De wetenschap.
Een tweetal ontdekkingen uit den jongsten tijd toonen, hoe uiterst voorzichtig men moet wezen met wat men zoo vaak de vast.staande resultaten der wetenschap noemt.
In waardeering voor de kostelijke gave, die God in de wetenschap aan den mensch schonk, wenschen wij voor niemand onder te doen. Zelfs waar die wetenschap door ongeloovige mannen beoefend wordt, dient ze toch haars ondanks tot verheerlijking Gods. En het diepere inzicht, dat vooral de jongere ontwikkeling der wetenschap ons schonk in de verborgen krachten der natuur, de wetten, die haar beheerschen, en den samenhang van de geestelijke en stoffelijke wereld, heeft een verrijking onzer kennis ons gebracht, die niet hoog genoeg kan worden gewaardeerd.
De thans weer met zooveel voorliefde op den voorgrond geschoven stelling, alsof geloof en wetenschap twee vijandige machten zouden zijn, is met het grondbeginsel van het Christendom in strijd, kan voor de rechtbank der historie geen oogenblik worden gehandhaafd en is niets dan een opzettelijke laster, om daarmede de Christelijke Kerk van het terrein der wetenschap te weren. Zelfs het door Mr. Levy zoo gretig aangegrepen woord van den kerkvader Tertullianus Credo quia absurdum: ik geloof omdat het met de rede in strijd is, is nooit bedoeld in dien zin, alsof geloof en wetenschap elkander zouden uitsluiten.
Maar wel weigert de geloovige de resultaten der wetenschap voetstoots te aanvaarden, wanneer die resultaten in strijd zijn met de Openbaring, die God in Zijn woord ons schonk. Ook hierbij versta men ons wel. Het is dezelfde God, die daarbuiten in de natuur werkt, Zijn wetten van eeuwigheid heeft vastgesteld, den loop aller dingen beheerscht en die in Zijn Goddelijk Woord de verborgenste diepten van Zijn goddelijk wezeii ons ontsluit, den raad tot behoud van den zondaar ons openbaart, ons zekerheid schenkt voor ons geloof. En zoo zeker als deze God, die in natuur en Schriftuur zich openbaart, niet met Zich-zelf in strijd kan zijn, omdat Hij de waarachtige is, zoo vast staat het ook voor het geloof, dat^de wetenschap, die de schepping Gods onderzoekt en de wetten der natuur naspeurt, ten slotte niets anders kan doen dan bevestigen, wat het Goddelijke Woord ons heeft geopenbaard.
Daarmede wordt geenszins ontkend, dat, ook zonder eenig boos opzet of vijandig bedoelen, schijnbaar strijd kan ontstaan tusschen wetenschap en geloof. Eenerzijds kan de geloovige in het recht verstand van het Woord Gods dwalen en daarom uit dat woord onjuiste gevolgtrekkingen afleiden, die hem met de wetenschap in conflict brengen. Schier heel de Christelijke Kerk heeft aanvankelijk gemeend tegen Copernicus en Galilei's ontdekking, dat de aarde om de zon draait, zich te moeten verzetten, omdat men meende, dat de Schrift het ons anders leerde. Thans is er geen geloovig geleerde, die niet de onjuistheid van dit verzet erkent, maar zonder dat dit aan zijn eerbied voor het gezag der Schrift afbreuk heeft gedaan. Men heeft alleen ingezien, dat de Schrift spreekt over den loop der sterren zooals ieder mensch dien meent tt zien, en dankbaar het rijkere licht aanvaard , dat de wetenschap bracht. De schuld van het conflict lag niet aan dt Schrift, maar aan de onjuiste opvatting der Kerk.
Maar evenzeer als de Christelijke Kerk soms gedwaald heeft in haar uitlegging van den Bijbel, evenzeer hebben de mannen der wetenschap telkens in hun zoeken en tasten naar de waarheid gedwaald, omdat ze de feiten niet genoegzaam kenden, valsche hypothesen opbouwden tot verklaring dier verschijnselen, wetten vaststelden, die niet bestonden. Er is geen onfeilbare Kerk, dat heeft de historie geleerd, maar er is ook geen onfeilbare wetenschap. Heel de geschiedenis der wetenschap legt getuigenis af, dat ook hier de mensch slechts ten deele kent; dat hij alleen door vallen en opstaan vooruitkomt; dat telkens dieper onderzoek aantoont, hoe onvast en onzeker is, wat een vorig geslacht als onwrikbare waarheid had aangenomen. En de Christelijke Kerk heeft volkomen recht, wanneer zij weigert voor elk nieuw resultaat en elke nieuwe hypothese van de wetenschap uit den weg te gaan, waar straks een nog nieuwere wetenschap weer omverstoot, wat de waan van één dag is geweest. Veel meer nog dan de Christelijke Apologetiek is het de wetenschap zelf geweest, die over al deze stelsels en wetten een vernietigend vonnis heeft geveld. De dorst naar waarheid schuilt te diep in het menschelijk hart, om op den duur met de leugen zich tevreden te kunnen stellen. En de mannen, in wier hart de ware liefde tot de wetenschap gevonden wordt, zullen veeleer de beperktheid van onze menschelijke kennis belijden, en erkennen, dat de wetenschap nog bij elk dieper vraagstuk om een antwoord verlegen staat, dan dat zij me6 zullen zingen in het loflied eener onfeilbare wetenschap, die hier op aarde niet wordt gevonden.
Natuurlijk gaat het niet aan, in een weekblad als de Heraut telkens deze nieuwere ontdekkingen te vermelden en haar belang voor heel de wetenschap in het licht te stellen. De meeste dezer ontdekkingen raken vraagstukken, die buiten den gezichtseinder van onze lezers liggen en daarom zonder breedvoerige toelichting niet eens zouden kunnen begrepen worden. Slechts bij uitzondering veroorloven we ons, evenals indertijd bij de ontdekking van Prof. de Vries over de sprongvariatie, die feitelijk de geheele evolutietheorie van Darwin en Haeckel onderstboven werpt, op deze feiten de aandacht te vestigen.
Ook ditmaal bestaat er aanleiding toe, omdat een tweetal ontdekkingen uit den jongsten tijd weer opnieuw hebben aangetoond, hoe uiterst voorzichtig men moet wezen met wat de zoogenaamde wetenschap als vaststaande feiten en wetten decreteert.
• De eerste ontdekking raakt de scheikunde. Vooral deze wetenschap heeft in de afgeloopen eeuw reuzen-vorderingen gemaakt, en men meende reeds zoo diep in het wezen der materie te zijn doorgedrongen, dat de hypothesen dezer wetenschap schier als wetten goldeh en elke beschouwing, die met deze hypothesen in strijd was, als onwetenschappelijk werd gebrandmerkt.
Thans is het aan het echtpaar Curie te Parijs gelukt, na langdurige proefnemingen een element te ontdekken, het radium genoemd, dat de wondere eigenschap bezit voortdurend licht uit te stralen, zonder merkbare vermindering van kracht. De innerlijke werkzaamheid, die dit element ontwikkelt, grenst aan het wonderbaarlijke. Bij zijn lichtstraling scheiden zich kleine deeltjes af, die met de snelheid van 100 000 kilometer in de seconde zich verspreiden, en desniettegenstaande zou het verlies aan gewicht in duizend jaren op één kilogram slechts één miligram bedragen. En niet minder belangrijk is, dat de Engelsche geleerde Ramsay heeft aangetoond, dat bij die lichtuitstraling in de poriën van het radium zich een nieuw element ontwikkelt, het zoogenaamde helium. Van hoe groot belang deze ontdekking voor de practijk zal blijken te zijn, kan eerst de toekomst uitwijzen. Niet alleen dat men in het radium een schier onvergankelijke lichtbron zou bezitten, maar men hoopt, dat blinden daardoor zullen kunnen zien; dat het mogelijk zal zijn de dusver aangenomen elementen te kunnen ontleden; zelfs de oude droom der alchemisten om uit andere grondstoffen goud te kunnen maken, schijnt geen ijdel beeld der fantasie meer. Maar van hooger belang nog voor het vraagstuk der wetenschap zelf is, dat deze ontdekking, gelijk een bekend Duitsch tijdschrift openlijk erkende, „die Grundlagen unserer Chemie über den Haufen wirft", spot met al wat de scheikunde dusver als grondstelling voor haar wetenschap had aangenomen en deze weten schap dwingt tot een geheele herziening van haar uitgangspunt.
Toont dus reeds de ontdekking van het radium, hoe voorzichtig men moet zijn met de zoogenaamde resultaten der wetenschap, niet minder geldt dit ten opzichte van de tweede ontdekking, die de astronomie of sterrekunde raakt.
Een der belangrijkste vragen is, of ook op de andere hemellichamen, men noeme ze zonnen, sterren of planeten, die bij millioenen aan onzen nachtelij ken hemel gezien worden, zich evenals op de aarde wezens bevinden, die met verstand zijn begaafd en op den naam van menschen aanspraak kunnen maken; dan wel of deze hemellichamen uitsluitend dienst doen tot verheerlijking van de Scheppingsmacht Gods, maar niet bestemd zijn om door menschen te worden bewoond.
De Schrift leert ons, dat de aarde geestelijk het middelpunt is van het heelal. Al mag de aarde een der kleinste planeten zijn, die zich beweegt om de zon, terwijl de zon < ielf slechts een onbeteekenende plaats inneemt te midden van de piyriaden sterren, die in het heelal zich bevinden, toch is het alker. op deze aarde dat God menschen schiep naar Zijn beeld; dat Hij Zijn Zoon heeft gezonden om ons vleesch en bloed aan te nemen; dat het lot niet alleen van deze wereld, maar van alle dingen wordt beslist.
Tegen deze voorstelling nu verzet zich de wetenschap. Omdat de aarde schijnbaar aen der kleinste planeten is, die onder de sterren wordt gevonden, weigert men te gelooven, dat alleen deze aarde het hooge voorrecht geniet door menschen te zijn bevolkt. En al is allengs de fantastische voorstelling, alsof alle planeten, die met de aarde om de zon zich bewegen, door wezens van hooger orde zouden zijn bewoond, prijs gegeven, toch zou de ongeloovige weten schap het o zou gaarne willen, das met onomstootelijke bewijzen kon worden aangetoond, dat ook de andere planeten waren bewoond.
Nu zijn de meeste dezer planeten te ver van de aarde verwijderd om zelfs door de scherpste telescopen nauwkeurig te kunnen worden waargenomen. En zelfs de kundigste astronomen erkennen, dat al wat bij gissing zich laat afleiden omtrent de gesteldheid op deze planeten, het hoogst onwaarschijnlijk maakt, dat zelfs de ontwikkeling van eenig organisch leven daar zou worden gevonden. Slechts één planeet, die betrekkelijk dicht bij de aarde zich bevindt en daarom door den telescoop beter kan worden gezien, scheen hier een uitzondering op te maken. Dat was de planeet Mars.
Aan den beroemden astronoom Schiaparelli te Milaan gelukte het nu in 1877, op deze planeet een aantal zeer fijne lijnen waar te nemen, die men als kanalen aanduidde. Evenals op de aarde zag men op dezen planeet aan de beide polen uitgestrekte ijsvelden. Donkere en lichte plekken schenen op zeeën en vast land te wijzen. En waar nu dit vasteland door een reeks van kanalen doorsneden was, die de eigenaardigheid vertoonden, dat zij parallel liepen, daar scheen uit dat feit de conclusie te mogen worden getrokken, dat deze evenwijdig loopende kanalen niet door de natuur, maar door kunst waren ontstaan. Zelfs ging men soms zoover van te meenen, dat deze kanalen de bepaalde bedoeling hadden , om een soort , telegraphisch schrift te vormen, om daardoor gemeenschap met de bewoners van de andere planeten te verkrijgen. Maar ook al gaf men aan dit droombeeld niet toe, dan scheen toch uit het feit van deze kanalen zelf te volgen, dat althans op de planeet Mars krachten aan h^t werk waren, die niet uit de natuur zelfverklaard konden worden; hier had men te doen met den arbeid van wezens, die evenals de mensch met verstand waren begaafd. Het bestaan der Marsbewoners scheen verzekerd.
Thans echter hebben de astronomen Maunders en Evans van de koninklijke sterrewacht te Greenwich aangetoond, dat Schiaparelli zich schromelijk had vergist en deze kanalen niet anders zijn dan een optisch bedrog. Ze gaven aan een aantal leerlingen op school een ronde schijf van enkele duimen doorsnede, waarop dezelfde donkere en lichte plekken als op de planeet Mars waren afgebeeld, om na te teekenen. En nu bleek, dat door een eigenaardig gezichtsbedrog deze knapen van 12— 14 jaren, die nooit een afbeelding van de planeet Mars hadden gezien, diezelfde fijne lijnen of kanalen, die Schiaparelli op Mars meende te ontdekken, op hun papier teekenden. Maunders en Evans leiden uit deze proefneming, die meermalen herhaald werd en altijd hetzelfde resultaat opleverde, de gevolgtrekking af, dat deze kanalen op Mars derhalve niet anders dan een illusie zijn van het oog en dat alle conclusiën, die op het bestaan dezer kanalen gebouwd zijn, daarmede zijn vervallen.
Ook hier blijkt dus weer, hoe voorzichtig men moet zijn met wat in allerlei tweede handsboeken over de wetenschap wordt verkondigd.
Wat als wetenschap zich uitgeeft en tegenover de Heilige Schrift zich stelt, blijkt telkens weer niets dan de waan van een enkelen geleerde te zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 10 april 1904
De Heraut | 4 Pagina's