderhuis beperkt te zien. L T d

Dit ligt daaraan, dat het vinden van God niet met één enkel vermogen van de ziel, maar met heel de ziel zelve plaats grijpt.

Het is niet ons kennen, het is niet ons willen, het is niet ons zinnen en verbeelden, dat God grijpt en bezit, maar het is de kennende, de willende, de peinzende ziel in haar geheelheid, in haar innerlijke eenheid en ongedeeldheid, in baar verborgen wezenheid. Straal bij straal valt d in, maar alle straal wordt in het ééne brandpunt van het gewaarwordend zieleleven opgevangen, en dat opvangen heet geloof.

De moeilijkheid komt ook hier voort uit de ontreddering van binnen, die de zonde teweegbrengt.

Van die ontreddering maken we ons nog altoos een te zwakke voorstelling, doordien we ze veel te uitsluitend op zedelijk gebied zoeken. En toch, de volle schade die ze aanbrengt, wordt eerst gekend als ge ze naspeurt in haar noodlottige werking op godsdienstig terrein.

In uw verhouding tot God luistert het zooveel fijner. Het gaat hier om het eerste en groote gebod. Om het liefhebben van God met heel uw ziel, met al haar kracht. En dit kan. Daar is de ziel op aangelegd. Ja, vrij uit kan gezegd, dat uw ziel, zoodra ze normaal werkt, niet anders kan dan zich op God richten, geheel en met al haar kracht. Maar bij niets komt dan ook zoo sterk uit, hoe in alle opzichten abnormaal uw ziel door de zonde is geworden. En het ergste is, dat de ziel het op dit gebied zoo weinig zelve ontwaart.

Wie zedelijk misdeed, althans grovelijk misdeed, heeft er weet van, en heeft geen moeite om op de knieën voor God schuld te belijden. Bij de fijnere overtredingen moge ook op zedelijk gebied dat innerlijk besef ons in den steek laten, als er ruw gezondigd is, spreekt de conscientie nog altoos in bijna ieder mensch.

Maar bij de schennis van het eerste gebod en het groote gebod, voelt dat bijna niemand. Die duizenden en duizenden, die bij dag en bij nacht God alle liefde ontzeggen, heel hun ziel Hem onttrekken, en al hun kracht Hem ontrooven, de ruwe misdadigers op religieus gebied, denken er zelfs niet aan, dat ze zondigen.

En al neemt ge nu de ontdekten, de vrijgekochten, de verlosten, die wel waarlijk de liefde voor God bekend hebben, och, het blijft al om^^het even. Ook onder hen vindt ge er telkens weer 'die, keer op keer, heel een dag lang, hoogstens een klein stukje van hun ziel aan hun God geven, en ten hoogste zwakkelijk met een enkele van hun krachten bewust voor hun God gewerkt hebben; en die toch, als ze 's avonds neerknielen, het niet als zonde voelen, dat ze het eerste en het groote gebod, laat ons zeggen voor negen tiende, hebben geschonden.

En dit zelfde werkt nu zoo diep noodlottig bij het eenzijdig laten werken van wat krachtens onzen aanleg en onze inborst vanzelf het eerst in werking komt, en dus de minste zelfoverwinning kost.

Een verstandelijk aangelegd man, als hij vroom wordt, zoekt zijn kracht, bij het zoeken van God, in de leerstelligheid.

Is dit het eeuwige leven, dat ze u kennen, den eenig waarachtigen God, welnu, hij spitst zich daarop. Van een ander kennen dan door verstandelijke ontleding kreeg hij nooit weet, en in dat ontleden is hij machtig. Zoo put hij zich uit, om na te speuren, wat de fijnste denkers, , in hun leerstellingen bepalen, omtrent het Wezen, het Werk, den Persoon, de eigenschap pen en zooveel meer van het Goddelijk Wezen hebben saamgesteld. Daarin verdiept hij zich. Dat trekt hem aan. Tegenover anderen pronkt hij er mee. En beeldt zich nu in, dat alzoo de waarachtige kennis van God zijn deel werd.

Neen, zegt een ander, Jezus heeft gezegd, dat wie, doet den w//zijns Vaders die in de hemelen is, de heerlijkheid van het geloof zal bekennen; en hij, man van de daad, geeft zijn geld, ijvert als weinigen, brengt willig offer na offer, en wijdt zich aan de dingen des koninkrijks met alle kracht toe, maar heeft een afkeer van alle leerstellige spitsvondigheid. De belijdenis met woorden doet het niet; waar het op aankomt is maar de belijdenis in de practijk van het leven.

Een derde heeft noch in het leerstellige, noch in het practische lust, maar is gevoelsmensch, en zoekt zijn kracht in teedere aandoeningen die hij opwekt, in gevoelvolle uitingen, in mystieke liefdesgewaarwordingen, en acht zóó zijn God nader te komen.

De verbeelding is het spel der fantasie, van wie meer in gezichten en voorstellingen zijn kracht zoekt, en zich het liefst vermeit in wat zijn zin hem voor het zielsoog toovert. Of heeft niet zelfs Paulus geroemd in verrukkingen van zinnen en in een opgenomen zijn in hooger sferen?

Voeg daarbij nog de ingeving, l.et indachtig maken, het in de ziel ontwaren van plotselinge aandoeningen, en zooveel meer, en ge gevoelt, hoe scherp onder menschen de gewaarwordingen en de bewegingen der ziel uiteengaan, als er een dorst naar God in de ziel opwaakt.

En nu is dit het jammerlijke, dat Gods kinderen, in plaats van te verstaan, dat alle deze werkingen, alle deze krachten, alle deze inspanningen saam in de liefde voor God moeten uitkomen, om eerst alzoo het liefhebben van God met alle krachten te verwerkelijken, zich meest een ieder op hun eigen terrein houden, God zoeken met één van de krachten hunner ziel, om de andere ongebruikt te laten, en dan nog vaak scherp optreden tegenover den broeder die in een andere zielskracht zijn heil zoekt, dan zij zelven.

„Met heel uw ziel, " riep Jezus, Zij zeggen: „Met één deelke van mijn zielsleven, " en juist omdat ze toch waarachtiglijk vroom zijn en het vroom bedoelen, sidderen ze niet op de gedachte, wat gruwel het is, al het overige van hun ziel werkloos voor hun God te doen zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 mei 1903

De Heraut | 4 Pagina's

„Met heel uw ziel”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 mei 1903

De Heraut | 4 Pagina's