Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

8 minuten leestijd

In het Zeeuwsche Kerkblad schrijft _ H. een serie artikelen over lot en spel, waarbij hoofd doel is om te waarschuwen tegen de loterij.

Na in een voorafgaand artikel te hebben aangetoond, waarom loterij in strijd is met de erste tafel der wet, wordt dit nu ook bewezen n opzichte van de tweede tafel:

Loterij is niet alleen in strijd met de eerste tafel an de Wet des Heeren, maar evenzeer met de eede In het achtste gebod verbiedt God den iefstal in het tiende het begeeren. Nu verbiedt od in het achtste gebod, niet alleen dat stelen en ooven hetwelk de Overheid straft; maar Hij noemt ok dieverij alle booze stukken en aanslagen, waarede wij onzes naasten goed denken aan ons te rengen, hetzij met geweld of schijn van recht f door eenig middel van God verboden.

De mensch heeft behoefte aan stoffelijke goedeen. Heel zijn bestaan is aldus ingericht, dat hij eze nooit missen kan. 't Is daarom volstrekt niet erboden een deel van de goederen der aarde aan ns te brengen. Zij zijn er voor. De hemel is des eeren, maar de aarde heeft Hij den menschenkineren gegeven. Het privaatbezit is geen diefstal, elijk het socialisme en communisme beweert.

Alleen maar, bij het streven naar een deel van it aadsche goed hebben wij ons te houden aan de rdinantiën des Heeren. Hij toch heeft den mensch epaalde middelen aan de hand gedaan, waardoor ij zich een bescheiden deel dier goederen kan erwerven. En dat staat voorop, het mag alleen eschieden langs eerlijken., geoorloofden weg.

Het kan op velerlei manier, zoo wij dit maar teeds in het oog houden. Ik noem slechts enkele. aar hebt gij den weg van arbeid. Door dien areid verdient iemand loon. Dat loon is een wettig erdient bezit. Het kan langs den weg van fabri atie; wat ik maak is het naijne, indien ikn.I. over en tijd en de grondstoffen heb te beschikken. rachtens Goddelijk recht is de vrucht van mijn rbeid dan het mijne en in het bezit er van mag k mij verblijden, Wij denken terstond ook aan llen eerlijken handel, aan landbouw en veeteelt, an industrie en nijverheid, — alle geoorloofde mid elen om zich een deel van het aardsche goed te verwerven, of het verworvene op gepaste wijze te vermeerderen.

Bij deze allen is er een natuurlijk verband tus schen den verrichten arbeid en het verkregen goed. De werkman krijgt niet om niet zijn loon, 't is wel erdiend. De handelaar, die eerlijk handelt, moet peinzea en zinnen, om te kunnen concurreeren. Hij verdient zijn brood De fabrikant is bezig den ganschen dag, om zijn fabrikaat soiled en bruikbaar te maken. En of zijn waar aftrek vinden zal, hangt voor een goed deel af van de deugdelijkheid. Ge lukt 't den man \ooruit te komen, dan komt dit onder den zegen des Heeren door zijn vlijt en energie, door zijn wilskracht en bekwaamheid. Dat natuurlijk verband nu tusschen arbeid en bezit is een Goddelijke ordinantie. De Schrift zegt: wie niet werkt zal ook niet eten ; de luiaard zal gescheurde kleeren dragen. «Luilekkerland is een anti-goddelijk verzinsel', en de gebraden duiven vliegen ons niet in den mond. Het is de wille Gods, dat de mensch arbeid geve, arbeid op aller lei wijze, arbeid met het lichaam en arbeid met den geest, voor het stoffelijk goed. Daarin ligt een teugel voor het kwaad Want wat men zuur verdient wordt gewaardeerd.

Is er nu bij het loten zulk een verband tusschen het werpen van het lot en het ontvangen van den pi ijs ? Kan dat nu genoemd worden een verdienen door eerlijken arbeid? Zeker niet. Er heeft wel eenige arbeid plaats, het werpen van de dobbel steenen, het trekken van het lot uit de bus. Maar dat is een arbeid die niets voortbrengt, een arbeid daarom alleen reeds ijdel en zondig. Eer de trek king der Staatsloterij plaats heeft, hebben daar zeker vele menschen arbeid gevonden, maar 't is een arbeid die alleen kracht verslindt, niet pro duceert. Het inlegkapitaal is er geen cent door vermeerderd. Zulke arbeid mag door christenen niet bevorderd worden, t is ijdel, doelloos, zondig werken, misbruik van de krachten ons door God geschonken.

En nu de uitslag. Als de verloting heeft plaats gehad, hebben alle deelnemers even veel of even weinig arbeid verricht, De uitkomst is daaraan niet geëvenredigd. De winners krijgen wat voor hun arbeid, maïr zij krijgen veel te veel. Anderen zijn geheel kwijt wat zij inlegden. De winners ontvangen wat zij niet hebben verdiend. En wie wordt dat ontnomen? Van zelf aan de verliezers, die precies even veel of even weinig gedaan hebben, als zij. Dat is onrecht, onbillijkheid jegens andei-en. 't Is een ongeoorloofd middel om aardsch goed in uw bezit te krijgen, zonde tegen het achtste gebod. Want er moge al schijn van recht zijn, door er zich op te beroepen, dat de inleggers te voren reeds bekend zijn met de mogelijkheid van verliezen, dit maakt toch de onrechtvaardige daad van den winner niet goed. Hij neemt tot zich een deel van 't aardsche goed, geheel ongeëvenredigd aan den ver richten arbeid, en tot nadeel van honderden of dui zenden anderen.

Allermeest loopt dit in "t oog bij de Staatsloterij. Eén man trekt de loo ooo, andere duizenden brachten het bijeen. Tegen die Staatsloterij strijden wij als Gereformeerden en anti revolutionairen als één man. Reeds is een wetsontwerp in uitzicht gesteld door ons ministerie om te komen tot geleidelijke •afschaffing. Bravo! Flink zoo, zeggen wij. Weg met zulke ongerechtigheden!

Maar onder dit bravogeroep door ('waaraan wij toch zeker allen meedoen ? ) sluipt ongemerkt op kleiner schaal het kwaad voort. Neen, spelen in de Staatsloterij, daar schrikken wij van. Dat is te wereldsch, te ongewoon. Maar een lot op een hoeve, op een paard en rijtuig bij gelegenheid van de paardenmarkt. Dat is een kleinigheid! Als het zoo'n aardigheid blijft, laten de vaders het begaan, of doen er misschien zelf aan mee!

Geheel ten onrechte hebt gij een wezenlijk ver schil gemaakt tusschen de Staatsloterij en de particuliere verloting. Er is slechts een gradueel ver schil, een onderscheid van meer of minder. En 't is zeer de vraag, zoo mij de vraag gesteld werd, wie van deze beide ik het verderfelijkst acht, of mijn oordeel niet van velen uwer verschillen zou Daar houden wij ons echter niet mede op. Wij weten nu, dat alle loterij van de speelbank te Monaco af — waar 't gaat om duizenden guldens in een inzet; waar tallooze menschen arm zijn ge worden ; waar velen uit wanhoop zich een kogel door het hoofd joegen — tot de kleinste particuliere verloting toe, ons in beginsel gelijkelijk schuldig stellen aan het eerste, derde en achtste gebod van Godes heilige Wet.

Ook hierbij kunnen wij het nog niet eens laten. De Wet spreekt ook nog van het begeeren. Gij zult niet begeeren, wat uws naasten is. Is dan de loterij niet eene zonde der begeerlijkheid ? 'k Hoor zeggen: alle begeeren is niet verboden. Zeker niet. Bidden is begeeren, en dat is het voornaam ste goed werk. »Laat uwe begeerten in alles, door bidden en smeéken, met dankzegging bekend worden bij God." Wij mogen tijdelijken en geestelijken nooddruft begeeren; den man een gade, de vrouw een liefhebbend echtgenoot; de getrouwden een godvreezend kroost Maar wat gij ook begeert, nimmer moogt gij in uw begeeren denaastenliefde schenden, de belangen van uw naaste aanranden.

En dit nu geschiedt in de loterij. Immers, wie een lot koopt, hoopt, begeert te winnen, en dit begeeren sluit in den wensch, dat de naaste verliezen. De winst kan aan den een niet ten deel vallen zonder het verlies van den ander. Als ik dus begeer te winnen (en daarom is het elk speler te doen) moet ik begeeren, dat een ander schade lijde.

Nu zou het mij niet verwonderen, zoo sommige lezers de opmerking maken, dat dit ook in vele andere gevallen plaa's heeft, k Heb in dit verband zelfs wel een hooren spreken van de aanbestedingen in onzen tegenwoordigen tijd. Elk inschrijver begeert het werk. Toch kan slechts aan één het worden opgedragen. Als hij het nu zelf begeert, ligt daarin de wensch, dat het niet aan een ander gegund worde.

Wie hier goed onderscheidt, leert goed. He gebod van de naastenliefde eischt niet, dat wi het kwide voor ons zei ven zoeken. God gebied ons onze naasten lief te hebben als ons zelven Begeert nu yemand zulk een werk voor zich, dan brengt dat volstrekt niet met zich een rechtstreeks benadeelen van den naaste. Tegenover dat werk staan alle aannemers. Elk mag er zelfs, om bid den, aan God overlatende, aan wien het zal worden opgedragen.

Het ijdel loten is dus in strijd met niet minder dan vier geboden van de Wet des Heeren, n.l. p het eerste, derde, en achtste en tiende gebod. Worde het dan in onze kringen bestreden met kracht en zij de heerlijke belijdenis de onze: »uwe inzettingen zijn mij gezangen geweest ter plaatse mijner vreemdeüngschap. Ik heb mijne voeten geweerd van alle kwade pa^n. Uw Woord heb ik niet vergeten".

Hier spreekt de wijsheid der oude Gereformeerde practizijn? .

Het Zeeuwsche Kerkblad verdient lof, dat het op zoo degelijke wijze ons volk waarschuwt tegen een zonde, die in onzen tijd hand over hand toeneemt.

Het groote gevaar voo: ons christen volk zit niet in de staats loterij, ook al zijn we dankbaar dat de Regeering haar wil afschaffen, maar in de particuliere verloting.

En daartegen moet even ernstig als tegen de staats loterij de strijd worden aangebonden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 april 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 april 1904

De Heraut | 4 Pagina's