„Uit de diepte.”
Uit de diepten roep ik tot U, o Heere. Psalm 130 : I.
Ook de zee van het leven heeft haar diepten en heeft haar oppervlakte.
Die tegenstelling tusschen hetgeen aan de oppervlakte uitkomt en in de diepte er onder plaats grijpt, beheerscht zelfs heel ons leven. Er is oppervlakkige en er is diepere kennis. Er is een leven aan de oppervlakte van ons hart en een leven in de diepte onzer ziel. Er is een schoon dat uitkomt en het oog boeit, maar er is ook een schoon dat schuilt in de verborgen diepte van het gemoed. Er is het opper vlakkige dat afstoot, en er is het diepzinnige dat vermoeit. Maar al kan er in beide overdiijving zijn, het gemeene oordeel is en blijft toch, dat het tegen u getuigt als er diepte in u gemist wordt, en uw leven meer Fpeelt op de oppervlakte, dan krachtig en zeker m de diepte gevoeld, doorvorscht en doorworsteld wordt.
En toch, van nature trekt de oppervlakte meer aan, en heeft de diepte iels dat af schrikt. Spelevaren op den spiegel der wateren ontspant en verkwikt; wegduiken in de diepte der golven ontstelt. De zucht naar het geheimzinnige kan er toe verlokken, jacht op winst den parelvisscher er lust in geven, of ook de geoefende zwemmer moge er bevred ging v.oor zijn moed in vinden; maar op zichzelf tilt de dra, ng onzer natuur ons naar de opper vlakte en neigen we er toe, het diepe te ontvlieden.
Zoo is het op de wateren, en niet anders is het in overdtachtelijken zin. Diep indringen stoot de anders leergierige jeugd af. Klare, heldere voorstelling aan het oppervlak der dingen boeit haar. Diep indringen in het leven kost moeite, vergt rustelooze inspanning, en eindigt met af te matten, en althans de groote menigte ziet zich die inspanning liefst gespaard.
Zelfs bij het werkelijke leven gaat dit door. Gelukskinderen, wien het leven voor den wind gaat, weten van geen uitwerpen van het dieplood, en vermeien zich meest in aan licht zinnigheid en luchthartigheid grenzende oppervlakkigheden. En over de groote massa genomen, zijn het bijna uitsluitend de met leed en droefenis overstelpten die bij elk woord u toonen, hoe ze aan de diepte van het leven gewend zijn.
Niet zelden merkt ge dit tot aan eenzelfden persoon, die eerst jarenlang bij zonneschijn zijn weg bewandelde, en daarna de jaren van tegenspoed zag komen, hoe de eerst ondiepe gemoedsstemming zich ongemerkt en vanzelf voor de diepere vraagstukken van het leven ontsloot.
Dit is iets zondigs in ons.
Wie kerngezond in de ziel ware, zou, levende in de oppervlakte, den saamhang van zijn leven met de diepten die er onder zijn, geen oogenblik kunnen vergeten; maar, zondig als we zijn, zou zonder droefenis en ellende, ons leven in oppervlakkigheid zichzelf vernietigen.
En daarom is het de trouw en de liefde, ja, de genade van onzen Vader die in de hemelen is, dat Hij juist zijn liefste kinderen het meest en het langdurigst kastijdt.
Juist die kastijding toch dwingt en noodzaakt hen, in de diepte des levens-af te dalen, en het is juist „-uit die diepte" dat ze leeren roepen tot hun God.
Eerst in die diepte nu wordt ook de zonde gekend.
Zoo toont het ons de historie der volkeren, en de historie der enkele personen.
Niet alleen onder de Christen-natiën, maar ook onder de heidensche volken is in som mige perioden van het volksbestaan het drukkende besef van schuld en zonde machtig opgeleefd. Uit dichtstukken die overbleven, blijkt ons, hoe bang de dorst naar verzoening en verlossing ook onder de heidenen zich uiten kon. En als ge in de historie der Christennatiën teruggaat, merkt ge evenzoo, hoe ze in tijden van algemeen diepgaanden nood den angel weer in de conscientie voelden steken, om straks daarna, in dagen van voorspoed, schier aan alle diepgaand schuldbesef af te sterven.
In de i6e eeuw was de nood algemeen, en hoe diep is niet de toon der bede om verzoening die uit het hart van een Luther in zijn eerste worsteling u tegenklinkt, en wat weerklank heeft dit schreien om schuldvergiffenis destijds niet in heel Europa gevonden.
Ook na de angsten, waarin Napoleons dwangzucht ons werelddeel wierp, viel in het opko mend Reveil nogmaals gelijke toon, zij het ook minder diep, te beluisteren.
En men kan er zeker van zijn, dat, keert gelijke onderstbovenkeering der dingen in ons werelddeel terug, nogmaals die toon van het schuldbesef, die dorst naar verzoening tot God zal schreien.
Maar even stellig moet erkend, dat de onge kende voorspoed en welvaart, waarin Europa zich de laatste halve eeuw mocht verheugen, den toon van het schuldbesef heeft doen dalen. Na persoonlijken val in stuitende zonde moge er persoonlijk, hier en daar, een machtig opwaken van het schuldbesef uit de conscientie op komen, een macht in het gemeene leven is het diep voor God in schuld en zonde wegzinken, thans niet.
Niet, dat de noodzakelijkheid van schuldvergiffenis ontkend wordt; niet dat men uit het Onze Vader de bede „vergeef ons onze schul den", weglaat; niet, dat er geen woorden om vergiffenis en kwijtschelding meer over de lippen komen; maar er zit geen drijven van den geest meer achter; er spreekt geen onweerstaanbare drang van de conscientie meer in. In het Onze Vader is de bede om vergiffenis door Jezus rechtstreeks gebonden aan de bede om ons brood. Jezus wil, dat we eiken morgen en eiken avond even sterk, even machtig, de behoefte om vergiffenis, als den honger naar ons brood zullen gevoelen. En juist dat heeft uit. Of liever nog, zooals de rijke man bijna nooit uit honger om brood bidt, zoo ook bidt en smeekt de zelfgenoegzame menigte bijna nooit meer, uit dorst en uit honger naar recht vaardigmaking, om de vergiffenis van zonde.
Als de Dood voor het venster slaat, en bij ons wil inklimmen, komt de bede om genade soms met luider toon over de lippen; maar in den gewonen roes van het leven, spreekt de schreiende nood van het menschelijk hart niet meer.
En dal nu vervalscht den band, die ons aan Christus bindt.
Ook buiten onzen engeren kring is men voor den hoogheiligen persoon van den Christus nog wel met stillen eerbied vervuld. Maar die eerbied richt zich zoo goed als uitsluitend op de macht ^an zijn voorbeeld. Het is niet de Christus
Gods, maar de Rabbi yan Nazareth, voor wien men zijn wierook ontsteekt.
En, helaas, onder veel belijdende Christenen is het niet beter.
Zeker, zij vereeren den Christus niet alleen, maar aanbidden hem als hun Heera en hun God. Maar die aanbidding ontleent zijn drang bijna uitsluitend aan den dorst naar een heiliger leven. Ze begeeren de heilige invloeden in te drinken, die van Jezus persoon en leven uitgaan. Ze voelen, ze erkennen, dat ze den heiligen levenstoon, waarnaar het hart dorst, alleen uit en door Jezus ontvangen kunnen, en het is hierop dat in de lectuur en in de predicatie, die men in deze kringen zoekt, schier uitsluitend de kracht van het woord gericht wordt.
Toch is het met de Schrift voor oogen klaar, dat niet dit in de geheel eenige verschijning van den Christus op den voorgrond staat. Het Kruis van Golgotha is het eindpunt, waarin Jezus' geheele leven zich saamtrekt, en alleen het bloed „dat vergoten wordt tot vergeving der zonde", biedt u den sleutel om het mysterie van zijn zending tot deze wereld te verstaan.
Zonder onderscheid wijst elk der Apostelen er u op, dat Goël, Verzoener, Verlosser van zondaren te zijn, de prijs is, dien uw Heiland door zijn leven en sterven voor u heeft verworven.
De band aan Jezus kan daarom niet de door God gewilde zijn, zoo ge niet in de eerste plaats de verzoening door het bloed des Kruises aangrijpt, en niet uit eeuwigen dank voor de om niet verworven genade, hem in heiligmaking uw leven toewijdt.
En dal nu juist is u, zoo ge niet begint met in de diepte van uw wezen en in de diepte des levens in te dalen, onmogelijk.
Misleid uzelven en anderen niet.
Uw gewone leven maakt op u niet den indruk van een zondig leven. Zoo genade u bewaart voor sprekende, in het oog loopende zonde, geldt ge voor u zelf en in anderer oog a!s een zedelijk, vroom persoon. Er zijn kleine tekortkomingen. Er is zelfverwijt over een te haastig of te driftig woord. Ge voelt, dat ge in liefde en deernis te kort schiet. Dat ge u te hoog gevoelt. Dat ge te veel nog aan macht en bezit gehecht zijl. Maar dat alles werpt u niet neer in dat diepe, hartverscheurende en zielver terende schuldbesef, dat ge dorst en hongert naar vergiffenis.
En dit kan ook niet, want in die oppervlakte van het leven kan de diepte van zonde nooit gekend worden.
Diepgaand schuldbesef is een gewaarwording die noch uil indenken noch uit nadenken opkomt maai' die alleen opwelt uit een hart, dat door den Heiligen Geest geraakt wordt, door den Heiligen Geest in de diepte wordt getrokken, in die diepte met Gods onkreukbare heiligheid in aanraking komt, en u zoo uw zonde en de zonde der wereld, waaraan ge deel hebt, doet zien, niet van uw conscientie uit, maar met het oog, waarmee God zelf de zonde beziet en bezien moet. En dan schrikt de ziel, ook al is er in heel uw leven nooit één overweldigende zonde voorgekomen.
Dan beeft het hart in uw boezem, bij dat licht van Gods oog ontdekkend, hoe ge nog nooit begrepen hadt, wat allen wortel des levens verkankerende macht de zonde in Gods schep ping is geworden.
Dan komt voor hel eerst de haat tegen de zonde in uw zelfbesef op, en die haat klimt in u met elk klimmen van de liefde voor uw God in uw binnenste.
En in die diepte weggezonken, verstaat ge het, hoe er ook voor u, die in die zonde bevangen zit, geen vrede en geen eeuwig leven zijn kan, zoo niet het offer in Christus ook voor u is gebracht en door u is aangegrepen. Het e profundis!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 6 maart 1904
De Heraut | 4 Pagina's