Reorganisatie.
Mr. J. Van der Brand uit Rijswijk zendt ons den volgenden open brief aan de heeren Dr. J. H. Gunning c. s., dien wij, om het hooge belang der zaak, gaarne een plaats in onze kolommen afstaan:
Open Brief aan de Heeren Dr. J. H. Gunniog c. s.
Weleerwaarde Heeren!
Veroorloof mij naar aanleiding van uw „Open Brief aan de Synode der Nederlandsche Hervormde kerk" 1) enkele opmerkingen,
i) Amsterdam, HoU. Afr, Uitgevers Mij, 1304. j
Een vraag, welke ik mij dagelijks voorleg — en zeker honderden in den lande met mij — is: Mag ik in de Nederl. Hervormde kerk blijven ?
Met buitengewone belangstelling nam ik daar om van uw bovengenoemden Open Brief aan de Synode kennis, in de hoop een afdoend antwoord op die gewetensvraag te vinden.
Het doet mij leed, hierin te zijn teleurgesteld. De indruk toch welken ik van uw betoog heb ontvangen, liet mij onbevredigd.
In hoofdzaak schijnt mij uw redeneering hierop neer te komen: „De fout zit niet in de kerk, doch in de organisatie. Wij moeten dus de organisatie, niet de kerk verlaten." (biz. 8 en 19). Wel wordt door U toegegeven, dat de tegenwoordige slaat van de Ned. Herv. kerk diep zondig is en dat zij lijdt onder den heiligen toorn des Heeren (bl. 7), doch, zegt Gij: „Ook nu iaat Hij haar (de kerk) niet ^M«^/over, maar blijft getrouw in weerwil van onze ontrouw; daarom blijft Hij nog bij ons en mogen wij dus onze kerk niet verlaten."
Ik moet erkennen, dat deze redeneering mij niet duidelijk is. Gij zult moeten toegeven, dat zelfs de grootste zondaar nooit geheel door den Heer verlaten wordt. Mag dit voor den zondaar een reden zijn, om in de zonde te volharden? Immers neen. Hij zal zich, zoodra het Licht zijn pad beschijnt, wat hei ook kosten moge, van de zonde trachten vrij te maken. Indien hij dat niet doet, is zijn bekeering geen ernst.
Veroorloof mij een voorbeeld te nemen. Wanneer ik mijn diensten verhuurd heb en mijn dienst brengt mede, niet noodzakelijken arbeid te verrichten op Zondag, dan zondig ik, door dat te doen, tegen het vierde gebod Wanneer ik nu mij van die zonde bewust ben, wat heb ik dan te doen ? Ben ik dan verantwoord, door alleen te trachten mijn werkgever te be wegen zijn eisch tot Zondagsarbeid te laten val len? En ben ik dan, voor God en mijn geweten, , gedekt, wanneer de werkgever weigert? Ik twijfel niet, of uw antwoord zal met mij zijn: Neen, indien uw werkgever u niet van den Zondagsarbeid wil ontslaan, dan moet gij, indien het u met uw gemoedsbezwaar ernst is, zijn dienst verlaten.
Maar, zoo zult gij misschien aanvoeren, zóo staat de zaak in de Hervormde kerk niet. lm mers de fout zit slechts in de organisatie, welke mogelijk veranderd wordt.
Hierop zou ik willen antwoorden, dat ik, zoo redeneerend, ook in dienst van mijn werkgever kan blijven, daar de mogelijkheid niet is uilgesloten, dal ook hij lot betere inzichten komt. Toch — Gij zult het moeten toegeven zal ik met het oog op die mogelijkheid niet in mijn zoude mogen volharden. Ik zal hebben te kiesen: vóór of tegen den uitgedrukten wil des Heeren.
En zoo ik mocht kiezen tegen dien wil, dan zal mij het verwijt niet kunnen ontgaan, dat mijn bekeering den heiligen ernst mist, welke alleen doel vragen: Wat is Gods wil? i)
Waar. het nu vaststaat, volgens uw eigen getuigenis, dat het lid blijven van de Nederlandsche Hervormde kerk met zich brengt, zich voortdurend schuldig te maken aan zonde tegenover den uitgedrukten wil Gods, tenzij de organisatie dier kerk worde veranderd en teruggebracht tot de regeling van vóór 1816, dan is de vraag, welke over ons blijven in de Neder landsche Hervormde kerk beslissen moet, niet deze: Is verandering der ofganisatie mogelijk? maar: Is verandering der organisatie in den geest als overeenstemmend met Gods woord waarschijnlijk en binnen een redelijken tijd te bereiken ? 2)
Om op deze vraag een beslissend antwoord te erlangen, is het noodig, dat er iets gedaan worde, iets betrekkelijk eenvoudigs, nl. een onderzoek naar den geest, welke onder de leden der Nederl. Hervormde kerk heerschende is ten opzichte van de urgentie der reorganisatie. En het schijnt mij toe, dat een dergelijk onderzoek geheel ligt op uw weg. Gelijk door u zelf in den aanhef van uw schrijven aan voorgangers en leden der Hervormde Gemeente wordt betoogd, zijt gij voor de leiding van Gods voorzienigheid en door de keuze uwer medebroe ders op den voorgrond getreden, om een reorganisatie dier kerk voor te bereiden, Niet alleen om dit aan de Synode dier kerk te verzoeken, neen, mijns inziens rust op u de plicht, waar het duidelijkjBB, dat een dergelijk verzoek niel helpt, de Gemeente lot handelen op te wekken. Gij zelf zegt (blz. 17), dat thans het woord is aan de Gemeente, nu de inwilliging van den eisch tot reorganisatie, door u tot de Synode gericht, tot nog toe door haar is ontzegd. Dit is, dunkt mij, juist gezien.
Maar hoe zal de Gemeente zich uiten, op welke . wijze van haar verlangen naar reorganisatie blijk geven?
Zie, het schijnt mijtoe, dat op U de schoone taak rust, dat Gij de aangewezen man zijt, de Gemeente bij deze zaak, welke het leven der Hervormde kerk, neen meer, de eere Gods raakt, te leiden. Het komt mij voor, dat het op uw weg ligt, de stemmen, welke roepen om hervorming, te vereenigen tot één machtig koor.
1) De diepliggende eigenlijke reden, waarom wij aan onze organisatie vasthouden, is onze liefde voor de wererd, de gelijkvormigheid onzer kerk aan de wereld (blz. 20).
2) Nog een andere vraag, minder de Gemeente dan wel Dr. Gunning c, s. rakende, is: Mogen wij onze cathechuraenen aanraden zich te stellen onder een organisatie, welke volgens ons eigen geweten in strijd is met Gods geopenbaarden wil ? M. a. w. behooren Dr. Gunning en zijn geestver wanten hun cathechumenen niet af te raden, lid der Ned, Hervormde kerk te worden ?
Het argument, dat door den doop decathechu menen reeds leden dier kerk zijn, gaat reeds terstond hierom niet op, wijl er zich onder hen b.v. jongelingen kunnen bevinden, die den H. doop niet ontvingen. En verder ook niet, omdat men door den doop wel wordt opgenomen in de Christelijke kerk, maar toch nog niet lid wordt van een bepaald instituut. Immers geschiedt dit in de Ned, Hervormde kerk eerst door een vrijwillige uitdrukkelijke wilsverklaring bij de aanneming en bevestiging der lidmaten, bij de Gereformeerden door de openbare belijdenis. De cathe chumeen, reeds door den H. doop lid van de Gemeente van Christus, kiest zelf bij welk instituut dier algemeene kerk hij zich wenscht aan te sluiten, dus onder welke organisatie hij zich stellen wil. Nu komt het mij voor, dat er allicht onder de geestverwanten van Dr. Gunning bezwaar zal bestaan, den cathechumenen aan te raden zich onder een zondige organisatie te stellen. Mij dunkt, dat het niet tot de onmogelijkheden zou behooren, dat een predikant van de gevoelens van Dr. Gunning c. s. zegt tot de jongelieden, wien hij onderwijs gaf: «Treedt in de kerk, waarin ik het leeraarsambt waarneem, niet. Begint uw optreden als mondig lid van Gods Gemeente niet met een daad der zonde." Men zal moeten toegeven, dat men aldus tot de gevolgtrekking komt, dat een Leeraar zijn leerlingen zou moeten ontraden toe te treden tot zijn eigen gemeente!
En toch, zou deze houding in de tegenwoordige omstandigheden niet toejuiching verdienen en de sympathie van allen, die gevoelen als Dr. Gunning c, s. ? dat zóó luide den eisch tot herstel van Gods eere in de Hervormde kerk zal doen weerklinken, dat de Synode niet langer zal kunnen weigeren, de zaak ter harte te nemen.
En mocht het dan blijken, dat onder de leden, der Hervormde kerk het verlangen naar reorganisatie, de begeerte tot terugkeer naar de regeling overeenkomstig Gods Woord, niet in voldoende mate bestaat, om die hervorming waarschijnlijk, te maken, welnu, dan geloof ik, dat het onze plicht zal zijn, de organisatie der Hervortade kerk in strijd achtend met de eere Gods, die kerk te verlaten en ons aan te sluiten bij onze gereformeerde broederen.
Met een opwekking tot een algemeene uiting van den geest, die, naar ik hoop, zoo vele leden der Nederlandsche Ilervorrade Gemeente bezielt, wil ik eindigen. Het zij een opwekking totdeu heiligen strijd voor de onbeperkte heerschappij van Christus in onze kerk.
Tot dezen strijd wensch ik alle mannenbroeders der Gemeente op te roepen met het woord:
Mannen, loont dat gij broeders; broeders toont, dat gij mannen zijt!
J. v. D. BKAND.
Rijswijk, 13 Mei 1904.
Wat uit dit schrijven spreekt is metterdaad een consciëntie-vraag.
Wie zoo klaar en duidelijk belijdt als dit door de heeren Gunning c. s. is gedaan, dat het blijven onder de organisatie zonde is voor God, moet antwoord geven op de vraag, wat de uitweg is om aan die zonde te ontkomen.
Dat heeft Mr. Van der Brand volkomen terecht ingezien.
En het verblijdt ons, dat in de Hervormde kerk allengs gevoeld wordt, dat wanneer de Synode geen reorganisatie der kerk naar Gods Woord wil, het blijven onder deze Synode voor Gods kind onmogelijk wordt.
Te erkennen, dat men in een zondigen toestand leeft en toch in dien zondigen toestand te berusten, is met den eisch der consciëntie lijnrecht in strijd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 29 mei 1904
De Heraut | 4 Pagina's