„Niet gelijk ik wil.”
En een weinig voortgegaan zijnde, viel hij op Zijn aangezicht, biddende en zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van mij voorbijgaan; doch niet gelijlc ik wil, maar gelijk Gij wilt. Matth. 26 : 39.
In het Onze Vader, én in Gethsemanee, is het beide malen eenzelfde bede : „ Uw wil geschiede/", maar, al is de klemtoon en al zijn de woorden beide malen gelijk, de bedoeling is in Gethsemanee zoo heel anders.
„Uw wil geschiede!" in het Onze Vader beduidt : „Uw wil, o God, worde door mij vol bracht", in Gethsemanee daarentegen is het: „Uw wil, o God, overkome mij, het ga met mij, niet gelijk ik wil, maar Gij wilt."
En ook in dit laatste ligt een zoo machtig stuk van die kennisse Gods, die het eeuwige leven is.
We wassen in de kennisse Gods, als onze wil zich op zulk een wijs naar Gods wil conformeert, dat we niet anders zinnen en denken, spreken en handelen dan in overeenstemming met de ordinantiën des Heeren. Dat doet ons wassen in de kennisse Gods, omdat Gods wil dan in ons dringt, Hij zelf onzen wil vervormt, en de gelijkvormigheid aan het Beeld van God zichtbaarder uitkomt.
Maar er is ook een heel ander wassen in de kennisse Gods door zelf te willen wat God over ons gehengt, ons willens te voegen in wat Hij over ons bepaalde in Zijn besluit, en door het levenslot, en al wat in dat levenslot ons weervaart, niet alleen zonder klacht en gemor, maar met den heldenmoed des geloofs te aanvaarden.
Toch gaat dit wassen in de Kennisse Gods heel anders toe, en in veel pijnlijker leerschool.
Dit pijnlijke ligt hierin, dat we bij het aanvaarden van Gods wil in ons lot, dien wil lijdelijk ondergaan. Als: „Uw wil geschiede!" bedoelt: „Moge ik uw wil volbrengen, zooals de engelen het in uw hemelen doen", dan prikkelt dit onze veerkracht, het spant onzen wil, en als we over de zonde triomfeeren, doorstroomt ons hart een gevoel van hooge blijdschap. Maar als: „Uw wil geschiede !" beduidt: „Het ga met mij niet naar mijn verlangen, maar naar Uw besluit", dan komt het aan op berusting, op onderwar ping, op lijden van wat God over ons beschikt en gehengt.
Dan is er, althans in de lagere lijdensschool, geen ontwikkeling van veerkracht, maar innerlijke verslapping; geen prikkel die den wil spant, maar een klemmende band, die onzen wil bindt; een inzinking. Niet de lach van heldenfierheid, maar de traan van den schreienden weemoed.
En ook dit nu leidt wel tot diepere kennisse Gods, maar veelal zoo smartelijk, zoo door ongekende en onbegrepen raadselen heen.
Raadselen die ons dan vooral de keel toenijpen, als het aankomt niet op het ondergaan van een smart voor een oogenblik, maar als het een bitter lot is, dat vroeg begint en eerst bij het graf zijn einde neemt.
Telkens en telkens komt dit in het leven voor: Er is een vrouw, die gelukkig was. Rein gelukkig in het bezit van man en kind. Ook was ze niet ongodsdienstig. Telkens dreef het overvloeiend gevoel van geluk haar uit tot dank en lofzegging. „o, Die liefde van haar Vader in de hemelen was zoo groot. Hij maakte haar zoo gelukkig, zoo overrijk in zielsgenot." .
Maar dit keert. Hevige krankheid verstoort haar stillen vrede. En die man, dat kind wordt haar door den dood ontrukt.
En nu is alles weg. Nu is ze troosteloos. Nu komt heel haar diep gewonde ziel tegen God in opstand.
Het is alles zelfbedrog, alles zelfmisleiding geweest. Neen, God kan geen liefde zijn. Of hoe zou een God die liefde was, zoo wreed kunnen zijn, om haar van zoo hoog gestemd geluk in de diepte van rouw en ellende neder te werpen?
En in de verbijstering der smart wordt dan de taal der vertwijfeling, de taal van het rauwste ongeloof uitgestooten. „Spreek mij van geen God meer. Wreedheid kan geen liefde zijn.
Er is geen God".
Zoo wordt het afbreken van het levensgeluk het afbreken van het geloof in de ziel.
Ze waande God te kennen, en nu God anders bleek te zijn, dat zij zich had ingebeeld, nu schudt ze alle geloof uit.
Nu verloor ze met haar man en haar kind ook haar God.
En vat in de ziel overbleef is de uitgebrande haard, waarin geen vonkje meer glinstert.
Hieraan voelt ge, hoe hard de les is, die door de school van het lijden ons in kennisse Gods moet doen wassen.
Als het kruis met zijn volle wicht, voor het eerst in ons leven, ons op de schouder wordt gelegd, is de eerste uitwerking juist omgekeerd, dat ze ons stomp en dof maakt en alle kennisse Gods doet verliezen.
De psalm der liefde was zoo schoon, en gleed zoo vanzelf in onze ziel. Een God die niets dan Liefde is, liefde voor ons, om óns te zegenen, om óns het leven rijk en blij te maken, o, wie zou zulk een kennisse Gods niet willig in zich opnemen?
Reeds onder menschen was het zoo heerlijk, als ons liefde en niets dan liefde betoond werd. En hoe rijk moest dan niet ons hart zich gevoelen in het bezit van een God, die enkel Liefde, stroomen van geluk en vree naar ons deed uitvloeien.
Maar nu komt de dag van den onspoed, de dag van verdriet en teleurstelling, de dag van krankheid en van bittere rouwe. Waar is nu die liefde van mijn God? Waar blijft nu die uitvloeiing van liefde uit het Vaderhart? lm mers, niet alleen dat God mijn stervenden man, mijn stervend kind niet gered heeft, en mij heeft laten bidden zonder te hulp te schieten, maar Hij heeft het gedaan. Hij heeft de krankheid in mijn woning gezonden, en, o, wreed, om het haast niet uit te spreken. Hij zelfheeft mijn man, mijn lieve kind gedood, van mijn hart gescheurd, en naar het graf doen uitdragen.
En natuurlijk, nu moet dit er ten slotte wel toe leiden, dat we tot een andere, tot een betere kennisse Gods opklimmen, die ons dit zijn doen verklaart; maar het eerste wat ons hart er bij voelt, is dan toch, dat we met onzen God gelijk wij ons Hem voorgesteld, gelijk wij Hem ons gedroomd hadden, niet uitkomen.
Den God dien we hadden, raken we kwijt, en, o, dan kost het zooveel bittere zielsworsteling eer we, in onze kennisse Gods gelouterd, een andere, en nu den eenigen^ waarachtigen God daarvoor in plaats grijpen.
De eerste les bestaat dan hierin, dat we in het werkelijke leven, met heel ons uitwendig en innerlijk bestaan, zwichten voor een hooger bestel, en bukken voor een Almacht, waartegen we niets vermogen.
En dit schijnt ontzettend, maar toch juist dat is het ontdekken van God als God in de realiteit van uw aanzijn.
Zoolang we nog pas op den weg naar het kruis zijn, achten we onszelven de hoofdzaak, gaat het om ons geluk, om onze eer, oin onze toekomst, en God komt er dan bij. Wij vormen voor ons eigen besef het middenpunt, en God is er om ons gelukkig te maken. Vader is er om het kind. En Gods beleden Almachtigheid is er alleen om ons geluk te dienen.
Een kennisse Gods, die alzoo door en door valsch is. die de orde omkeert, en diep opgevat, ons zelf tot God en God tot onzen dienstknecht maakt.
En aan die valsche kennisse Gods slaat nu het kruis de bodem in. Ter neer geworpen in uw rouw en weemoed, ontwaart ge nu plotseling, dat die hooge God zich aan u niet stoort; dat Hij den loop der dingen niet afmeet, noch regelt naar uw begeerte; dat er in Zijn bestel heel andere motieven zijn, die geheel buiten uw verlangens omgaan ; dat Zijn Macht u als het moet opeens verplettert; en dat gij in de werking van dat Bestel en van die Macht niets anders en niets meer zijt, dan een stofke, dat aan het drijfwiel kleeft, en als een verdord blad, dat in den stormwind wordt voortgejaagd.
Dan moet ge wel zwichten, ge moet wel bukken. Ge staat er volslagen machteloos tegenover, en uit dienzelfden hemel, waarin ge dusver niets dan schapen wolkjes zaagt drijven en spelen, dringt nu de donkerheid u in de ziel, en dreunt de donderslag u in het hart, en verschrikt u het vlammend licht, dat neerschiet.
Dit nu is de ontdekking van Gods wezenlijkheid, van zijn u geheel overstelpende majesteit, van een Almachtigheid, die u met al wat ge het uwe noemt, in zich opslorpt. En voor het eerst voelt ge nu, wat het is met den levenden God te doen te hebben.
Zóó is God.
Nu kent ge hem !
En dan begint dat nieuwe pogen der ziel, om dien alzoo gekenden, wezenlijken God nu te leeren verstaan. Dan begint het gissen, het raden, het peinzen, waarom die Almachtige God zoo zijn en zoo doen zou. Dan zoekt het toegenepen hart een verklaring. Het zoekt die in eigen schuld en zonde. Het zoekt die in nawerkingen van het verleden. Het zoekt die in de bedoeling waarmee het kruis ons werd opgelegd, en in de vrucht, die het dragen zal, in de ontknooping der eeuwigheid. Langen tijd nog altoos het pogen, om de verklaring van het doen Gods alleen /« ons zelven te vinden.
Tot de ziel nóg verder komt, en de theorie van Jobs vrienden varen laat, en van God zelf in een onweder, als Job, het antwoord ont ^angt, en nu verstaan leert, hoe Gods bestel over alle zonnen en sterren, over alle uren en eeuwen gaat, en alle creatuur zich wentelen doet om Hem, den Eeuwige, als het een en eenig middenpunt, om zijn majesteit, om zijn eere; dat deswege zijn Raad en zijn Bestel zoo hoog als de hemel is, boven onze bevatting uitgaat; en dat niet het narekenen van zijn Raad, maar het inleven in dien Raad, 't zij dan door vreugd 't zij dan door smarte, onze eere en de zelfverheffing van onze ziel is.
Dat breekt dan de lijdtlijkheid die dof maakte, en wekt weer den prikkel, die heldenmoed schenkt om willig den beker te drinken, zelf te drinken, en hem ons niet te laten ingieten. Te willen drinken, zoo als Jezus wilde sterven op Golgotha.
Met een gebroken hart toch meewerken in het werk Gods, en in dat lijdend meewerken met God, die ons slaat, het eeuwige leven vinden.
De schildwacht die zich laat neerschieten op zijn post, en stervend nog geniet van den goedkeurenden blik van zijn veldheer.
En die daarin geniet, omdat hij weet, en 't nu ziet, dat die veldheer, die hem ten doode doemde, hem toch lief had.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 12 juli 1903
De Heraut | 4 Pagina's