Idealisme.
Op den jongsten Bondsdag te Zwolle prak Prof. Geesink een opwekkend woord ver heilig idealisme. Al is de rede te ang om haar in haar geheel over te nemen och moge een enkele greep doen zien hoe uist de toon is aangeslagen, die het hart nzer jongelingen bezielen kan.
De menschen spreken veel van een levensbeschouwing of levens-theorie. Welnu wij Gereformeerden hebben ook onze levensbeschouwing en wij beschouwen het menschenleven als één dienst van God. En dat is niet alleen maar onze theorie, doch dat trachten wij althans ook te maken tot onze levens-praktijk. Naar deze beschouwing zoeken wij te regelen, in de kracht van God, ons gedrag.
En nu is wel dit het eigenaardige, dat wij ten volle tevreden zijn met onze Tevenstheorie, maar nooit met onze eigen practijk. Wij zijn van de onvolkomenheid op dit stuk ten diepste overtuigd, en zeer zeker behoort niet tot onze ondeugden, de zelfvoldaanheid.
Wij Gereformeerden toch, anti-revolutionair krachtens ons beginsel, zijn echter steeds „begeerig naar nieuwe dingen, " voor zoover namelijk dat nieuwe het betere is op het stuk van levens-praktijk.
Het betere in den zin van meer overeenkomstig met den geopenbaarden wil van onzen God. Het apostolisch woord : „niet dat ik het alreeds gegrepen heb of alreeds volmaakt ben, maar ik jaag er naar of ik het ook grijpen mocht", is ons als uit de ziel geschrev'en.
Het is het woord van dat Christelijk idealisme, dat altijd naar verbetering, naar vernieuwing streeft, dat altijd excelsior! roept. Want een ideaal is juist wat er niet is, maar wat behoort te zijn; 'n voorstelling van het volkomene, waaraan het bestaande nog niet beantwoordt, maar waaraan het beantwoorden moet.
Uit dit idealisme is ook geboren de groote reformatie van de i6e eeuw, met name die, waarop Calvijn een stempel heeft gezet.
Zij streefde naar een betere een meer met het gebod overeenkorcenden dienst van God.
Zeker, eerst op het gebied der religie in engeren zin en op dat van den eeredienst, maar toch ook, en dat is het eigenaardige van het Calvinisme, op het gebied van heel het rijke, volle menschenleven.
Want het Christelijk ideaal is niet maar een vaag-droombeeld; niet maar een schepping onzer dichtende verbeelding; maar het is wat God goed noemt en wat wij, omdat Hij het ons heeft geopenbaard, als zoodanig kennen.
Dat ideaal is eenmaal bereikt geweest. Toen op den laatsten schepping.sdag, Gods oog zag het werk wat Hij volbracht had, was het zeer goed. Dat thans hier op aarde de werkelijk heid niet meer beantwoordt aan het ideaal is om en door de zonde. Maar wij weten, dat eens komt de nieuwe aarde en dan weer het ideaal werkelijkheid zal zijn geworden, om het eeuwig te blijven. Voor en uit deze idee leeft nog al wat waarlijk Gereformeerd, dat wil zeggen het meest zuiver Christelijk is.
Is een organisme alles waar een ziel in werkt, in tegenstelling met een mechanisme, dat gedreven wordt door een kracht van buiten af, ook uw vereenigingsleven is niet een machine, maar een organisme en de ziel er in, is niet anders dan het Christelijk idealisme.
Dat kan nu, gelijk alle zielen, wel eens worden neergedrukt, maar het mag dan maar voor een oogenblik zijn. Zelfbezinning wekt het dan weer op.
Zelfbezinning, dat wil zeggen, opzettelijk nadenken over uzelf, over wat gij zijt en wat gij wilt.
En gij. mijne vrienden, hier in zoo breede schat e bijeen, zijt de jonge, frissche loten aan den ouden stam der maatschappij, die haar straks zult vernieuwen en verbeteren, door haar almeer te doen beantwoorden aan wat zij naar Gods wil wezen moet.
Jong en frisch, want aan den ouden stam ziet men ook loten, die niet meer frisch mogen heeten. Of doen zij u niet denken aan „verflenst" die jongelingen onder onze landgenooten waarmee ook gij wel eens in aanraking komt.
Jonge menschen, zonen van niet christelijken en helaas! ook wel van christelijken huize, zonder idealen, „verdronken vóórdat zij water hadden gezien", die hun geest verontreinigden met slechte litteratuur en hun lichaam verdierven door grofzinnelijkheid; onbruikbaar in elk vak en zoo vrijzinnig, dat ze geen van de tien geboden meer gelooven. Vergramd tegen God en Zijn volk; tegen het leven en de menschen. Illustratiën bij het woord van den Spreukendichter : „de dwaasheid der menschen zal zijnen weg verkeeren en zijn hart zal zich legen den Heere vergrammen". (Spr. 19:3.)
Doch, Gode zij dank, het beeld dat gij mij aanbiedt is gansch anders, daaruit spreken de trekken van het gereformeerde leven; daarin is geen enkele trek, die doet denken aan „verflenst”.
Frissche, jonge loten van den ouden stam,
ledere loot heeft aan den stam haar eigen plaats, en vormt zich naar eigen wet van ontwikkeling, weer twijg en blad en vruch».
En zoo ook hebt gij, mijne vrienden, aan den ouden stam der maatschappij uw eigen plaats en die plaats is in het volk. Gij zijt jongens uit het volk.
En in en onder het volk hebt gij u te ontwikkelen tot die noeste werkers met hand en hoofd in fabriek, in werkplaats, in kantoor, in nijverheid en handel en landbouwbedrijf, —i-ik zegt het zonder zweem van vleierij — die de kern vormen van ons volksbestaan: de stand, om wien te dienen, de „leerstand" en de „weerstand" er zijn, gelijk gij er om dezen te dienen.
De kinderschoenen ontwassen, geen knapen meer, maar nog geen mannen, verkeert gij in den tijd van voorbereiding, voor wat ge als mannen in den ruimsten zin, straks zult zijn.
En gij wilt u voorbereiden.
Want krachtens het Christelijk idealisme wat u bezielt, wilt ge manneri worden, die het vak, dat zij beoefenen het best verstaan en het vooruit brengen; Gij hebt dan, ook niet noodi
door een staatswet te worden gedwongen lot „herhalingsonderwijs" (Applaus.)
Niet alleen toch toont gij metterdaad uw reeds verkregen kennis te willen onderhouden, maar ook te verrijken.
Uw speciale vakkennis, als goede leerjongens, door den meester zijn kunst af te zien, te vermeerderen.
Dus u voorbereidend, weet ge ook dat gij E niet alleen God in uw hart en in de wereld z van uw beroep, maar ook straks als huisvaders z r in het gezin, als burgers in den staat, als ge-v loovigen in Christus Kerk hebt te dienen.
En krachtens? het idealisme, dat u bezielt, wilt ge ook in deze levenskringen naar het volmaakte streven, naar wat voor God goed is.
Bij dit streven nu zijn twee dingen noodig, n.m. en kennis en karakter.
Kennis van Gods ordinantiën; van Zijne ge v g boden in den ruimsten zin; kennis van wat b God wil.
Een kennis, die gij kunt opdoen uit de Schrift en uit het leven.
Karakter als de vaste en voortdurende wil, om wat gij als goed kent ook te willen.
Weten wat gij wilt en willen wat gij weet.
En om nu deze twee dingen te verkrijgen is voor u juist van zoo uitnemend belang uw vereenigingsleven, met name zoo als het thans is ingericht.
Uwe onderlinge Bijbelbespreking, maar ook uw beoefening van de historie van ons vaderland ; uw studie van de letterkunde, maar ook de inrichting van de maatschappij. Dit alles is meer dan aangename tijdpasseering.
Ik acht het ernstig werk.
Ook, dat ge kennis neemt van en meeleeft in de mA antirevolutionaire politiek ligt zeker niet buiten uw bevoegdheid als toekomstige anti revolutio naire staatsburgers. Ja, dat ge èn voor de pro paganda èn bij de stembus als „hulpkrachten" dienst doet is niet alleen een goede oefenschool, d maar ook om het dadelijke voordeel dat het voor onze richting afwerpt, door heel de antirevolutionaire partij te waardeeren. Zelfs het liberaal blad de Nieuwe Rotterdamsche Courant gaf ook u eenige dagen geleden wat het laatste betreft zulk een goed getuigenis, dat ik niet kan nalaten het op uw feestdag als feesigave over te brengen. In zijn No. van 5 Mei, schrijft dit voornaam orgaan der liberale partij: „De overwinning in 1901, door de kerkelijke coalitie bevochten, is voor een niet gering deel te dan ken aan de ijverige werkzaamheid van jeugdige propagandisten, van de „jonge garde' dezer partijen.”
Meer nog.
In ditzelfde artikel, met het opschrift: „Jonge hulpkrachten", spreekt het blad zijn blijdschap uit „dat het er eindelijk toe komen zal, dat ook de jongelieden van liberalen huize meer dan tot heden daadwerkelijk blijk geven van belangstelling in de publieke zaak, een werkzaam aandeel nemen aan den politieken strijd.”
Wie had dat kunnen denken, dat het doen van gereformeerde jongelingsvereenigingen nog eens zoo onverholen ten voorbeeld zou worden gesteld aan de jongelingen van liberalen huize 1 (Applaus.)
Zoo is het.
Terwijl de niet-christelijke jongelieden al meer het beeld vertoonen van de verflenste bloem, of van mannen bij wie in sport en lichaamsontwikkeling de hoogere geestelijke ontwikkeling onderging, zijn l onze christelijke jongelingen nog frissche, n jonge loten, die door een heilig ideaal be t zield kunnen worden.
De Bondsdag te Zwolle, waar duizenden g saam kwamen, leverde daarvan het sprekende bewijs.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 5 juni 1904
De Heraut | 4 Pagina's