Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De Schoolquaestie.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Schoolquaestie.

5 minuten leestijd

I.

Het op den voorgrond schuiven van de Hooger-Onderwijsquaestie in het jongste stadium onzer politieke ontwikkeling mag ons niet doen vergeten, dat ook voor de lagere school ons ideaal volstrekt nog niet bereikt is.

In tweeërlei opzicht niet.

Vooreerst niet, wat de rechtsgelijkheid betreft met de openbare school.

Al heeft de Regeering door de wet Mackay die gelijkheid in beginsel erkend; al is door de subsidie van staatswege, die sinds de invoering van den leerplicht meer dan verdubbelde, de positie der Christelijke school dragelijker gemaakt, toch blijft het voor het rechtsbesef van het Christelijk deel der natie een stuitend onrecht, dat tegenover de millioenen, die Rijk en Gemeente aan de neutrale school uitkeert, het christelijk onderwijs nog steeds in ongunstige conditie verkeert.

De druk is verlicht, maar weggenomen is hij niet.

Waar nog bijkomt, dat de examendwang voor staatscommissies, die vaak voor het grootste deel uit mannen van de neutrale school bestaan, voor onze onderwijl zers een niet gering nadeel is. Ook al zou het verwijt van opzettelijke partijdigheid niet juist zijn, dan spreekt het toch wel van zelf, dat examinatoren die een geheel andere levensrichting zijn toegedaan, niet het meest geschikt zijn om de bekwaamheid onzer Christelijke onderwijzers te onderzoeken. Bij een goed examen is vertrouwen en sympathie noodig, om den examinandus tot volle ontplooiing van zijn kracht te doen komen. En tegenover een commissie die meerendeels of geheel uit mannen van liberale richting bestaat, voelt de Christelijke onderwijzer zich niet vrij. Het is daarom dat heel onze Christelijke Pers met warme ingenomenheid de verklaring begroette door den Minister van Binnenlandsche Zaken op het feest der Unie afgelegd. e te v tw d G r ombo r d voHdg d o bhvg

Die verklaring hield toch vooreerst in, s dat ds Regeering met hartelijke belang-DbvcdKaiaa stellidg de ontwikkeling van het Christelijk onderwijs begroette. Al kon de Regeering, gebonden aan de Grondwet, zelve geen religieus onderwijs geven, ze erkende toch, dat voor heel ons volk het christelijk onderwijs het meest gewenscht was en wilde daarom van harte dit onderwijs steunen.

En dat deze verklaring niet een pla­ d tonische uiting was, maar in daden zou worden omgezet, bleek waar de Minister meedeelde, dat reeds een wetsontwerp was ingediend, waardoor de minimumsalarisseft en de verhoogingen door de wet voor­ v geschreven ook voor de bijzondere scholen voortaan door het Rijk zouden gedragen worden en een nieuwe regeling voor de examens zou worden vastgesteld, waarbij met de wenschen der Christelijke onderwijzers rekening was gehouden.

Deze openhartige verklaring zal niet weinig er toe bijdragen om aan deze Regeering den steun te verzekeren van al wie voor het christelijk onderwijs met ons den strijd heeft aangebonden. Alleen van een beslist Christelijk Kabinet toch is te verwachten, dat het dezen belangrijken stap op den weg tot vrijmaking van het bijzonder onderwijs zal doen. Een liberaal Ministerie moge berusten in den verkregen toestand, desnoods de subsidie eenigermate verhoogen, maar een zoo radicale beslissing, waardoor de christelijke scholen plotseling van alle finantieele zorg zouden bevrijd worden, kan alleen verwacht worden van een Kabinet, dat openlijk belijdt, dat niet in de neutrale Staatsschool maar in de christelijke school de hechtste waarborg ligt voor de verheffing van ons volk en het hoog houden van het gezag.

Maar juist deze belangrijke wijziging, die het christelijk onderwijs tot zoo ongemeenen bloei zal kunnen brengen, legt dan ook aan de voorstanders van de School met den Bijbel de verplichting op, om bijtijds zich rekenschap te geven van wat de veranderde positie dezer school eischen zal.

En daarop doelden wij in de tweede plaats, wanneer wij spraken van een voortvaren tot een hooger ideaal.

Onze christelijke scholen zijn onder veel benauwdheid geboren. Waar de worsteling om het bestaan zoo moeilijk was, kon aan krachtige organisatie nauwelijks worden gedacht. Wanneer men aan de wettelijke voorschriften kon voldoen, het christelijk karakter der school kon handhaven en financieel den strijd kon volhouden, was men reeds voldaan. Wel vond men in de Unie, in Christelijk Nationaal, in den Schoolraad en in andere vereenigingen een beginsel van organisatie, maar de meeste dezer vereenigingen doelden toch meer op finantieele hulp, het afnemen van examens en de beslechting van onderlinge geschillen dan dat het klare en bewuste doel voor oogen stond om een organisatie te krijgen van het Christelijk onderwijs over heel het land. Feitelijk is de toestand zoo, dat elke Christelijke school met de vereeniging, die haar in stand houdt, een leven op zich zelf leidt, geheel autonoom is en vast verband met de andere .scholen dusver ontbreekt.

Toch spreekt het wel vanzelf, dat deze toestand zoo niet blijven kan. Nu de Christelijke school gegroeid en een macht in ons Vaderland geworden is; nu de heroïsche strijd om het bestaan gestreden is en een nieuwe periode van welvaart aanbreekt, doen tal van vragen zich voor, die alleen door saamwerking kunnen beslist worden.

De vraag naar de beste opleiding onzer onderwijswet.

De vraag naar goede handboeken voor het onderwijs.

De vraag welke paedagogische methode bij het Christelijk onderwijs moet gevolgd worden.

Vragen, wier beantwoording met de diepste beginselen saamhangen en waarop het antwoord alleen gevonden kan worden wanneer de beste krachten op het gebied van het onderwijs onder leiding van de mannen der Christelijke wetenschap zich aan die taak wijden.

Het is daarom dat van zoo hoog belang is het rapport en advies dat door het Bestuur van de Vereeniging voor gereformeerd schoolonderwijs is opgesteld en thans in druk is verschenen.

Al is het onderzoek naar het vad^srschap verboden, toch zal ieder die dit rapport leest geen oogenblik twijfelen, of de tweede onderteekenaar Prof. Bavinck heeft aan de samenstelling het leeuwendeel gehad.

Over dit rapport een volgend maal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 april 1904

De Heraut | 4 Pagina's

De Schoolquaestie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 april 1904

De Heraut | 4 Pagina's