Uit de Pers.
Het slot van het schrijven van Dr. Wielenga aan Ds. Bos over de doopsbeschouwing luidt aldus:
Den IVekerw. Heer Ds. T. Bos, Redacteur van y)de Wachter."
Weleerwaarde Heer en Broeder,
Maar, zegt Ge, mijn doopsbeschouwing is door u onjuist en omuaar genoemd en dit houdt veel ernstiger beschuldiging in, dan te zeggen, dat zij strijdt met geest en richting der School. Ik stem het u toe 'en haast mij thans te verklaren, wat ik met deze niet geringe aanklacht bedoeld heb.
Bedoeld heb ik er niet mede, dat Gij ongereformeerd zoudt zijn. Het is waar, — van de elasticiteit onzer belijdenis wordt het alleruiterste gevergd, om u ook nog met haar autoriteit te dekken, wanneer Gij beweert, dat voor een waren doop het samengaan van teeken en beteekenende zaak niet noodig is. (Wachter II No. 9); het is waar, dat van uw opvatting vergeefs een 'voorbeeld zal worden gezocht in de slagorden van onze oude Gefeformeerde schrijvers, en ook, dat zij in vierkanten strijd is |met de uitspraak van »de Dogmatiek' onzer School: sDe echte, wezenlijke, christelijke doop is die, welke aan geloovigen toebediend wordt' (pag. 291, dl. IV), — maar in den breeden schoot onzer Kerk is voor leeringen als de uwe ook nog wel een plaatsje, en het is onze roeping, ook bij verschil van inzicht, elkanders overtuiging te dragen en tot op zekere hoogte te eerbiedigen.
Die scherpe qualiticatie heb ik dus niet gebe zigd om uw standpunt als zoodanig te veroordeelen, maar wel de wijze waarop Ge uwe beschouwing inkleedt, voorstelt en verdedigt.
En waarlijk, deze is niet zoo onschuldig als ze schijnt.
Onjuist en dus onwaar is de beschouwing die Gij in uw blad van den doop hebt gegeven, omdat Ge ze bouwt op een onjuiste tegenstelling, voort vloeiende uit een onjuist weergeven van het standpunt uwer »tegenpartijders".
Maar onjuist vooral omdat Ge ze hebt willen afleiden uit het doopsformulier en haar met zijn respectabel gezag hebt willen dekken. Daardoor toch hebben uwe artikelen, — ik zeg niet met opzet,
— zulk een «veronderstelling" zou met de broeder lijke liefde in strijd zijn, — maar dan toch onwillekeurig een onwaar cachet gekregen. LladtGeniet anders gedaan, dan uw doopsbeschouwing als uw particuliere meening aan de lezers van de Wachter voorgesteld, — ik zou er niet aan gedacht hebben U zoo ernstig te bestrijden. Maar beslist onjuist is het, wanneer Gij doet, of het doopsformulier aan uw zijde slaat. Gij 'gaat zelfs, in uw ijver om de ketterij der veronderstelde wedergeboorte te bekampen, zóó ver, dat Ge, ook daar waar ons formulier de leer van den doop in het algemeen voorstelt, dus waar van den kinderdoop nog geen sprake is, de gedachte aan een werkelijk beaitten van de in wendige genade verre stelt. Natuurlijk moet Ge daarbij den eenvoudigen, klaren tekst geweld aan doen, en ge doet het met een vrijmoedigheid en naïviteit, die, ware het resultaat niet zoo droevig, voor uw virtuositeit in het werk der inlegkunde bewondering af zou dwingen.
Ik zal daar een enkel voorbeeld van geven.
In ons formulier staat »dat de 'Vader betuigt en verzegelt, dat Hij met ons een eeuwig verbond dei genade opricht en ons tot zijne kinderen en erfgenamen aanneemt" Nu poseert Ge eerst als verde diger van de letter en zegt op een half zegevierenden toon. Wachter No. 10: »Er staat niet: met ons een eeuwig verbond der genade opgericht heeft, maar opricht; er staat dus niet, wat Hij gedaan heeft, maar wat Hij doet tot onze zaligheid. Evenmin als er staat, dat Hij ons tot zijne kinderen en erfgenamen aangenomen heeft." Volkomen juist tot dusver. Maar hoe gaat Ge nu verder? 'Wat slotsom trekt Ge daar nu uit ? Als het er niet stond, zou niemand het kunnen gelooven, maar het staat er: s'Wij zijn geene erfgenamen, geene kinderen Gods, en wij zijn niet in het verbond der genade van eeuwigheid af, maar de doop betuigt en ver zekert ons, dat de Vader dat 200 zal maken.''' De laatste woorden cursiveer ik en vraag hoe het mogelijk is, dat, wie een «tegenstander" verbiedt van een tegenwoordigen tijd een verledenen tijd te ma ken, er zelf, in één adem door, een futurum, een toekomstigen tijd uit misvormt ? Zulk een tekstverminking is niet onschuldig, want zij doet geweld aan het centrale standpunt yan ons formulier: dat bij den echten doop uitwendige en inwendige genade samenhooren en samengaan.
Vooral treedt dit aan het licht, — en mij dunkt, de eenvoudigste Wachttrlezer moet dat toch gevoeld hebben, — waar ge aan de uitlegging van het dank gebed van ons formulier toekomt.
Daar staat, zwart op wit: «'Wij danken en loven u, dat Gij ons en onze kmderen, door het blo2d van Uwen lieven Zoon Jezus Christus, al onze zonden vergeven, en ons door Uwen Heiligen Geest tot lidmaten van Uweneeniggeboren Zoon, en alzoo tot uwe kinderen aangenooien hebt, en ons hetzelve met den heiligen doop verzegelt en bekrachtigt." Zoo staat het er, en al het water van de zee, ook de exegese van Ds Bos, kan het niet uitwisschen. Dat hier wordt uitgesproken niet slechts een onderstelling, maar het vaste geloof, zich in een danktoon verheffend, het geloof aan de inwendige heiliging ook van het zaad der Gemeente; dat de Gereformeerde kerk hier bij monde van het formulier be-" lijdt te gelooven, dat met den Heiligen Doop de feitelijke vergeving der zonden wordt verzegeld en bekrachtigd, — het is zóó zonneklaar, dat niet slechts onze broeders uit de doleantie, maar, — wat voor u meer en voor vele Wachterlezers alles zegt, - ook de echte typen der afscheiding het erin hebben gelezen. En dat zij het zóó lazen blijkt onomstootelijk daaruit, dat velen hunner het dankgebed weglieten, omdat slj het er niet mee eens waren. Het was zelfs in vele Gemeenten een schibboleth van rechtzinnigheid, of een leeraar het dankgebed gebruikte of niet. Een groot deel der afgescheidenen kon niet meegaan met die ontzaglij Ï e belijdenis onzer vaderen, die er hen toe leidde, God voor de wedergeboorte hunner gedoopte kinderen te danken.
En wat doef Gij nu ?
In plaats van nu ook ruiterlijk te zeggen: het formulier gaat mij te ver, ik kan ook niet in die overtuiging mij vinden, neemt Ge tot de volgende «verklaring" uw toevlucht. (Wachter No. 13): «Wij zien dus ook hier het geloof uitgesproken, dat de Doop verzegelt de beloften van het genadeverbond, waarvan Petrus op het Pinksterfeest zeide tot het oude Bondvolk: «want u komt de beloften toe en uwen kinderen." En een weinig verder: «Ditgebed gaat dus van de gedachte uit, dat aan die gedoopte kinderen de beloften toekomen, met de bede, dat zij nu ook mogen bekennen enz.'
Dit nu is uw lezers op een dwaalspoor leiden. Zoo klaar als een zomermiddag schittert hier het geloof, dat de kinderen der Gemeente ook de aanvankelijke vervulling der beloften deelachtig zijn, en inderdaad, voor zoover ik weet, staat deze Uwe »opvatting" daar als een unicum in de geschiedenis onzer Kerken. Zij gaat niet slechts in tegen den geest der doleantie, zij is niet slechts in flagranten strijd met de traditie der School, maar zij is ook tegenovergesteld aan de exegese, die onze afgescheiden vaderen er van hebben gegeven.
Wanneer Gij den moed hadt gegrepen tot Uwe lezers te zeggen: het standpunt van het formulier is het mijne niet, — ik zou gezwegen hebben, maar nu kan zeKs geen verwijt van «onbescheidenheid' mij weerhouden het oordeel te herhalen: «Zulk een doopsbeschouwing is onjuist en onwaar.''
Wèl stonden velen der afgescheidenen op uw doopsstandpunt, en ook heden zullen er zijn, die uw standpunt zullen deelen, maar niemand heeft het tot dusver gewaagd, deze zijne beschouwing door het klare, onomwonden getuigenis van het doopsformulier te sterken.
Ziet, waarde broeder, het heeft u in de hitte van den strijd of aan helderheid en nuchterheid ontbroken, om te lezen wat ër staat, of, — wat ik echter liever niet «onderstellen" wil, — 't heeft u aan den moed ontbroken te zeggen: de opvatting van het formulier is de mijne niet. En in het laatste geval, hebt Gij uw roeping als volksleider en als voorganger der Gemeente verwaarloosd, er op te wijzen, hoever velen onzer aan het hooge geloofsstandpunt onzer vaderen ontzonken zijn. In dat geval was het uw taak geweest aan te toonen, waarom anderen die stoute belijdenis niet anders dan aarze lend na durven stamelen, en hoe deze erfenis der martelaarskerk, die zoo kennelijk het stempel van beproefde geloofsovertuiging draagt, ons moet prik kelen tot voortgaande reformatie, tot opvoering van ons kerkelijk leven door prediking en tucht, door gebed en arbeid, zoodat ook wij haar weer allen van harte beamen en naspreken kunnen.
Niet de formulieren moeten afgetrokken naar ons kerkelijk leven, maar wij moeten weer tot hun standpunt worden opgevoerd. En daarom brengen uwe beschouwingen ons niet vooruit, maar stichten ze verwarring en voeden onjuiste en onvruchtbare denkbeelden, die moesten worden uitgeroeid.
Ik herhaal daarom: Wilt Ge uw actie voor den opbloei der eigen inrichting zuiver houden, vermeng ze niet met het propageeren van beschouwingen die eenzijdig en enghartig zijn; vermeng ze niet met de bestrijding van een leer, die in den kring onzer Gereformeerden niet slechts geduld, maar door vele eerbare mannen, die voor de reformatorische verheffing van ons kerkelijk leven tot rijken zegen waren, als hun overtuiging beleden wordt; een leer, die ook door het grootste deel der leidslieden en hoogleeraren der School als Gereformeerd is gebillijkt en tegen aanvallen als de uwe is verdedigd. Zeg ronduit aan uw lezers: onze strijd voor de School gaat geheel om buiten een strijd om de leer. Het is zelfs in de huidige omstandigheden moge lijk, dat een overtuigd supralapsarier de School met hart en ziel steunt, evengoed als wij, omdat de schakeering van 86 thans onder de hoogleeraren der School ook haar vertegenwoordiger vindt.
Indien Gij voortgaat de Theologische School der Gereformeerde Kerken op deze wijze tot een troetelkind van een kunstmatig opgehitste partijgroep te maken, die uw leeropvatting huldigt omdat ze de anderen veroordeelend buitensluit, zult Ge met uw Wachttr oorzaak zijn, dat de School de sympathie van het grootste deel der Kerken inboet en, in uw liefdesomarmingen doodgekneld, een roemloos einde tegemoet gaat.
Omdat ik daarvoor de School te lief heb, deed ik in uitzicht op haar gouden Jubileum dit protest hoeren, in de hoop, dat het weerklank vinde bij allen, wien het heil der School en bovenal de bloei en vrede der Kerken ter harte gaat.
Eerst heb ik nog geaarzeld, of ik wel, vlak vóór het Schoolfeest, den broederlijken strijd met U aanbinden zou. Maar een discussie als deze wordt niet gemaakt, zij wordt uit de omstandigheden geboren. Uit zelfverdediging tegen uw ongemotiveerd verontrusten van plaatselijke Kerken, zooals ik het voorlecht heb er een te dienen, waar tot dusver vrede heerscht, greep ik naar de pen.
En bovendien meen ik mijn schrijven iti alle bescheidenheid ook een bijdrage tot rechte viering van het aanstaande Jubileum te mogen achten, in zooverre het de bedoeling heeft, de School tegen verkeerde beschermers in bescherming te nemen en alzoo haar onbelemmerden, natuurlijken'levensgroei te bevorderen.
Voor' dit ernstig woord van verweer zij Ds. Wielenga onze dank geboden.
Niets is droever dan wanneer een verschil van inzicht, dat binnen de grens onzer confessie ligt, wordt opgeblazen tot een princi pieele tegenstelling, waarom men broeders verkettert.
Volkomen terecht heeft Ds. Wielenga er op gewezen, dat de hoogleeraren der Theologische school tegen dit drijven hebben gewaarschuwd.
. En het valt niet te ontkennen, gelijk Dr. Wielenga met de stukken aantoont, dat Ds Bos zich allengs in een richting beweegt, die hem met ons Doopsformulier in strijd brengt.
Wij betreuren het dat deze strijd opnieuw wordt opgerakeld. De Middelburgsche Synode heeft over deze klachten van Ds. Bos reeds uitspraak gedaan. In plaats van in deze uitspraak onzer kerken te berusten, wordt nu het oude stokpaardje weer voor den dag gehaald.
Zoo wordt het zaad van wantrouwen uitgestrooid, waar juist saambinding dubbel noodig is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 29 mei 1904
De Heraut | 4 Pagina's