Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Gij hebt Mij op uw hart niet gelegd.”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Gij hebt Mij op uw hart niet gelegd.”

9 minuten leestijd

Maar voor wien hebt ge geschroomd of gevreesd ? Want gij hebt gelogen, en zijt Mijner niet gedachtig geweest, gij hebt Mij op uw hart niet gelegd. Is het niet, omdat ik zwijg, en dat van ouds af, en gij vreest Mij niet? Jesaia 57: II.

Onder de oppervlakkigen schijnt niets zoo gemakkelijk als lief te hebben.

Zijn eigen persoon heeft men vanzelf lief. God lief te hebben kost niet de minste moeite. En het eenige wat nog soms strijd kost is, lijn naaste lief te hebben als zichzelven. En ook dit laatste niet alsof wil en macht om lief te hebben ontbrak, maar vermits die naaste soms zoo bijna afstootelijk kan zijn.

Toch vergist, wie zoo oordeelt, zich ten eenenmale.

God lief te hebben, is veel, veel moeilijker dan het liefhebben van zijn naaste; en veilig mag gezegd, dat er op tien die wezenlijk toonen naastenliefde te bezitten, ten hoogste één is die van liefde voor God wordt verteerd.

Uitdrukkelijk heeft Jezus het liefhebben van God dan ook als het eerste en het groote gebod voorop gesteld, en meer nog dan over gemis aan broedermin klaagt heel de Schrift aldoor over vergetelheid van den Heilige. En dat dit geen Joodsche overdrijving was, toont de Apostel wel, als hij aan die van Rome de bittere klacht van den Psalmist herhaalt: „Er is niemand die God zoekt, ook niet écn.

Dit sluit niet uit, dat de liefde voor God aan de ziel kan worden ingestort; en ook ziet ge soms duidelijk hoe de eerst karig ingestorte liefde later versterkt en verinnigd wordt; maar neemt ge den mensch op zichzelf zooals hij van nature opgroeit, en dus niet alleen onder de deugnieten en misdadigers, maar evenzoo onder de fatsoenlijke en zelfs onder de brave en eerzame lieden, neen, dan leeft in dien mensch de liefde voor God niet. Hij zoekt God niet. Ja, er is er niet één die wezenlijk God lief heeft zoo als God zelf dat liefhebben wil.

Wel scheen het langen tijd anders, maar die schijn bedroog.

Nog in het begin der vorige eeuw was het onder de brave, goede burgers van ons land regel, dat men voor godsdienst koos en alle ongodisterij verafschuwde.

Zonder vroom te willen heeten, wilde toch niemand voor ongodsdienstig doorgaan, en bij plechtige gelegenheden werd nog altoos de naam des Heeren herdacht.

Zijn nu in diezelfde kringen de meeste menschen thans slechter dan de lieden van toen t Stellig niet. Ze hebben zich, ja, meer geëmancipeerd. Maar in het gemeen genomen, zijn de menschen nu zoo als de menschen van toen waren.

Slechts dit is het groote verschil, dat het ongeloof op katheder en kansel, in pers en meeting brutaler gepredikt is. En waartoe heeft dit nu geleid.' Is er toen van de fatsoenlijke brave menschen één machtig protest tegen die ongodisterij uitgegaan ?

In het minst niet.

Integendeel. In één menschenleven is in al die breede kringen finaal met alle geloof gebroken en heeft men er schaamteloos niets meer op tegen, om zelf als ongodist te boek te staan.

En ook dit nu is volstrekt niets nieuws. Geheel datzelfde deed zich reeds bij Israël in de dagen van zijn geestelijk verval evenzoo voor.

Iets wat overtuigend blijkt, als gij het God zelf bij Jesaia aan die kringen van zijn dagen hoort verwijten: „Gij hebt gelogen, want ge hebt mij niet op uw hart gelegd."

Het is daarom zoo noodig, op dat liefhebben van God dieper in te gaan. Hoog noodig ook voor de kringen der geloovigen, want ook in die kringen blinkt zooveel als goud der liefde, wat niets dan klatergoud is.

En dan is wel de eerste stap, dat ge begint in te zien, hoe God lief te hebben, niet het lichtste, maar het zwaarste is, waartoe het geloof u roept.

Gemeenlijk maakt liefde op ons den indruk, dat we veel voor iemand over hebben, en dat we al doen wat we kunnen om hem gelukkig te maken.

Dat ziet men aan alle kanten, waar de menschenliefde opwaakt. Dan toch richt zich die liefde het eerst, het mildst en het gemakkelijkst op ongelukkigen, en het is in hooge mate verblijdend, dat die mild opgevatte philanthropic in onze dagen zoo machtig opbloeit.

Dat leert offers brengen, het lokt toewijding uit, het stilt veel smart.

Maar, natuurlijk, met dien kant van de liefde komt men bij God niet uit

Uw God is volzalig. Hij is in geen enkel opzicht als iets behoevende. Hij heeft u in niets van noode. En niets kunt ge Hem toebrengen. Het gevoel van deernis, waaruit deze soort liefde opwaakt, kan u, als er van God, den Volzalige, sprake is, nooit één oogenblik bezielen.

Het komt hier op een heel andere liefde aan, op een liefde die opkomt uit het besef, dat gij bij God hoort. Bij God hoort, krachtens uw oorsprong en uw bestaan zelf. Bij God hoort, omdat ge zijn creatuur zijt, en omdat ge dienvolgens geen andere reden van bestaan, geen ander doel van uw existentie, geen andere bestemming voor uw eigen toekomst kunt hebben, dan in Hem.

Alle ijdel besefin u, alsof ge een reden van bestaan in u zelven zoudt hebben, is daarom roof aan uw God gepleegd. Het is het rad van den wagen, dat van den wagen losgemaakt, op zich zelf wil rollen.

En als iemand zich dan op die manier feitelijk van zijn God heeft losgemaakt, en zich nu uit zijn ingebeelde zelfstandigheid naar God keert, om Hem als iets buiten zich lief te hebben, en dat liefde noemt, dan is dat erger dan een carricatuur en bespotting; dan is dat de hoon der liefde, die ons niet vroom maakt, maar aanklaagt en voor God veroordeelt.

God lief hebben is, alles wat scheiding tusschen ons en God maakt, wegnemen, en alzoo komen tot een bestaan, waarin we geen oogenblik anders dan voor God leven en zijn.

Liefde voor God is het terugzuigen «aar God van wat in het schepsel van God gescheiden raakte.

Het is een beweging in de zief, die in ons geboren wordt, als van God de magnetiseerende kracht uitgaat, die ons naar Hem toe trekt.

Een drang, een neiging in ons, die ons geen oogenblik rust gunt, en telkens al wat ons van God scheidde of aftrok, opzij dringt, terug dringt, wegstoot, en alzoo de gemeenschap met God weer vrij laat.

In het gebed merken we dat het eerst. Hoed u, zegt de apostel, opdat uw gebed voor God niet verhinderd worde. Dat merkt ge zelf wel, als ge bidden wilt en niet kunt, omdat er dingen tusschen uw hart en uw God staan. Dan moet ge eerst uw gedachten, uw neigingen, uw gewaarwordingen van dat alles losmaken, dat alles uit uw geest wegdringen, en dan komt God weer tot u, dan is er weer gemeenschap, en dan kunt ge weer bidden.

En datzelfde nu, wat in het gebed één oogenblik geschiedt, dat moet in heel uw existentie alzoo geschieden; en wanneer dit in u begint plaats te grijpen, dan begint de echte liefde voor God in u op te waken.

Het is dat wat Jezus wilde en beoogde, toen hij het u aldus uitlei: „Gij zult den Heere uwen God liefhebben met heel uw hart, en heel uw ziel, en heel uw verstand en al uw krachten.

Die vier saam, maken de geheele innerlijke bewerktuiging van uw geest uit. Die vier raken telkens verwikkeld in andere egoïstische of wereldsche belangen. Dan werken ze verkeerd. Dan werken ze van God af. Dan scheiden ze u van den Heilige. En nu is dat de liefde, dat gij ze alle vier telkens en telkens weer uit die verkeerde verwikkeling losmaakt, en ze richt en stuurt, niet voor een deel, maar geheel, op den Heere uw God.

Een offer is dit eigenlijk niet, want onder een offer verstaan we iets van het onze, dat we voor ons zelven konden houden, maar nu vrijwillig ten behoeve van een ander afstaan. En juist daarvan is hier geen sprake, en daarvan kan hier geen sprake zijn.

Uw hart is van God, en uw ziel is van God, en uw verstand is van God, en al uw krachten zijn Gods eigen eigendom.

Ge brengt dus Gode niets toe, maar geeft terug wat ge Hem ontroofd hadt.

En als ge dit nu doet, zóó doet, dat weer alle deze vier, én uw hart, én uw ziel, én uw verstand én uw kracht, zich op Hém richten, en geheel Hem dienen, dan is de afscheiding gebroken en viert de liefde haar triomf.

Het wordt dan als de beschaamdheid van den dief, die wat hij ontstal weer terugbrengt, en er zich nu in niets op verheft, maar er nog bij bidt om vergiffenis.

Dit nu noemt de profeet: „God op uw hart leggen".

Liefde is een teedere, zachtroerende gewaarwording, die symbolen mint. Vandaar onder geliefden eertijds veel de gewoonte, om elkanders beeltenis, of een kostbaar sieraad dat ze elkaar vereerden, op het hart te leggen en steeds op het hart te dragen.

Zin daarvan is dan, dat d^ ién den ander zijn hart en hand gegeven heeft, en nu dit symbool op zijn hart draagt als gedurige waarschuwing, om toch dit aldus bezegelde hart geen oogenblik naar een ander te laten uitgaan, maar bestendiglijk voor wie hij mint, te bewaren.

En zoo bedoelt: God op zijn hart leggen, dat men de keuze gedaan heeft, dat men er toe kwam om zijn hart aan God te geven, en nu het symbool van Gods Naam op zijn hart legt, om zijn hart voor God te verzegelen, en nauw toe te zien, dat zijn hart voor God en voor God alleen bewaard blijve.

Altoos dus weer hetzelfde.

Niet God lief hebben, om aldus Gode iets toe te brengen, maar geheel omgekeerd zelf in God opgaan, overmits we zijn eigendom zijn, en omdat we alleen door ons toe te wijden aan Hem, Wien we toebehooren, het doel van ons aanzijn verwezenlijken kunnen.

En dit alles nu te doen, niet in den werktuigelijken vorm van een uitrekening, maar door een versmelting van onszelven in den gloed der teederste liefde, — dat is het eerste, dat is het groote gebod, dat is den Heere kennen, zich als kind bij zijn Vader gevoelen, dat is innerlijk verteerd worden door de liefde Gods die in onze harten is uitgestort.

Blijft alleen maar de vraag, hoevelen zijn er, ook onder de vromen in ons land, die alzoo God op hun hart hebben gelegd?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 juli 1903

De Heraut | 2 Pagina's

„Gij hebt Mij op uw hart niet gelegd.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 juli 1903

De Heraut | 2 Pagina's