„Met geheel uw hart.”
En Jezus zeide tot hem: Gij zult liefhebben den Heere uwen God met geheel uw hart, en met geheel uwe ziele, en met geheel uw verstand. Matth. 22 : 37.
Onder, dieper nog dan uw hart leeft uw ziel.
Als God een mensch doorzoekt, toetst Hij niet alleen zijn hart, maar dringt nog dieper in zijn wezen door; iets wat de Schrift plastisch uitdrukt door te zeggen, dat God, na ons hart geproefd te hebben, ook nog onze nieren doorzoekt, om ons alzoo te keuren tot in het binnenste en innerlijkste van onze wezenheid.
In 00 ü blikken van hooge spanning wordt het soms zelfs onder menschen gevoeld, dat men er met het hart nog niet is, en dat door dat hart heen, tot de kern van ons ik moet doorgedrongen. Zie het bij Jonathan. Immers toen David hem bezwoer, om zich voor altoos in trouwe aan hem en zijn geslacht te verbinden, luidde Jonathans antwoord, in dat fel be-. wogen en diep ontroerend oogenblik: „Wat uw ziele zegt zal ik doen."
Ernstig genomen, heeft dan ook alleen datgene in uw hart waarde, wat er uit uw ziel in kwam en er door heen naar uw ziel ging.
Ook wat buiten uw ziel omgaat, kan daarom wel merkelijke aantrekkelijkheid bezitten. In zwakker graad, als alleen de uitwendige verschijning u boeit; sterker als ge moed en veerkracht, toewijding en zelfopoffering in iemand bewondert. Maar dat alles gaat voorbij. Ge neemt het in uw leven niet op. En in den regel zelfs gaan aandoeningen en uitingen van uw hart, die buiten uw ziel omgaan, niet hooger dan het gevoelsleven, soms zelfs niet boven het schijnleven van het sentimenteele.
Alle wezenlijke, blijvende waarde ontleent de functie van uw hart alleen aan de verbinding waarin uw hart met uw ziel staat.
Nooit echter mag dit zoo verstaan, alsof uw hart iets overtolligs ware, en alsof het alleen op uw ziel aankwam.
Eer integendeel is uw hart u door uw God als een volstrekt onmisbaar orgaan voor uw ziel gegeven.
Alleen door middel van uw hart kan wat zich roert in uw ziel, tot die hooge gewaarwording en die hooge uiting komen, die we als liefde verheerlijken.
In het groote gebod stelt Jezus daarom het hart zelfs op den voorgrond. Eerst: Gij zult den Heere uwen God liefhebben met geheel uw hart, en dan pas: Gij zult den Heere uwen God liefhebben met geheel uw ziel.
Dit kon niet anders.
De liefde begint niet in onze ziel, maar in God. Ze komt uit God tot ons. Ze wordt als liefde Gods door ons hart ingedronken. En eerst waar deze liefde uit God aldus, door ons hart heen, in onze ziel dringt, waakt in onze ziel dat leven der wederliefde voor onzen God op, dat nu uit de ziel in het hart perst, en ons onzen God doet liefhebben.
Maar tot dit laatste komt het dan toch alleen door ons hart. Eerst in ons hart wordt de gloed ontstoken en gloort het liefdevuur op.
Tot de ziel beperkt, blijft het meer aanbidding. Eerst het hart geeft de teederheid en de warmte uit.
Eerst als het wordt een God liefhebben ook met geheel tcw hart, begint die liefde in echt menschelijke gewaarwording u te doortintelen.
Die liefde van het hart is onweerstaanbare wederzijdsche aantrekking. Meer dan eens wordt ze daarom als „een kleven van de ziel aan God" in de Schrift aangeprezen.
Als de magneet het staal zoo naar zich trekt, dat er geen lucht zelfs meer tusschen is, dan kleeft het staal aan den magneet. Als daarom tusschen menschen zoo innige aantrekking ontstaat, dat ten leste al wat hen scheidde, wegviel, kleeft hart aan hart, kleeit ziel aan ziel. En zoo nu ook komt de volkomene liefde voor onzen God niet tot stand, eer al wat scheiding tusschen ons en onzen God maakte, is weggenomen. Maar dan geldt het ook van deze liefde, dat ons hart, en door ons hart onze ziel, aan God kleeft.
Een sterke, forsche uitdrukking, gelijk de Schrift ze keer op keer bezigt. Zoo sterk, dat ge u afvraagt, of het daartoe ooit bij u komen zal. En toch, voor Gods kind is dat geen vraag. In den regel, neen, dan ligt er zulk een berg van hindernissen tusschen onze ziel en onzen God, dat er van een kleven aan God geen sprake is. Maar dit neemt niet weg, dat elk kind van God toch vluchtige oogenblikken, in eenzaamheid en afzondering, gekend heeft, waarin Gods liefde hem zoo machtig en zoo onweerstaanbaar trok, en Gods zalige gemeenschap in Christus hem zoo zalig overweldigde, dat, ja, waarlijk alles, alles wegviel, en het kleven van zijn hart aan het hart van zijn God, de eenig ware uitdrukking was voor wat zijn ziel genoot en zijn ziel voor zijn God gevoelde.
Wat nu in de natuur aantrekkingskracht heet, heet in het geestelijke liefde.
Liefde is niet iets gemaakts, iets bestudeerds, maar een vanzelfsheid.
Ge voelt het of iemand u lief heeft. Ge voelt het of die liefde, waarmee hij u boeit en trekt, sterk of zwak is. En als er een groote liefde zich op u richt, naar u uitgaat, en op u begint te werken, dan voelt ge tevens het onweerstaanbare van die trekking.
„Trekken" noemt ook Jezus dien uitgang van de liefde. De Vader „trekt" zijn verkorenen. Van zich zelf zegt de Heiland: Ik zal u allen tot mij trekken. D. w. z. Ik zal met zulk een overmacht van genade en liefde uw hart bespelen, dat ge meekomt, u overgeeft, en gewonnen zijt.
Er is dus overmacht in deze liefde, maar overmacht door een geweld, dat niet zeer doet, maar zalig verkwikt. Zoo als de zon de bloemknop optrekt, en tegelijk door haar koestering ontluiken doet, zoo trekt deze liefde Gods u naar Zich op, en doorstroomt u op het eigen oogenblik met de zaligste gewaarwordingen, die uw hart zwellen doen van de heiligste vreugd.
Ge drinkt deze liefde in, ge wilt ze, ze is weelde voor uw ziel, en in die weelde der genoten liefde van uw God, waakt vanzelf, rein en teeder, de liefde in uw hart voor uw God op.
Er is liefde ook voor het onpersoonlijke.
Zoo kan men, oneigenlijk, spreken van liefde voor de natuur, als ze ons boeit door haar schoon of verrukt door haar verheven heid. Zoo kan men de wetenschap liefhebben, liefhebben het recht, liefhebben al wat edel is en welluidt.
Doch dit alles is de zwevende liefde, liefde in algemeenheid, maar liefde die geen rust vindt, omdat de ziel, die persoonlijk leeft en mint, alleen in een persoonlijke liefde zich zelve voldoen kan.
Daarom heeft reeds de liefde voor een zangvogel of huisdier iets teederders. Reeds hier toch concentreert zich de liefde op een bepaald voorwerp, en er is wederkeerige uiting. De aantrekkelijkheid van een hond kan daarom zoo groot zijn, omdat ze persoonlijk beantwoord wordt. Dat vindt ge niet in de natuur, n.et in de wetenschap, niet in het recht; wel in een hond die zijn leven voor u waagt.
Toch is dit alles nog slechts voorspel van hoogere liefde, en eerst onder menschen begint de liefde haar rijker taal te sprekenen haar hooger wezen te openbaren. En ook hier weer klimming bij verschil. De liefde van moeder en kind, van vader en zoon, van broeder en zuster, van vriend en vriend. Tot ge eindelijk aan het huwelijk toekomt. Soms, o, zoo door zonde verlaagd, maar toch in zijn ideale opvatting de hoogste liefde op aarde, en daarom door God zelf gestempeld als zinnebeeld van de liefde, die Hem aan Zijn volk, die Hem aan Zijn uitverkorenen verbindt.
Maar toch kan zelfs in het huwelijk de liefde haar voleinding niet vinden. Naar heur wezen voelt ze in zich een aandrift die nog hooger gaat. En dan eerst als de liefde zich eindelijk naar het Hoogste Wezen begint uit te strekken, en ge voelt dat de vonk der liefde voor uw God, door God zelf in uw hart is ontstoken, ontwaart ge, dat de liefde in u nu is waar-ze wezen moet, niet hooger kan, maar ook niet hooger wil, en daarom weigelukzalig is.
De strijd, die dan komt, ligt in uw ongelijkheid met uw God. Hij alles, gij niets. Hij de Hooge en Verhevene, gij het nietig creatuur uit zijn hand. Gij Hem alles dank te weten, Hij niets behoevende, en Die daarom niets van u kan ontvangen.
Onder menschen is onze liefde wederkeerig als tusschen twee gelijken. Tusschen een machtig man en een klein arm kind kan zich geen hooge persoonlijke liefde ontwikkelen. Dat kleine kind kan niet opklimmen tot dien rijk ontwikkelden man; die man niet anders dan in toegenegen welwillendheid tot dat kind afdalen.
Maar juist dat deed God voor u.
Hij deed het in Christus. Hij kwam in Christus als mensch tot u, om de ongelijkheid gelijk te maken, zich bij uw leven aan te sluiten, zich aan uw bestaan aan te passen. In alles den broederen gelijk worden, uitgenomen alleen de zonde.
En hier nu is het mystciie. Het groote mysterie, waardoor bij wie zich aan Jezus aansloot, en in Jezus geloofde, en met Jezus zielséén werd, de waarachtige liefde voor God zich zonder stoornis der ongelijkheid ontwikkelen kon.
En zegt ge nu, dat toch ook Jezus u alles gaf en toebracht, en gij ook uw Heiland geen kroon op het hoofd kunt drukken, die Hij niet reeds bezit, — weet dan dat u toch één ding blijft, dat uw God alleen van zijn uitverkorenen kan erlangen; en dit ééne wat is het anders dan de liefde van uw hart.' Maar dan ook van geheel uw hart, tot eens dat hart naar God trekt, zoo als Gods hart trok naar u.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 16 augustus 1903
De Heraut | 2 Pagina's