Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Die niet lief heeft, heeft Gob niet gekend.”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Die niet lief heeft, heeft Gob niet gekend.”

9 minuten leestijd

Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend; want God is liefde. I Joh. 4 : 8.

De kennisse Gods is het eeuwige leven. Het eeuwige leven komt niet bij die kennisse bij, maar die kennisse is het eeuwige leven zelf. Die kennisse kan daarom niet beperkt zijn tot wat het verstand vat of niet vat, noch tot wat ons begrip doorziet of in ons geheugen is ingeprent. Kennisse Gods is een kennis, die zeer zeker ook in den spiegel van ons bewustzijn een steeds helderder beeld werpt, maar die toch nooit uitwendig, nooit afgetrokken, nooit dorre woordenwichelarij kan zijn.

Het is een kennisse, die uit onze tweede geboorte tot ons komt, zoo als een kind zijn vader en moeder kent; stout gesproken, zou men kunnen zeggen, een kennis die in het bloed der ziel zit, een Goddelijk atavisme. Het is een kennis die in onzen wil gegrepen wordt, als onze wil den wil van God grijpt. Het is een kennis, die uit geestelijke ervaring, bijna uit inge^fing, ons toekomt. Het is een kennis, die in den verborgen omgang met God gestadig aanwast, en in het gebedsleven rijpt. Het is een kennis, die in de donkere diepte der smart, en op de zonnige hoogten van vreugd en voorspoed, een telkens ons nader komende verrijking ondergaat. Het is een kennis, die ongemerkt gedurig uit den stroom zelf van het leven naar boven komt; een kennis, die onze persoon zelf als orgaan bezigt, en soms oogenblikken kent, dat het is, of het zien van aangezicht tot aangezicht reeds hier, als door de gordijnen van het heiligdom heen, als door een kier van het voorhangsel, ons gegund werd.

Natuurlijk moet die rijke, steeds rijpende, al vollere en van Goddelijke zoetheid overvloeiende kennisse Gods, steeds weer door het klare bewustzijn opgevangen, en in de belijdenis van Christus kerk en in ons eigen persoonlijk belijden, als overgegoten worden; want geschiedt dit niet, dan sluipt er o, zoo snel mystiek bederf, i^erbeeldingsmanie en sentimenteele verwekelijking in. Maar toch, het stuit, en doet u ijskoud aan, als ge zoo telkens en telkens nog, in de kerk en buiten de kerk, dorre schoolschheid voor het leven in plaats ziet treden, en van die kennisse Gods hoort handelen als ware ze een lijk, en niet bezield, veerkrachtig, de ziel doortintelend leven.

Dat toch is niet naar, maar vlak tegen de Schrift.

Hoor maar wat de apostel des Heeren u toeroept: Wie niet liefheeft, die heeft God niet gekend, want God is liefde.

Zij het al sterk gezegd, toch is het zoo: Meest door zelf te doen wat God doet, gaan we in de zuivere Godskennisse in.

Bezie met het oog hierop de vergeving der zonde, en ge zult het mysterie van deze kennisse Gods verstaan.

Of God u uw zonden vergeeft, is en blijft, nu en eeuwig, voor u persoonlijk (Je hoofdvraag van uw bestaan en uw toekomst. Men predikt het thans wel anders, alsof de hoofdvraag ware, hoe we van onze zonden afkomen en onszelven heiligen. Maar het is al zelfbedrog, Zooals Paulus en Luther en Calvijn het ons op de ziel bonden, zoo is en blijft het. De machtige levensvraag is, hoe ben ik rechtvaardig voor God.' Zonde-vergiffenis is de weg tot afsterving van zonde, niet omgekeerd. Hoe wij, tot onzen dood toe in zonde bevangen wezens, kind van God en naar het Vaderhuis tot eeuwige bewoning geroepen kunnen zijn, dit en dit alleen is het machtig levensprobleem, dat rechtstreeks onze verhouding tot God en onze kennisse van den Eeuwige raakt. En zoo komt altoos weer het wereldraadsel en het raadsel onzer ziele op dit éene neder: Is er genade, is er vergeving, is er verzoening, volkomen verzoening ook voor mij?

En nu is het hoogst opmerkelijk, dat het Onze Vader de korte bede om vergiffenis als met ijzeren hand vastschalmt aan de betuiging dat wij zelven vergeven.

„Geef ons heden ons dagelijksch brood", en vlak daarop het dagelijksche brood voor uw zielsleven in de Goddelijke vergiffenisse, maar die Goddelijke vergeving gebonden aan de volgemeende, oprechte betuiging: gelijk wij vergeven onze schuldenaren.

Met andere woorden: Ge moet liefhebben, liefhebben met die diepste liefde die u van harte vergeven doet wie tegen u misdeedt, en alleen wie zoo liefheeft, die kent God, die kent zijn God in deze zijn hoogste liefde, dat Hij, al waren uwe zonden als scharlaken, ze wit maakt als sneeuw, ja, al waren ze bergen-hoog gerezen, ze wegwerpt in de diepte der zee.

Daadwerkelijk dus in het Onze Vader zelf die diepe gedachte, die zoo gewaagd geuit scheen, dat wij door zelven te vergeven, leeren verstaan dat en hoe God ons vergeeft; d.w.z. dat we door zelven lief te hebben. God in zijn liefde voor ons leeren kennen. En dat wie liefheeft, niet in phrases en in gevoelsopwellingen, maar zoo dat hij van harte zijn vijand vergeeft, geheel, ganschelijk en ten volle vergeeft, omdat hij ook zijn vijand liefheeft, juist daardoor wast in de kennisse Gods, God kennen leert, en leert verstaan, hoe God de liefde is, de liefde ook voor hem.

Gaat dit nu van u uit, zoodat gij eerst lief hebt, en daarna God u liefheeft.'' Verre van daar. In u begint het nooit met liefde, en achter het eerste druppelken liefde dat ooit in uw ziel gistte, was steeds de hand van uw God, die u dat druppel ken liefde in de ziel deed glijden.

Veel min kunt ge ooit uit uzelven vergeven. Wel vergeven, zóó dat uw vergeven zelf u opnieuw tot zonde wordt, maar nooit zóó vergeven, dat het uw ziel ontlast.' Telkens hoort ge ook het kind der wereld vergeven, en hebt ge zelf als kind der wereld vergeven uit hoogheid, om te toonen dat uw vijand u te laag stond, om hem zijn euveldaad te houden; om te toonen wat braaf mensch ge waart, dat ge geen haat draagt; om in uw zelfbesef van hem af te komen en rust van hem te hebben.

Maar natuurlijk, zulk vergeven heeft met de echte vergiffenis niets dan den schijn en den naam gemeen, en daarentegen wat het Onze Vader bedoelt, is een vergiffenis uit zoo innige, oprechte en waarachtige liefde, dat ge gevoelt: als God mij nu ook zoo vergeeft, dan ben ik gered. Want dan is het God zelf, die deze liefde in mijn hart verwekte, die uit zijn eigen liefde deze liefde tot vergeven in mijn ziel deed overvloeien, en mij alzoo in het zelfvergeven van mijn vijand God doet kennen als uit eeuwige liefde zich over mij, zijn vijand eens, maar nu zijn kind, erbarmende in grondelooze ontferming.

Op het hooren van het apostolische woord: „Wie niet Hefheeft, heeft God niet gekend", slaapt de conscientie gemeenlijk zelfvoldaan in. Wie toch is er, die niets, die niemand liefheeft.' Zelfs van struikroovers is het bekend, hoe ze een dier, een kind, een vrouw met soms zelfopofferende liefde minden.

Maar wat zegt dit 1 Als er staat: Wie niet liefheeft, is bedoeld, wie niet uit de liefde leeft, wie niet door de liefde beheerscht wordt, wie niet in het liefhebben geniet, v/ie niet die liefde bezit, die de vuurproef kan doorstaan.

En aan die vuurproef komt de liefde toe, niet ten opzichte van wie ons noodig en in het leven aangenaam zijn, maar dan eerst als we staan tegenover een die ons in den weg staat, tegenover wat men kortweg zijn vijand kan noemen; en daarom komt de echtheid van uw liefde eerst in het vergeven uit. In het vergeven van wie u ergerde, u hinderde, u het leven verbitterde. En zulk een nu zóó te vergeven, dat ge uit liefde tot hem, en niet omdat het uw plicht is, hem vergeeft, dat en dat alleen is bewijs, dat in u die liefde is, die u God kennen leert.

Maar dit is ondenkbaar, dit is onmogelijk, dit kan ik niet, zult ge zeggen. Vergeven om Gods wil, vergeven omdat ik zelf zoo zondig ben, vergeven uit Christenplicht, ja; maar vergeven uit voorafgaande liefde, hoe zal dit.' En toch, Jezus eischt het: Heb uw vijand lief, zegen hem die u vloekt.

Dieper indringen in den wortel der zaak is hier noodig.

Ge zult God liefhebben met heel uw ziel, heel uw hart, heel uw verstand en al uw kracht; dit is het eerste en groote gebod; en dan volgt er: En het tweede hieraan gelijk is: „gij zult uw naaste liefhebben als uzelven"; en die naaste zal telkens uw vijand zijn.

Hoe kan dit.' Niet maar dat ik óók mijn naaste moet liefhebben, maar dat dit tweede gebod aan het eerste gelijk, geheel gelijk is?

En het antwoord luidt: Zoo alleen, dat ge in uw naaste lief hebt wat in hem van God is. Anders niets. Dus niet zijn zonde, ook niet zijn zonde tegen u. Die zult ge veeleer haten. Maar zooals ge de natuur lief hebt, omdat er Gods Almacht en Goddelijkheid in spreekt, en een dier lief hebt, omdat God het zoo wonderbaar georganiseerd en met instinct voorzien heeft, zoo zult ge veelmeer nog uw naaste, als mensch, liefhebben, omdat God hem naar zijn beeld geschapen heeft; om de gaven en talenten die God in hem schiep; en om de wezensktem die in hem gelegd is.

Is dit nu alles verdorven, alles verpest, alles vergiftigd en reddeïoos satanisch geworden, dan is er niets meer van God in, en houdt de liefde op, en verkeert in haat, ja moet in haat verkeeren. Satan was ook een wonderbaar schepsel, maar satan is geheel verzondigd, en daarom haat elk kind van God dit onwezen.

Maar zoo is de mensch, hoe diep gevallen ook, in dit leven nimmer. De moordenaar aan het Kruis juicht voor den Troon. Den verst afgedrevene heeft Jezus ten leven vernieuwd. Al uw Evangelie, in zijn toepassing ook op u, is derhalve, dat in eiken mensch, en dies ook in uw vijand, nog een aansluitingspunt overblijft, waar de genade ten leven kan indringe^v. Alleen daardoor is het Evangelie ook uw redding. En eerst nu, wie met de liefde van zijn hart, om Gods wil, dat vonksken dat bleef, ook in den verst afgedoolde blijft lief hebben, die heeft lief, met een liefde die God leert kennen. God leert kennen in deze zijn eeuwige liefde, waarmee Hij ook u als zondaar mint.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 september 1903

De Heraut | 2 Pagina's

„Die niet lief heeft, heeft Gob niet gekend.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 september 1903

De Heraut | 2 Pagina's