Nobile officium.
De beschuldiging door Prof. Lindeboom ingebracht tegen twee gereformeerde advo katen, die gepleit hadden voor personen van moord beschuldigd, heeft een antwoord uitgelokt van Mr. Diepenhorst — een der aangeklaagden — en van Prof. Fabius, die zijdelings in het debat betrokken was.
Prof. Lindeboom noodigt thans heel de christelijke pers uit om over dit geschil een oordeel uit te spreken. Wij meenen, dat het voldoende is de acte van beschuldiging en het verweer onder de oogen onzer lezers te brengen. i
Het geïncrimineerde artikel van Prof. indeboom luidde aldus:
Moordenaars verdedigd door „Gereformeerde" dvokaten. Mag dit ? Wat ? hoor ik u vragen.
'k Zal u zeggen, hoe-ik aan dit opschrift ben gekomen.
Niet lang geleden meldden de bladen, dat, ach, een lid der Geref Kerken terecht stond ter oorzake van het vermoorden van zijne vrouw, èn dat een advokaat, lid der Geref Kerk te Amsterdam, als pleitbezorger voor dien moordenaar is opgetreden, en op vermindering van straf heeft aangedrongen. Inplaats van naar dien advokaat te hooren, heeft de rechtbank den moordenaar veroordeeld tot 8 jaar gevangenisstraf, d. i. twee jaar meer dan de eisch was van het O. M.
Er is tegenwoordig, ook in onze Kerken, reden van bevreemding over meer dan één ding, en er is veel reden van bevreemding over de houding van de Christelijke en van de gaarne Gereformeerd en Calvinistisch heetende bladen. Zóó is o. a. het zwijgen over het on-bijbelsch pleiten van dien broeder advocaat wel zeer bevreemdend. Dat zwijgen kan toch niet zijn reden hebben of in instemming, of in des advokaats lid-zijn van de Geref. Kerk? Heeft de pers geen roeping om zulk een dwalend pleitbezorger tot de orde te roepen?
En — heeft de Gereformeerde Kerkeraad ter plaatse zijne herderlijke zorg betoond tot terechtbrenging van dit dwalend schaap zijner kudde ?
fag diti Tot deze vraag, die immers het antwoord in zich draagt, werd ik temeer gedrongen door een tweede dergelijk geval, dat mij dezer dagen werd verhaald, en dat ik openlijk mededeel, opdat het weersproken worde, indien het — mocht dat zijn! — niet waar is.
t Verhaal luidt: onlangs is in Middelburg een kinderraoordenares verdedigd door een advocaat, lid der Geref. Kerk te M., en wel met dit gevolg, dat zijne cliënt is vrijgesproken. Is dat waar ?
Ik kan het bijna niet gelooven, en ben toch niet gerust, lettende op de geloofwaardigheid van den verhaler. Was het misschien eene teii onrechte van die daad beschuldigde, wier onschuld door dezen broeder advocaat ia het licht is gesteld? Indien dat niet het geval was, dan mag toch wel gevraagd worden: waar gaan wij heen ? De Zeeiiwsche christelijke bladen gelieven inlichting te geven. In de kerkelijke bladen van Zeeland heb ik er niets van gelezen. Is het verhaal waar, dan past ook hier de vraag: Wat heeft de Kerkeraad gedaan om dezen broeder advokaat terecht te brengen? „Het is het WoordvanGod, dat zijne werking doende in de harten der menschen, ten slotte de onmisbare steun is van alle gezag, het hechtste cement voor het leven des; volks. Daarom heeft de Staat het grootste belang bij den bloei der Christelijke Kerk en der Christelijke School.
.... De Staat, die de Kerk alleen duldt, voorzoover zij zich wil bepalen tot wat het heil der zielen betreft, ondermijnt zijn eigen bestaan.
De Kerk, die het Woord van God niet over alle verhoudingen des levens schijnen laat, mis kent hare roeping, maakt aan plichtverzuim zic.i schuldig jegens overheid en volk, jegens Staat en Maatschappij.
Die breede opvatting is het heerlijke van het Calvinisme, is de levenskracht der Gereformeerde Kerk.
Daartegenover blijft het bestaan, de toestand van het Hervormde Genootschap eene zoo bedenkelijke zaak, dat aan het kwade de hand boven het hoofd houdt, en de doorwerking van betere beginselen eer verlamt dan steunt Aldus Prof. Fabius in zijn, pas verschenen. Beginselen en eischen, bl. 67. Immers geheel waar, en goed gezegd ook? Zien we dan toe, dat wij niet gelijk worden aan het „Genootschap", en erger! In dat Genootschap zuchten vele broederen, omdat zijn niet hennen, wat zij overtuigd zijn te moeten. De Heere brenge hen in de vrijheid. Maar zien wij toe, dat wij niet nalaten, wat wij, vrij zijnde, kunnen doen en naar Schrift en ook naar de belijdenis geroepen zijn te doen.
Wij vertrouwen, dat Prof Fabius met dit ons woord zal instemmen.
De heer Dieleman antwoordde' hierop zijdelings door aan den redacteur van de Zeeuwsche Kerkbode mede te deelen, dat hij bij persoonlijk bezoek aan de van kindermoord aangeklaagde vrouw de overtuiging had gekregen, dat zij metterdaad onschuldig was aan het haar ten laste gelegde feit. Het mocht hem gelukken de aangeklaagde vrij te pleiten. Indien ooit, dan bleek dus hier, hoe nobel de taak is van den advokaat, die zorgt, dat de onschuldige niet veroordeeld wordt, omdat de schijn des kwaads tegen hem is. Trouv/ens, de dwaze voorstelling van Prof. Lindeboom, alsof een Nederlandsche rechtbank een werkelijke kindermoordenares zou vrijspreken, alleen omdat een handig advokaat voor haar pleit, oordeelt zich zelf. In Frankrijk moge zulk een krenking van het recht voorkomen, maar onze Nederlandsche rechters staan daarvoor te hoog.
Wat het Amsterdamsche geval aangaat, heeft Mr. Diepenhorst door een ingezonden schrijven aan de Bazuin zich zelf aldus verantwoord:
In het voorlaatste nummer van uw blad verscheen in de rubriek, handelend over de „Volksnooden, " een artikel van L. L. met het verontrustend opschrift: „Moordenaars verdedigd door Gereformeerde advokaten — Mag dit? " Aanleiding tot het aanheffen van dezen alarmkreet vond de schrijver in het feit, dat een tweetal Gereformeerde advokaten moordenaars had verdedigd. Als een lid van dit misdadig duet, zij 't mij vergund enkele bedenkingen tegen den inhoud van dit artikel in te brengen. Beslist noodzakelijk is dit niet. Uw medewerker toch daagt mij niet uit om mijne handelwijze te verduidelijken en te verdedigen. Aan verduidelijking heeft hij geen behoefte, verdediging acht hij onmogelijk en daarom richt hij zich dan ook in zijne verontwaardiging niet allereerst tot mij, maar roept hij de Gerefor meerde pers op om „dezen dwalenden pleit-bezorger tot de orde te roepen" en vraagt hij den Kerkeraad van de Gereformeerde Kerk van Arasterdam ernstig af, of hij „zijne herder lijke zorg betoond heeft tol terechtbrenging van dit dwalend schaap zijner kudde." Eerst wanneer èn pers èn Kerk in deze haren plicht gedaan hebben, zal de rust bij hem weerkeeren. Nu bekruipt mij echter de bange vrees, dat van deze zijde geen voldoening zal worden verschaft en daarom acht ik mij geroepen eene poging aan te wenden aan het geschokt gemoed eenige bevrediging te verschaffen.
Begrijp ik den heer L. L. wel, dan vindt zijne afkeuring over mijn optreden allereerst haren grond in het gansch bijzondere feit, dat door een gereformeerde op verzachting van straf wordt aangedrongen in een geval van doodslag, waarin Gods Woord oplegging van de doodstraf eischt. Het beginsel omtrent de doodstraf, in den Bijbel neergelegd, acht hij hiermede aangerand. Zien wij of voor die bewering eenige
grond bestaat! Op den i4den Mei van dit jaar stond voor de Amsterdamsche rechtbank terecht een lid van de .Gereformeerde Kerk, die beschuldigd werd van doodslag op zijne vrouw gepleegd te hebben. Ik was zijn verdediger en baseerde mijne defensie voornamelijk op het ontbreken van_ opzet, dat ik op goede gronden niet aanwezig achtte. Volgens een arrest van den Hoogen Raad d. d. 16 Februari 1903 kan bij het niet opzettelijk veroorzaken van den dood geen zware mishandeling, den dood tengevolge hebbende, worden ten laste gelegd en mitsdien viel dit feit onder de 3de ahnea van art. 300 van het Wetboek van Strafrecht, waar eene gevangenisstraf van ten hoogste 6 jaren bedreigd wordt. De cfflcier van justhie eischte 6 jaren en daartegenover betoogde ik, dat omstandigheden aanwezig waren, welke de toepassing van dit maximum niet wettigen.
Is met dit optreden nu getornd aan den eisch van Gods Woord, dat bij opzettelijken doodslag de doodstraf eischt? Ware het zoo — ik zou dï eerste zijn die bestraffend optreden van pers en kerkeraad gewettigd achtte. In Genesis 9 vers 6 toch lees ik zoo beslist mogelijk de verordening van de doodstraf als een absoluut gebod, als de instelling van een rechtsinstituut. Wat Prof. Kuyper hieromtrent in zijn „Gemeene gratie" geschreven heeft beaam ik natuurlijk ten volle. En uu weet ik wel dat het volgen van dezen leidsman misschien den heer L. L, niet zal toeschijnen als een sterk voorbehoedmiddel tegen de verkondiging van ketterijen — masr bij de gedachte aan eventueel vermaan van Kerk en pers, stemt mij een beroep op deze autoriteit uiterst kalm. In het „Want God heeft den mensch naar Zijn beeld gemaakt" ligt voor inij de ratio, waarom de moordenaar aan den lijve moet worden gestraft. De aanranding ^ van het beeld Gods in den mensch eischt, ce doodstraf, maar waar in het begrip „aanranding" het opzettelijke der handeling ligt uitgedrukt, mag die eisch slechts bij den opzettelijken doodslag gesteld worden. Ik meen den heer L. L. op dit punt als mijn medestander te kunnen begroeten, want in den aanvang zijner verhandeling, als hij zijne droeve weeklacht uit over onze Regeering, die verklaarde dat van haar geen wederinvoering der doodstraf is te verwachten, sluit hij in den kring der bedroefden slechts hèn in „die naar luid van het Woord Gods, de doodstraf voor den OPZETTE LIJKEN moordenaar als een eisch van Gods gerechtigheid erkennen". Bij goede lezing had de schrijver kunnen zien, dat bestrijding van de_ aanwezigheid van dit opzet hoofdmotief mijner verdediging was en dus had zijn scherpe aanval achterwege kunnen blijven. Ter zake doet dit eigenlijk niets af, want al had in het bespreken geval werkelijk opzet bestaan, dan was nog in geen enkel opzicht te kort gedaan aan het principe, dat Gods woord stelt, door eene verdediging waarin op niet-toepassing van de hoogste straf werd aangedrongen. Immers het is juist het eigenaardig karakter van de doodstraf dat zij eene ondeelbare straf is, waarbij allerlei verzachtende omstandigheden zich niet kunnen doen gelden, terwijl deze wel bij de oplegging van eene vrijheidsstraf kunnen influenceeren.
Ik heb nog een bewaar tegen eene andere gedachte welke in het artikel van uwen medewerker duidelijk doorschemert, en wel deze, dat door een advocaat slechts de verdediging van een onschuldige mag worden aanvaard en dat defensie van den misdadiger goedkeuring van de misdaad in zich houdt. Dat onder het onontwikkeld publiek deze meening gevonden wordt is bekend, maar droevig stemt het te zien hoe zelfs in hooggeleerde kringen dit wanbegrip wordt aangehangen. Veel juister toch dan het nu boven 't artikel van den heer L. L. geplaatste opschrift zou dit den titel kunnen dragen: Moord verdedigd door Gereformeerde advocaten. — Mag dit? Met geen woord wordt er door hem op gewezen, dat in mijn pleidooi verdediging van den misdadiger gepaard ging met een scherpe veroordeeling van de misdaad. Tegenover de gedachte alsof een advocaat zich bezondigt, die eenen schuldige verdedigt, poneer ik de stelling dat juist bij het optreden voor den grootsten misdadiger de heerlijke taak van den verdediger het schitterendst uitkomt. Eene schoon e gedachte is dan ook in onze wetgeving belichaamd, waar zij voor den misdadiger het optreden van een rechtsgeleerd raadsman gebiedt. Hierin flonkert de majesteit van het recht, dat zelfs aan den diepst verdorvenen misdadiger nog bijstand wordt geschonken om zijn daad in het juiste licht te plaatsen. Zoo opgevat, komt eerst recht het „nobile officium" van den advocaat uit, en waar ik dat nobile officium in geen enkel opzicht heb ontwijd, daar krenkt de heftige aanval van den schrijver in hooge mate.
Het beroep op de geciteerde woorden van Prof, Fabius zal wel niet ernstig gemeend zijn. Ik beschouw het als de uiting van een wankelend gemoed, dat reikhalzend uitziet naar de uitspraak van een autoriteit, die zijn meening dekt. Dat van steun van deze zijde geen sprake kan zijn, geloof ik gerust te kunnen beweren. Gelukkig acht ik me te kunnen verwijzen naar de rede van mijnen leermeester op den Universiteitsdag van rSgg te Zwolle gehouden, waarin bij wees op de roeping van den advocaat om „het recht van den cliënt te verdedigen ; en daarin het heilige recht, dat tevenover niemand, ook niet tegenover den kleinste, den meest verachte, den zeer schuldige, mag geschonden worden" (bl, XXXVIII van het verslag).
Ik meen na dit alles te hebben aangetoond hoe ongemotiveerd en onrechtvaardig de heftige aanval van den heer L. L. was. Met een variant op zijn opschrift zou ik kunnen vragen: Een gereformeerd hoogleeraar aan de Theologische School der Gereformeerde Kerken iemand lichtelijk en onverhoord oordeelen of helpen verdoemen — Mag dit ? Ik zou de Gereformeerde Pers kunnen oproepen om dezen onrechtvaardigen en dwalenden criticus „tot de orde te roepen". Ik zou den Kerkeraad van Kampen's Gereformeerde Kerk ernstig op het harte kunnen binden „om zijn herderlijke zorg te betoonen tot terechtbrenging van dit dolend schaap zijner kudde". Ik volg echter in dit alles het exempel van rnijn tegenstander niet en spreekt slechts den wensch iiit, dat de heer L. L. bij het volgen van zijn levensregel: frappez, frappez toujours" meer dan tot dus
verre naast het „fort" ook het „juste" tot zijn recht doe komen.
Terwijl Prof. Fabius, die als getuige in dit geding was opgeroepen, aldus zijn judicium uitsprak:
In het mij toegezonden nummer van De Bazuin van 13 dezer trof ik een stuk aan, onderteekend L. L., en met het opschntt: „Moordenaars verdedigd door Gereformeerde advokaten, mag dit? "
L, L. beantwoordt die vraag ontkennend; meeut dat de Kerk geroepen is tegenover advokaten, die zoo handelen, op te treden, en eindigt dan met, op grond van mijne woorden in beginselen en eischen, dat de Kerk over alle ver houdingen des levens het licht van Gods Woord moet doen schijnen, de verwachting uit te spreken, dat ik zal instemmen met het oordeel door hem geveld.
Tot mijn leedwezen moet ik L. L. in dezen teleurstellen, die naar mij voorkomt, maar al te zeer het bekende woord vergeten heeft, dat het voor goed onderricht noodig is behoorlijk te onderscheiden.
Ik moet zelf beginnen met de vraag, in het opschrift gesteld, zoo beslist mogelijk toestemmend te beantwoorden.
Zonder eenigen twijfel mag een advokaat een moordenaar verdedigen. Zelfs den grootsten schelm. Ja, ik wenschte wel, dat alleen Gereformeerde advokaten zulks deden.
Ofschoon ik dit zeer duidelijk acht, zijn er nog telkens menschen, die daarmee verlegen zitten, daar zij zich eene verkeerde voorstelling maken van de roeping van een advokaat. Deze is zoo schoon. En dit schoone komt niet het minst uit, juist als „hoeren en tollenaars" verdedigd moeten worden. Welke toch is de taak van den advokaat in het strafproces ? Om zijn cliënt tot eiken prijs vrij te pleiten ? Althans tot lederen prijs te trachten de straf zoo licht mogelijk te maken ? Immers neen. Dat is het spi'tbeeld van de hooge en edele taak. Maar, zal men wellicht opmerken, de advokaat, al raag hij van geene oneerlijke middelen gebruik maken, ja juist, omdat hij dat niet raag doen, — kan toch alleen de verdediging op zich nemen van wie hij werkelijk onschuldig acht. Zou dit zoo zijn ? Nog eens: welke is de roe ping van den advokaat ?
Deze nu heeft tot taak te voorkomen, dat iemand veroordeeld wordt, zonder dat alles is aangewend en onder de oogen gezien, wat ten voordeele van den beschuldigde f kit. De advo kaat moet zich beijveren alles, wat nair waarheid de daad en den persoon des beschuldigden ontlast, in het licht te stellen. Ja, de rechtbank zelf moet er prijs op stellen, dat zij kennis draagt van al hetgeen ten gunste des beschuldigden pleit. Dit is het hooge in de rechtspraak, dat geen vonnis wordt geveld, tenzij alles is gezegd, wat van de zijde des beschuldigden gezegd kan worden. Hoe scherper diens advokaat dit doet, — in hoe schooner licht daarna de uitspraak komt, die niet mag rusten op een ongehoord veroordeelen, een wegmoffelen, een verzwijgen van wat van de zijde des gedaagden zou kunnen worden aangevoerd.
Er zijn soms gevallen, dat letterlijk niets ten gunste des beschuldigden kan worden ingebracht. Welnu, juist dan zie ik het liefst den advokaat, die zijn beroep het ernstigst opvat, steeds in het besef verkeert, dat het gaat om heilig recht. Deze zal in dat geval zeker niet veel anders doen, dan, gelijk in dergelijke omstandigheden gebruikelijk is: den beschuldigde aanbevelen in des rechters clementie.
Maar, zegt L. L., in de hoofdstad is een geval voorgekomen, dat een Gereformeerd advokaat heeft aangedrongen op lager straf dan het O. M. tegen den moordenaar had geëischt, terwijl de rechtbank in hare uitspraak zelfs twee jaar meer heeft gegeven dan het O. M. had voorgesteld.
Eilieve, wat bewijst dit ? Dat de rechtbank gelijk had ? Waarom ? Omdat deze de zwaarste straf nam ? Is die dan altijd de juiste ?
Tot de taak van den advokaat behoort ook te voorkomen, dat iemand zwaarder gestraft wordt, dan hij verdiend heeft. En al is een menschenleven vernietigd, dan is er immers nog vehrlei verschil van straf mogelijk. Moord en doodslag, het handelen met voorbedachten rade en het handelen zonder voorbedachten rade, mogen niet gelijk worden behandeld.
Dat leert Gods Woord juist. EQ als de advo kaat meent, dat er alleen doodslag was, terwijl het O, M. het aangiet voor moord, dan moet hij desnoods worstelen tegen het O, M., met alle kracht lager straf vragen dan het O. M. eischt. In naam van het heilige recht. Osrereen komstig onze %'ixz.lv^ti. Naar het Woord van God
L. L. heeft echter nog een ander geval. Elders, te Middelburg, zou eene kindermoorde nares verdedigd zijn door een Gereformeerden advokaat, met het gevolg, dat zijne cliënt is vrijgesproken. L. L. kan het bijna niet gelooven.
Dit zoude zeker een vreemd geval zijn, dat eene kindermoordenares is z'r^'gesproken. Het zou eenerzijds vaststaan, dat de vrouw een moord heeft gepleegd, en evenwel was zij vrijgesproken
Ik zou wel met zekerheid durven zeggen, dat dit geval zich niet heeft voorgedaan. Kan het ook eenigszins anders zijn ? En mis schien weder eene onderscheiding verwaarloosd zijn, die toch van gewicht is ?
Niemand mag veroordeeld worden. — ook dit staat toch wel vast, — tenzij voldoende betoijzen van de schuld geleverd zijn. Eene veroordeeling zonder zoodanige gronden, bloot op subjectieve overtuiging, raag gelukkig in Neder land niet plaats hebben. Wanneer dus een advokaat van oordeel is, dat het O. M. geene voldoende gronden voor de schuldig-verklaring weet aan te brengen, is het de roeping van den advokaat met alle macht de veroordeeling te betwisten. In naam van het recht, van het heilige recht.
Ook aan den snoodste, ook aan den meest schuldige, ook „aan hoeren en tollenaren" zal toch geen onrecht geschieden. Dit is juist het edele in de taak van den advokaat, dat de persoon voor hem wegvalt; dat hij pleit voor het recht alleen; dat hij tegen het onrecht opkomt, even goed, even warm, wanneer daardoor een boosdoener bedreigd wordt, als wanneer het geldt den vlekkeloos onschuldige. Ja wellicht heeft de eerste het nog meer noodig dan de laatste.
Het komt mij inderdaad voor, dat L. L zeer gewichtige onderscheidingen heeft uit het oog verloren, en daardoor tot geheel onjuiste conclusie kwam. En waar op deze wijze advokaten van Gereformeerde belijdenis zijn beschul digd van zoo verkeerde dingen te doen, geloof ik wel, dat ook hieruit blijkt, hoe gevaarlijk het is op zoodanige wijze te werk te gaan. Uit het voorafgaande volgt tevens, hoe ik denk over de opmerking, dat hier de Kerk eene roeping heeft te vervullen.
Waar van geen kwaad hoegenaamd bleek, is dit reeds moeilijk. Ook kan de Kerk toch niet de rechterlijke vonnissen gaan beoordeelen, en zelve beslissen, bijv. of er in zeker geval moord dan wel doodslag was. Js, al ging de Kerk eens op zoo verkeerd spoor, en kwam zij tot het besluit in eenig geval, dat daar moord had plaats gehad — zou dan daarmee bewezen zijn, dat de advokaat, die doodslag had gepleit, niet alleen ongelijk had, maar zelfs te kwader trouw was ? Mijne uitspraak, dat de Kerk ovor alle verhoudingen des levens liet. licht van Gods Woord moet doen schijnen, — beteekent niet, dat de Kerk van God de gave heeft, om in alle ge vallen des levens een oordeel te vellen.
Ons dunkt, dat met dit antwoord de zaak is afgedaan en Prof. Lindeboom wijs zal doen met te erkennen, dat hij door zijn onrechtvaardige critiek aan den eisch der broederlijke liefde te kort deed.
Dwalen is menschelijk, maar te volharden in de dwaling nadat men beter is ingelicht, zou de schuld slechts te zwaarder maken. Prof. Lindeboom heeft volkomen gelijk, d.-3.X geen advokaat — Gereformeerd of nie Gereformeerd doet hier niets ter zake — een pleitrede mag houden om zijn cliënt van schuld vrij te pleiten, wanneer hij voor zich zelf de vaste overtuiging bezit, dat de aangeklaagde wel schuldig is en de aangevoerde bewijzen die schuld juridisch zeker maken. Daarover bestaat onder Gereformeerden geen geschil.
Maar Prof. Lindeboom vergat twee dingen. Vooreerst, om • bij de betrokken advokaten vooraf inlichting te vragen, of hun pleidooi geschied was tegen beter weten in, dan wel omdat naar hun overtuiging de aanklacht onjuist of de gevraagde straf te zwaar was. Daardoor was zijn publiek oordeel lichtvaardig.
En ten tweede vergat hij, gelijk Prof Fabius volkomen terecht opmerkt, dat het de roeping van den advokaat is zelfs bij den diepst schuldige nog te wijzen op hetgeen tot zijn verschooning strekken kan, juist opdat de rechter een rechtvaardig vonnis zou kunnen vellen.
Prof. Lindeboom toonde daarmede de eerste beginselen van het recht niet te kennen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 6 december 1903
De Heraut | 4 Pagina's