Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Zijn bolk en de schapen zijner weide.”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Zijn bolk en de schapen zijner weide.”

8 minuten leestijd

Weet dat de Heere is God. Hij heeft ons gemaakt (en niet wij) zijn volk en de schapen zijner weide. Psalm 100 : 3.,

Niets is in ons nationale leven zoo pijnlijk als de schifting, afscheiding en scheuring, die door het doprbreken van het geloof in iemands hart wordt teweeggebracht.

Bij halfgeloof, schijngeloof en nagepraatgeloof bestaat hier geen gevaar voor. Maar breekt het echte, uit God in de ziel gewelde geloof krachtdadig door, zoodat het heel den persoon omzet en overmeestert en heel den stroom van zijn leven in andere bedding leidt dan komt er noodzakelijk breuke met wat vroeger aansloot, en aansluiting bij wat dusver vreemd was.

Bij enkele schifting kan het zelfs niet blijven. Het komt tot afscheiding. En, is het zoover, dan hoort er niet veel meer toe, of het komt tot scheuring. Tot scheuring tusschen hen die eentrzijds voor den Christus als hun Heere en God in heilige verrukking neerknielen, en tusichen hen anderzijds, die de zaligheid van Golgotha niet kennen.

„Ik ben niet gekomen om vrede op aarde te brengen, maar het zwaard", dus luidt de scherpe waarheid, waarmee Jezus zelf dit pijn lijk gevolg van het echte geloof teekende, en zijn apostelen trekken elk op hun wijs een lijn dwars door het leven tusschen Ammi en Lo ammi, die de zekerheid der breuke niet als tijdelijk noch als bijkomstig aanduidt, maar bestendigt tot aan de wederkomst des Heeren.

Bij elke natie, waar de heilige Doop binnen drong en een deel van het volk Jezus aannam en een ander deel van 't zelfde volk Jezus bleef verwerpen, ontstond eerst de tegenstelling tusschen wie tot de Kerk van Christus be hoorde en er niet toe behoorde, en daarna, toen de wereld in de kerk zelve binnensloop, de nog veel pijnlijker tegenstelling tusschen naam Christenen en wezenlijke Christenen.

En juist dit wordt het pijnlijkst. In den boezem van eenzelfde natie leidt reeds de tegenstelling tusschen een deel dat wel, en een deel dat niet tot de kerk behoort, vaak tot harden strijd, maar tot een strijd die minder persoonlijk is, omdat de kerk uitwendig herkenbaar staat, en de strijd dan gaat tegen de geestelijke instelling en tegen geheel de menigte die tot deze instelling behoort.

Maar verslapt in de kerk zelve het geloof, zoodat van lieverlede ook de onbekeerde menigte zich in de kerk zelve nestelt, haar als geheel verzwakt, en in de kerk den hoogen toon komt voeren, dan neemt de scheiding een geheel anderen vorm aan. Dan komen in de kerk zelve allengs geloovigen en ongeloovigen tegenover elkander te staan; dan wordt het persoonlijke keur; het optreden van een geestelijke groep, die zich van de groote menigte afscheidt, en die ten slotte, als groep zich vereenigend, optreedt met de bewering, van het volk des Heeren en de schapen zijner wtide te zijn.

En op zichzelf kan dit ook niet anders. De Schrift dringt er toe. Alle valsche, vermenging is den Heere een gruwel.

Het jammerlijke is maar, dat hierbij bijna onmiddellijk de willekeur van eigen keur insluipt; dat onder deze eigen-keurders de keurmeesters zichzelven opwerpen, en dat de scheiding, die nooit anders dan vrucht van kerkelijke tucht moest zijn, nu in handen komt van wie zichzelf opwierp en geestelijk durft.

Het geroep: „ Wij zijn het volk", gaat dan uit meer dan één hoek tegelijk op. Elke groep poogt voor zichzelve beslag op den heiligen titel van „ Volk des Heeren" te leggen. En het gevolg is, dat de strijd zich niet meer tegen zonde, ongeloof en wereld, maar van de ééne groep tegen de andere keert; dat het heiligste een belaching en spotbeeld van de wereld wordt; en dat wie teederder van zin is, zich gekwetst en geërgerd gevoelt door den hoogheidswaanzin, die in dat spelen met den naam van „ Volk des Heeren' de massa vergiftigt en bederft.

Andere Christenen, die zich hieraan ergeren, treden hiertegen dan weer met een gansch onhoudbaar oordeel op.

Omdat in die zich almeer splijtende en elkaar met giftigen haat bestrijdende kringen de eere naam van „Volk des Heeren" in het slijk wordt vertreden, veroordeelen zij het gebruik van dien naam zelven; geven de heerlijke waarheid die in dien naam schuilt, in verbolgen gemoedsstemming prijs; beweren dat ieder Christen genoeg moet hebben aan zijn persoonlijke positie; en zijn er op uit, om veel meer aan de conscientie der wereld, dan aan de conscientie van het belijdend deel des volks zich aan te bevelen.

Zoo lijdt de zaak des Heereu, zoo lijdt het Koninkrijk Gods onder ons, van twee kanten tegelijk schade, en terwijl we tegenover de reuzen macht van ongeloof, zonde en wereld, ja, van satan, ons nauwelijks met vereende krachten kunnen staande houden, versplinteren we de kleine kracht die wij nog hebben, en doen de goede reuke van het Evangelie verflauwen.

Er is dan geen imponeerende geestelijke macht meer, die in heilige liefde verbonden, de hongerende ziel aantrekt, maar men biedt een schouwspel aan de wereld dat door geestelijke dorheid, door kleinzielig azen op het onbeduidende, en door vruchteloos onderling woelen tegelijk verbazing en minachting wekt.

En dit alles, wat toont het anders, dan dat de genade des Geestes en der gebeden verslapt is; dat de stroom van het geestelijk leven bezig is te verzanden; dat de band aan Christus niet dan zwakkelijk trekt; en dat onder de belijders van Christus zelve de zonde te machtig en het geloof te zwak werkt.

Een kwaad, waartegen het niet helpt, of ge u al terugtrekt op het terrein der barmhartigheid; want hoe rijk en hartverheffend die arbeid ook zij, toch ligt de principieele kracht van het Evangelie nooit in de barmhartigheid die wij aan anderen bewijzen, maar blijft ze altoos liggen in de barmhartigheid die aan ons door God is geschied; d. w. z. in het Kruis van Golgotha, in het zoenoffer, dat aan dat Kruis volbracht is, en in het geloof, dat dit zoenoflfer belijdt, aangrijpt en zich toeeigent.

„Schapen zijner weide", worde dan ook niet misverstaan. Dit vriendelijke beeld doelt niet op een herder die schapen houdt, en nu voor die schapen weide zoekt, maar omgekeerd op een eigenaar van de weide, die schapen inkoopt, om van zijn weide het profijt te trekken. G»ok in ons land, al staat bij ons het rund meer dan 't schaap op den voorgrond, is dit nog zoo.

Een landbouwer heeft land in gebruik, en is een deel daarvan weiland, dan koopt hij rundvee om dit weiland af te grazen, en zoo van zijn land de vrucht te trekken.

De schapen komen er om de weide, niet de weide komt er om de schapen.

Jezus komt om liet Koninkrijk Gods te ontsluiten, en naar dit Koninkrijk de geloovigen te lokken. Steeds staat in zijn prediking dit Koninkrijk op den voorgrond. Dit Koninkrijk is er, en dat Koninkrijk moet bevolkt worden. En dat Koninkrijk nu is de weide, waar de Herder zijn schapen heenleidt.

En dit nu juist keert men thans om. Men stelt de schapen op den voorgrond, en beeldt zich nu in, dat de weide er slechts bijkomt, om de schapen er in te laten grazen. Doch let er nu op, dat er staat: „de schapen zijner weide". Dat is de tegenstelling. Er is tweeërlei weide. Er is een v/eide, waarover de wereld beschikt, en er is een geheel andere die God noemt: Z, ijn weide, en die weide van God is het Koninkrijk der hemelen. Eerst nu zijn alle schapen in de weide der wereld, en is de weide des Heeren leeg. En nu roept God en trekt uit de weide der wereld de schapen, die Hij zich ten eigendom kocht, naar zijn weide. Ze gaan uit het Koninkrijk der wereld over in het Koninkrijk van den Zoon zijner liefde.

En juist dit voorbij te zien, is de oorzaak van onze geestelijke ellende. Wie weet dat hij van de weide der wereld overgaat op de weide des Heeren, voelt terstond en vanzelf zijn eenheid en zijn aansluiting met al de „schapen zijner weide". Alle hooghed valt weg. Niet hij is de hoofdpersoon voor wien weide gezocht en besteld wordt. Veeleer omgekeerd, gaat het alleen om God, opdat zijn weide niet ledig blijve, maar Hij uit zijn weide die winste aan eere en aanbidding trekke, die Hem toekomt.

Juist dus heel omgekeerd. Niet wij het doel, en de weide het middel; maar de weide, het Koninkrijk der hemelen, het doel, en wij het middel, om dat Koninkrijk, om die weide aan haar hooge en heerlijke be stemming voor de verheerlijking van Gods naam te doen beantwoorden.

Stelt ge de geloovigen op den voorgrond, en is de weide bijzaak, dan neigt elke groep geloovigen er toe, om een eigen weide te zoeken, en die af te palen naar eigen lust. Maar weet ge dat het de ééne weide des Heeren is, waar Hij, als een trouw Herder, de schapen heenleidt, dan valt eigen keur en willekeur weg; dan gaat ge op in het geheel; dan is niet uw zaligheid, maar de eere Gods hoofdzaak en hoofddoel; en dan wint ge deze twee, èn dat ge eenheid en niet tweedracht najaagt, èn dat ge niet eigen verheffing, maar verheffing van het Koninkrijk Gods zoekt.

Daarom moet die valsche voorstelling met wortel en tak worden uitgeroeid. Het is een geestelijk egoïsme, dat zich tegenover de zake Gods wil doen gelden, en daardoor het Evangelie zelf vervalscht. Zoo terecht zagen onze vaderen dat in, als ze zoo volstandig weigerden de zaligheid der menschen op den voorgrond te plaatsen, en steeds voorop stelden: de glorie onzes Gods!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 maart 1904

De Heraut | 4 Pagina's

„Zijn bolk en de schapen zijner weide.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 maart 1904

De Heraut | 4 Pagina's