Uit de Pers.
In de Kroniek wordt nogmaals de meening verdedigd, dat het Calvinisme in de 16e en 17e eeuw aan economische toestanden zijn ontstaan te danken had. Ditmaal met een beroep op Prof. Frui-.i.
Als het toppunt van ongerijmdheid, bereikt in de toepassing van het historisch materialisme, geldt dikwijls een opmerking van Engels over de predestinatieleer van Kalvijn. Zij is, heeft hij gezegd, de godsdienstige uitdrukking van het toen met de ontwikkeling van de nieuwere bedrijfsvormen opko mende besef, dat het succes in zaken niet voornamelijk van iemands eigen ijver en bekwaamheid, maar van ekonomische omstandigheden afhangt, die hij niet kan kontroleeren. Tegen zulke stellingen heeft men gewoonlijk van burgerlijke zij geen andere weerlegging bij de hand, dan een beroep op het vooroordeel van lezers, die zonder nader onderzoek weggooien wat hun vreemd lijkt. En niets vreemder kennen ze, dan een ondersteld verband tusschen maatschappelijke en geestelijke bewegingen. Zoo spraken de geloovigen door alle eeuwen, die het verhaal van Genesis, omtrent de schepping van de aarde, veel mooier vinden dan dat van de natuurkundige wetenschap Wij, voor ons, zeggen er van da', eene opmerking als die over de predesti natie door Engels, niet het laatste maar het eerste woord is van een wetenschappelijke verklaring Dat ze niet verworpen mag worden, noch ook voor onomstootelijk gehouden, zonder nader onderzoek. En dat een poging tot verklaring, zelfs al komt ze niet verder dan het door Engels bij wijze van toe speling gegevene, reeds als zoodanig oneindig hoo ? er staat dan de uitroep van een dwaze verbazing, die tevens te kennen geeft dat men aan de nood zake ijkheid van een verklaring nooit heeft gedacht.
Juist onze moderne, jongere burgergeleerden zijn het die, eensdeels sterk onder den invloed van een leer die zij niet volkomen verstaan, tevens ijverig opkomen voor de rechten van wat zij noemen de idee Dit kan niet anders beteekenen als de door niets te rechtvaardigen zucht, sommige historische verschijnselen — het ontstaan en den inhoud van bepaalde gedachten — te onttrekken aan het weten schappelijk onderzoek. Men mag niet vragen hoe de menschen in den loop der tijden aan hunne ideeën zijn gekomen. Bij de tegenwoordige bourgeoisie is dit een zeer begrijpelijke schroom. De her komst van hare ideeën kan inderdaad geen navraag velen. Zij is een klasse levende van uitbuiting en onderdrukking, en haar hoogste ideëele inspanning kan slechts zijn haar systeem hetzij te verbl e-men, hetzij te vergoelijken. Hoe zouden hare geleerden ooit kunnen toestemmen het wezen van haar gedachten te zoeken in haar maatschappelijke positie, en omgekeerd het wezen van haar positie afteleiden uit haar gedachten?
De jongere burgergeleerden doorgronden de oor zaak van hun eigen afkeer niet, maar nemen haar als bepalend motief van hun kritiek over uit de gedachtensfeer waarin ze zijn grootgebracht. Tenzij men middelen wete te vinden uit die sfeer zich te bevrijden, zal, nu minder dan ooit, een hunner de theorie leeren verstaan en de methode gebrul ken. Toen de burgerlijke klasse nog in haar op komst was, golden do genoemde bezwaren veel minder. De Fransche liberale geschiedschrijvers hebben het ver gebracht in de ontleding van de maatschappelijke motieven van de Revolutie, hun eigen groote klassebeweging. Niet onwaarschijnlijk zat men iets dergelijks vinden bij onze oudere historici over de verheffing van de Nederlandsche bourgeoisie, b.v. in haar klassiek stuk klassenstrijd (tegen de feudale machten), den Tachtigjarigen Oorlog. Het verschil met de jongeren zal dan dit zijn. dat dezen aan wat zij van het Historisch Materialisme begrijpen, een kleiner of grooter recht van bestaan toekennen, terwijl genen als van zelf, in hun streven naar de kennis van de waarheid veel minder dan de eersten belemmerd, historisch materialistisch hebben gedacht en gewerkt In het algemeen zal men in deze richting overal daar gearbeid vinden, waar de schrijver een belang ver tegenwoordigt, dat door de kennis van de waarheid niet geschaad wordt. Dan wordt het onderzoek voortgezet tot op den grond van de dingen, en zoo de oorzaak gevonden in de maatschappelijke verhouding van de menschen onderling en tot de natuur. Zooveel is zeker, dat de Hollandsche geschied kundigen van de 19e eeuw tegenover het verleden van hunne klasse veel vrijer stonden, dan thans die van de 20e staan tegenover haar heden.
Als een bijdrage tot de studie van historischmaterialistische opvattingen bij oud liberale auteurs vestig ik nu de aandacht op een plaats in Fruin's Tien jaren uit den Tachtig-jarigen Oorlog (uitg. 1889 bl. 278/9). Het is een poging tot verklaring van de predestinatieleer — en van hare kritiek — weinig minder stout dan die van Engels. Wil men, dan stouter nog, omdat de Hoogleeraar Fruin tegenover het historisch verschijnsel in het algemeen — den godsdienst — veel minder vrij stond dan zijn tijdgenoot Engels, de representant van een klasse, een integreerend deel van welker geestelijke beschaving de godsdienstloosheid is, heeft geen enkele reden gehad om eerbiedig halt te maken tegenover juist deze ideologie.
Omgekeerd hebben wij alle redenen om iedere ideologie van de burgerij, met haar scherpen kant gekeerd tegen onze propaganda, evengoed van bin nen als van buiten te kennen. Professor Fruin, spre kende namens het deel eener klasse dat den godsdienst in het alge oc een wil behouden, maar dat uit hoofde van zijn [eeuwenlangen strijd tegen onder scheidene kerken, kritisch staat tegenover de godsdiensten in het bijzonder, beeft een vrijenendiepen blik kunnen slaan in het wezen van den grooten geloofsstrijd in het protestantsche Nederland van de door hem beschreven periode. Men weet dat de strijd hoofdzakelijk ging om het leerstuk van de Voorbeschikking, (door de orthodoxen aangehangen, betwijfeld of verworpen door vrijzinnigen en dis senters). Nog voor het einde van de 16e eeuw heeft, gelijk bekend is, de voornamelijk met deze leus gevoerde kerkelijke twist in de pas tot stand ge komen Unie hevige tweedracht doen uitbreken, om in begin van de volgende als de veete van Remonstranten en Kontra-remonstranten op nieuw en feller nog te herleven.
Nu is de zuiver ideologische verklaring (die men overigens bij geen Jernstige geschiedschrijvers geheel zuiver zal vinden) dit, dat een aantal Nederlanders eenmaal wel, en een ander (kleiner) getal eenmaal niet aan de predestinatie verkozen te gelooven, en dit verschil als een voldoende reden beschouwden om elkaar schier op leven en dood te bevechten. Het is hier de plaats niet naar een verklaring te zoeken van deze verdeeldheid, b.v. in de richting door Engels aangeduid. Kontraremonstranten en Remonstranten, lezen we o a. bij Blok en Muller, zijn demokra'.en en aristokraten, aanhangers van een volkspartij en van een regentenklasse. Dit is zeker nog geen historisch-materiatische of volledige verklaring van het godsdienstig-theologisch geschil. Maar het brengt ons toch een heel eind verder. Het geeft te kennen dat wij in de maatschappelijke gesteldheifd van beide groepen te zoeken hebben naar de oorzaken van hun afwijkend geloof. En nu is het juist bij Fruin dat wij die oorzaken nader ontwikkeld vinden. Nader ontwikkeld op een manier velke sommige jongeren, die den mond vol hebben over »historisch-materialisme', bijna een halve eeuw na dato beschaamd kan maken. — Ziehier de geheele passage.
Het leerstuk van de predestinatie is een «hoogst gewichtig stuk." Maar hoe zullen nadenkende Christenen het daarover ooit eens worden? ' Het is een vraag door ieders subjektief gevoel verschillend te beantwoorden. Immers «hangt het vooral van ieders bijzonder karakter af, of hij de zedelijke vrijheid van den mensch dan wel het albestuur van God het diepst gevoelt; geen Christen toch, die een van beide geloofs-artikelen ontkennen kan: de remonstranten en contra-remonstranten verschillen slechts in de verhouding Waarin zij ze vereenigen en in overeenstemming brengen."
Tot zoover, ziet men, blijven wij in de zuivere ideologie, en dus van iedere aannemelijke, begrijpelijke verklaring verstoken. Er is een «gewichtig vraagstuk', en »het hangt vooral van ieders bijzonder karakter af' welke partij hij zal kiezen. Vervolgens, echter, herinnert, als 't ware, de schrijver zich dat er eene a 1 gem e en e r e oorzaak moet zijn die de keuze bepaalt, immers de godsdienstige partijen vallen duidelijk met politieke samen. De regenten zijn »libertijnsch", de gemeente is recht zinnig. »De libertijnen, zegt Fruin, en dus de meer derheid der Hollandsche regenten, gevoelden hun vrijen wil het sterkst, en dachten zich daarom den invloed van Gods albestuur op de daden der men schen niet onwederstaanbaar. De gemeente gevoelde zich vooral door Gods geest gedreven, en achtte haar wilskracht geringer."
Hier, dus, is althans van het gevoelen der eene partij, die der aristokratische bourgeoisie of regentenklasse, de maatschappelijke oorzaak genoemd. Zij waren zelven vrijer, gevoelden zich machtiger, minder afhankelijk direct van eenig Opperwezen. De omschrijving van de positie der andere partij is niet zoo duidelijk. Want de vraag is, «waarom" de lagere klasse zich sterker door «Gods geest gedreven gevoelde'. Naarmate men zich meer aan God onderworpen gevoelt, zal men sterker hechten aan de predestinatie. Het is dus geen verklaring, maar eenvoudig de vertaling van het geval op een andere manier, de overbekende ideologische redeneertrant. Toch zal ons Fruin, in zijn laatsten volzin over het onderwerp, nog iets meer en nog iets beters zeggen. Als de samenvatting van zijn beschouwing zegt hij:
«De leer der remonstranten was geschikt voor «menschen die zich van hun wil en zijn bewegingen «rekenschap pogen te geven; de leer der contra-»remonstranten paste aan de menigte, die haar ))wil bepaald voelt, zonder zich bewust te zijn, door «welke redenen hij geleid wordt".
Inderdaad voelde de menigte haar wil bepaald '.onder precies te weten hoe. De kapitalistisch uitgebuite en verdrukte massa was tot het besef van haar klassepositie nog niet gekomen. Was zij niet fyziek sterker dan de regeerende klasse? In de meeste gevallen wel. Was er gedwongen arbeid als die van slaven; of een verplichte, aan de woonplaats verbonden dienst als die van lijfeigenen? Ondanks dat de fyzieke overmacht bij de volksmassa berustte, en er een vrije loonarbeid heerschte, was nochtans hare onderwerping aan de bourgeoisie volkomen. Daarbij zag men sommigen van de lagere klasse in den oorlog en den niet minder avontuurlijken handel grooten rijkdom en aanzien verwerven. Welke machten hielden dan de arbeidende bevolking in bedwang — als zij vandaag oproer had gemaakt, moest zij zich morgen weer gewonnen geven en aan den arbeid van gisteren gaan — en bepaalden de snelle lotsverwisseling van zooveel individuen als staten en kerken ? De nieuwe economische machten van warenproductie en kapitalisme, die in korten tijd het feudale Europa hadden gerevolutionneerd en ook een nieuwe uitbuiting gevestigd. Nieuwe machten, die het nogmaals eeuwen zou kosten om te doorgronden en die aanvankelijk niet anders konden worden begrepen — door de misdeelden — dan als beschikkingen van een Almacht die bij vóórbeschikkmg alles had bepaald.
Het zou de moeite loonen in de zeer uitgebreide litteratuur sedert het geschrift van Prof. Fruin, te gaan zoeken naar uitwerking of diepere behandeling van wenken als hier gegeven. Waarschijnlijk zou men moeten besluiten, dat in deze veertig jaren de burgerlijke geschiedschrijving niet van haar plaats is gekomen — althans niet in de gewenschte richting.
Natuurlijk is dit beroep op Fruin slechts ten deele gewettigd.
Al erkent Fruin, gelijk elk historicus, dat de economische toestanden meê invloed uitoefenen op geestelijk gebied, daaruit volgt nog niet, dat de idee van de praedestinatie langs historischmaterialistischen weg ontstaan is.
Het afdoende bewijs ligt hierin, dat destrijd over de praedestinatie, begonnen is reeds in den aanvang der Christelijke Kerk tusschen Augustinus en Pelagius.
En tot dusverre heeft nog niemand er van gehoord, dat Augustinus de man van de volkspartij was en Pelagius die der welgestelde regenten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 10 april 1904
De Heraut | 4 Pagina's