Geachte Redacteur!
Gun me svpl. in uw blad voor een enkele maal gastvrijheid voor het maken van enkele opmerkingen naar aanleiding van hetgeen u o. m. Onder het opschrift „van kleine zielen" in de Heraut van" 17 April j.l. schrijft over het „weigeren' van het kerkgebouw voor sprekers, die propaganda kwamen maken voor de Theol. school.”
Daargelaten de juistheid van het „opschrift”,
kan ik niet alleen in substantie uw oordeel over bedoelde weigering van het kerkgebouw onderschrijven, maar ik verblijd er me in, dat de Heraut in deze teedere kwestie zich aldus uitliet.
Het steekt zoo gunstig af bij hetgeen we ten dezen, helaas! zoo dikwijls te zien en te hooren krijgen, en is olie op de baren.
Üw schrijven was mij te aangenamer, wijl ik enkele weken geleden ambtshalve geroepen was, advies en stem uit te brengen over een vraag om het kgrkgebouw tot bovengenoemd doel, en toen in hoofdzaak om dezelide reden en met dezelfde woorden voor inwilliging van die vraag kon adviseeren en stemmen.
Als algemeene regel verdient m. i. de door u gegeven wenk, in 't belang van school en kerken beide, alle behartiging.
Toch zal u, dunkt me, toestemmen dat ook deze regel uitzonderingen toelaat, en dat elk bijzonder geval van „weigering" naar locale omstandigheden en toestanden moet worden beoordeeld.
Voor hen, die de praktijk van 't leven kennen, behoeft dit niet gezegd en allerminst nadere toelichting; maar er zijn anderen, zeker ook onder uwe lezers, voor wie dit niet geheel overbodig is.
Het klinkt toch zoo hard, dat het kerkgebouw aan leden der Kerk wordt geweigerd voor meer genoemd doel; schijnbaar heeft er verongelijking plaats en maakt men marielaren.
Doch dit is, zoo al niet in alle, dan toch in de meeste gevallen ook niet meer dan schijn.
De vergelijking die men maakt tusschen de propaganda voor de Theol. school en die voor de Vrije Universiteit, gaat niet op. De gevallen staan niet gelijk. Eerstgenoemde „Inrichting" gaat uit van de kerken, laatstgenoemde van een vereeniging.
Wanneer nu de kerkeraden van de meerdere vergaderingen een aanschrijven ontvingen, gelijk 6 è. 7 jaren geleden, om de propaganda voor de Theol. school ter hand te nemen, op de manier bijv, als de vereeniging voor H. O. op geref. grondslag dat doet door de plaatselijke comité's, dan zouden de gevallen gelijk staan, en dan zou er onrecht geschieden en de leden der kerk zouden zich billijk geërgerd gevoelen, in geval zulk een aanschrijving door eenigen kerkeraad werd ter zijde gelegd en het kerkgebouw gesloten hield voor de Theol. school, terwijl men dit wel opende voor de Vrije Universiteit.
Maar zoo staat de zaak niet. De Theol. school is de „Inrichting" der kerken. Deze hebben nu bijna een halve eeuw haar verzorgd, en zij zullen dat blijven doen. Voor .het tegendeel is geen bewijs. Haar Penningmeester verklaart, dat de schoolkas niet ongunstig staat. Geen slecht teeken dus.
Wanneer nu een kerk finantieel niet bijzonder sterk is en de behoeften in eigen kring vele zijn, is het dan te verwonderen dat haar kerkeraad niet bijzonder genegen is sprekers voor haar te laten optreden om contribuanten te werven voor de school? Doet hij onrecht, als hij weigert?
Maar er is meer. Er werpt zich een „vereeniging cp tot steun en instandhouding der Theol. school", blijkbaar niet alleen wortelend in liefde voor die school, maar voor een goed deel in kerkelijke sympathieën en antipathieën, „'t Zijn vooral de voorstanders van de Vrije Universiteit", zegt men, „die den ondergang der school zoeken. De school is niet veilig meer in handen der kerk, der kerkelijke organen, der Curatoren; de leden moeten bearbeid en opgewekt worden, om te behartigen wat het hunne is, " etc.
Moet nu een kerkeraad, die de school waarlijk een goed hart toedraagt, een vereeniging als voornoemd, die verklaart „zelfstandig" naast den kerkeraad te willen staan, maar laten geworden en steunen in haar streven, door de kerkdeuren voor haar te ontsluiten, terwijl men weet dat de gemeente genoeg doet en bereid is meer te doen wanneer er behoefte is?
De zaak wordt echter bedenkelijker, waar zulk een vereeniging in stilte eenvoudige leden der kerk bewerkt om straks, als de Generale synode weer saamkomt en de zaak der „opleiding" weer ter hand mocht nemen, haar te kunnen wijzen op een groot getal dat de „eigen inrichting" wil behouden ... Meer dan genoeg, om uw lezers, mijnheer de Redacteur, te doen verstaan, dat sommige kerkeraden waarlijk niet zonder reden het kerkgebouw weigerden. Zij stonden voor de vraag: „wie zal wijken: het Bestuur van zulk een locale vereeniging of de kerkeraad? " en die vraag klemt te meer, als zulk een kerkeraad in de overtuiging leeft, dat zulk een vereeniging school en kerk beide schaadt.
Intusschen blijf ik er bij, dat de kerken wijs doen, waar een vereeniging niet al te arrogant optreedt, wanneer ze uw wenken behartigen.
Maar gelukkig acht ik die kerken, die voor zulke beroering-wekkende vereenigingen bewaard blijven. Men gevoelt terstond, dat ze het beginsel van scheuring in zich dragen, 't Is daarom, dat er niet genoeg nadruk op gelegd kan worden, dat zij, die de oprichting van zulke vereenigingen drijven, hoog spel spelen. Zij zijn oorzaak, dat eenvoudige leden van de „eigen Inrichting" een geloofsartikel maken en deswege nu reeds sommige kerken verdeelen. Is dat geen zonde voor God? .
. Genoeg. Dat de kerken waken en met vroed beleid optreden, biddende, dat wederzijdsche waardeering worde betracht en 's Heeren kerk in liefde bloeie!
U dankende voor de opname dezer regelen, mijnheer de Redacteur, met heilbede.
Hoogachtend
Uw dw. dn. en br. ECCLESIAEPHILUS.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1904
De Heraut | 4 Pagina's