Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Rookt aan zijn net.”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Rookt aan zijn net.”

8 minuten leestijd

Daarom offert liij aan jijn garen, en rookt aan zijn net; want door deze is zijn deel vet geworden, en zijne spijze smoutig. Habakuk 1 : i6.

Wie rookt niet aan zijn net ? ... Of liever... zij eerst herinnerd, wat rooken aan zijn net beteekent.

De visscher is een schoon, teekenend beeld van schier geheel 'smenschen handeling in deze wereld. Een beeld zóó schoon, dat Jezus ze'f het op zijn discipelen toepaste. Dusver waren ze visschers op het meer geweest, hij zou ze visschers van menschen maken. Dientengevolge is zelfs het laatste oordeel ons door de bekende gelijkenis in een voorval uit het visschersleven geteekend. Na de vangst wordt de gevangen visch gesorteerd, en de goede visch wordt in de vaten opgeborgen, de kwade visch werpt men weg.

En de vergelijking is treffend. Als een zee, als een bruisende oceaan ligt de wereld om ons. Indrukwekkend is het, liaar aan te zien, en al heeft ze oogenblikken, dat ze, door heftigen storm opgejaagd, ons vrees inboezemt, die wereldzee van het leven heeft tocli ook haar dagen, dat ze ons zoo onweerstaanbaar boeit en trekt.

Doch haar eigenlijk leven verbergt ze. Wat we zien is een spiegel, is de oppervlakte, maar het eigenlijke leven schuilt daaronder. In die diepte slib en ondier, maar ook in die diepte een schat van visch en zeewier, van koraalrif en van parelschelpen.

En naar dien schat gaat de begeerte uit. Aldus aan het strand der zee vol waters de begeerte van den visscher, en bij de menschenzee de begeerte van wie zielen redden wil ten eeuwigen leven.

Aldus het beel 1, ons door Jezus geteekend. Maar ditzelfde beeld is eveneens van toepassing op de ongeestelijke begeerte van de hebzucht en de zelfzucht, van de zucht naar macht, geld en genieting.

Ook die zondige begeerte zoekt haar vol­ doening in de wereld der menschen. En ook voor haar ligt die menschenwereld als een onmetelijke oceaan uitgespreid. En ook zij waagt zich op die zee van het leven, om uit haar diepte te bemachtigen wat ze voor eigen voldoening begeert.

Is zoo dit beeld van den visscher op bijna heel ons menschelijk leven toepasselijk, dan is het f, een wonder, dat dit beeld in de Schrift ook in zijn verdere trekken en deelen wordt uitgewerkt.

De visscher vischt op zee meest met zijn net. Dat laat hij ledig neer in de diepte, en haalt het met visch rijk of armelijk gevuld uit de diepte der zee weer op.

In zijn net ligt zijn kracht. Met dit net bereikt hij zijn doel. En zoo werd voor Habakuk dat net beeld en saamvatting van alle middelen, door den mensch aangewend, om zijn schat uit de zee van het leven meester te worden.

En dat net noemt hij met voorliefde ook zijn tjaven. Want dat juist is het treffende van het beeld, dat de visscher zijn net breit en boet uit zoo fijn en nietig garen, en toch 7ich daarmee zoo machtig vangmiddel bereidt. En zoo ook is het in het leven. De begeerte, de zelfzucht, de hebzucht, ze werken meest met kleine middelen. Die kleine middelen weeft ze sluw in elkander. En met dit garen van haar vinding maakt ze zich meester van wat ze beoogt.

Zoo doen het de listigen in het klein, zoo doen het de machtigen der aarde in het groot. En als dan de vangst gelukt is, dan roemen ze in hun slimheid, in hun handigheid, in hun vernuftig bedenken, kortom in het garen dat ze zoo fijn sponnen en knoopten. Of nog korter gezegd, in hun net.

En terwijl wie God vreest, na het gelukken van zijn bedoelen, dank offert en zijn wierook brandt voor zijn God, gevïn zij aan hun garen de eere, den lof aan het net, dat ze zoo sluw wisten aan te wenden. Of, om het in profetischen stijl te zetten, dan offeren zij dank aan hun garen, en rooken zij aan hun net.

En na deze uitlegging zij de vraag herhaald: Wie rook niet aan zijn net ? Waar vindt ge onder Christen of niêt-Christen den man of de vrouw, die als ze op iets zonnen, en hun toeleg gelukte, niet ingenomen waren met de handige, de doeltreffende wijze, waarop zij het hebben aangelegd, en niet in stilte, bij zich zelf of zelfs in gesprek met anderen, eere en lof gaven aan hun handig gekozen middel, aan hun ten doel leidend beleid.

En onder wat vorm dit nu ook voorkwam, en op wat manier dat zich inkleedde, altoos is en blijft dit een schik hebben in zijn garen, een lust hebben aan het net, dat men in de zee van het leven wierp, en tenslotte een rooken van wierook voor het net van eigen vindingrijkheid, in plaats van een branden van den wierook der dankzegging voor zijn God.

Reeds op school merkt ge cat op onder de kinderen, als de een den ander deloef afsteekt, óf bij het spel beet had, of in heel zijn doen te shm af was. En uit de kinderwereld gaat datzelfde net mee het leven in, bij het meisje, dat met haar garen het hart van den jongen verovert of ook in breeder kring haar behaagzucht bevredigt. Bij den jongen man, die zich handig een positie verovert. Bij den man van zaken, die zijn concurrent voorbij weet te komen. Bij den geleerde, die een ander schaakmat zet. Bij den speculant die won, wanneer anderen verloren. Bij de partijen in den Staat, die elkander een zetel afvingen. Tot zelfs bij de machtigen der aarde, die volken en landen in hun net weten te vangen.

En zoo kunt ge heel het menschelijk leven door altoos weer het gefluister beluisteren van de handigheid, de vaardigheid, het wijs beleid, de vindingrijkheid, waarmee wie goed vischt zijn net neerlaat daar waar visch zit, en zijn doel bereikt, en daarnaast het geklaag en de taal der teleurstelling van wie wel vischte, maar niet vong.

En als er dan geen tegenwicht in de ziel is, dat den man zijn God doet gedenken, dan valt er, dag bij dag, in lager en hooger kringen, altoos weéi datzelfde te bespeuren; altoos dat roemen in eigen vindingrijkheid en gevatheid. En wat is dit anders dan wat Habakuk noemt het offeren aan zijn garen en het rooken aan zijn net, wat zeggen wil: het geheel leven onder den indruk, dat men dat alles zelf gedaan heeft, en er daarom zich zelf op mag verheffen. Tot zelfs in Gods kerk, bij leeken en leeraars, ziet ge dien trek van het zordig hart gedurig uitkomen.

Men vischte, men vong, en nu krijgt het net, dat men zoo juist uitwierp, en niet God die den visscher zegende, de eere.

En daartegen nu staat de groote, de machtige onderwijzing van Gods Woord, dat niet de zaag die zaagt, maar God die de zaag trekt, het hout van den boom gedeeld heeft.

Wie God vreest, merkt hier dan ook op, en zoo dikwijls de neiging om in zijn net te roemen, bij hem opkomt, en hij er ten deele reeds aan toegaf, keert de vreeze Gods in zijn hart zich tegen dit ijdel bedoelen. Hij ziet het in, dat wel veerkracht en gevat heid hem ten doel hebben geleid, maar ook dat zoo ontzettend veel afhing van allerlei omstan digheden, die niet hij in zijn macht had, maar die zijn God aldus voor hem beschikte.

En zelfs als hij terugkeert tot het indenken van zijn gevatheid en veerkracht, zegt een stille stem van binnen, dat toch niet hij, maar zijn God hem hiervoor den aanleg van zijn geest, den moed op het gegeven oogenblik, de vaardigheid bij het handelen schonk. Meer nog, hij bespeurt bij zichzelven, hoe al wat hij verrichtte, toch niet anders is dan het aandragen van een enkelen steen vo(ir den muur van het grootsche gebouw der dingen, waarvan niet hij, maar alleen zijn God de Bouwmeester en opperste Kunstenaar is.

En nu komt het alles voor hem in heel ander hcht te staan. Hij zelf is nu niets anders dan een middel in Gods hand. een middel dat zijn God beschikte, dat zijn God aangewend heeft, en waarmede God zijn verheven doel bereikt.

Het is nu niet zijti garen, en zijn net, maar de eigenlijke, de groote Visscher is zijn God, en hij niets dan een eind garen, een enkele maas in het groote net, dat God, en niet hij, in de zee van het leven uitwerpt. Hij de zaag, maar zijn God de machtige, die de hand uitstak, om die zaag te trekken. En dan wordt de zonde van het eigen roemen ingezien, de wierook voor het eigen net uitge doofd, en heel zijn ziel glijdt dan ongemerkt over in lofgeving aan en in aanbidding van zijn God en Vader.

Zoo begint ook Gods kind wel telkens met te zondigen, maar hij komt de zonde te boven. Hij ligt er niet onder, hij overwint. En hieraan bekent ge nu de waarachtige broederliefde der Christenen onder elkander. Wie zijn broeder niet liefheeft, legt er een korrelken wierook bij, als hij hem bezig vindt om voor zijn net, in plaats van voor zijn God, te rooken.

Maar wie zijn broeder waarachtig mint, doet zoo niet. Veeleer waarschuwt hij zijn broeder, stil en ernstig, en bluscht hem niet de wierookschaal, maar trekt weg het net dat verlokte, en maant hem om zijn wierook te branden alleen voor zijn God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 januari 1904

De Heraut | 4 Pagina's

„Rookt aan zijn net.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 januari 1904

De Heraut | 4 Pagina's