Uit de Pers.
In de Friesche Kerkbode heeft Dr. Kuyper uit Makkum de vraag, of de kerk een huwelijk lus schen een lidmaat der gemeente en een onge doopte mag bevestigen, in ontkennenden zin beantwoord. Volkomen terecht kon hij daarbij wijzen op het besluit der Dordtsche Synode in 1619 genomen, die de kerkelijke inzegening van zulke huwelijken verbood.
Thans worden in een volgend artikel de redenen opgegeven, waarop dit besluit der Dordtsche Synode berustte.
Doch nu rijst de vraag: heeft de Synode dit zoo maar besloten, zonder opgave van redenen. Is het slechts een kerkelijk besluit zonder meer, dat zoo danige huwelijken niet mogen ingezegend worden. Had de Synode op zichzelf genomen, en in het afge-a trokkene gedacht, niet even goed een ander besluit, m ja zelfs een tegenovergesteld besluit kunnen nemen ? Alle deze vragen doen zich onwillekeurig voor aan z een iegelijk, die niet alleen vraagt wat is er beslo t ten, maar ook waarom is het zóó en niet anders besloten.
Gelukkig behoeven we ten opzichte van deze zaak niet lang in het onzekere te verkeeren. Wij bezitten een stuk met breedvoerige opgave der redenen, waarom het eene ongeoorloofde zaak is een huwelijk met een ongedoopte «kerkelijk" te bevestigen. Daar hebben de Zuid HoUandsche Kerken zorg voor gedragen. Hare provinciale Synode van 1606, in Gorinchem gehouden, besloot »te letten op de redenen, waarom dat men ongedoopte personen niet trouwen zal, ' alsook dat men de tegenredenen zou wederleggen, en voorts dat men deze redenen met de wederlegging der tegen redenen ter kennisse der Nationale Synode zou brengen, ten bate van alle Kerken.
De Dienaar des Woords van Dordrecht Johannes Becius, leest op de Synode van Delft, gehouden in het jaar 16I8, zijn rapport over die redenen voor. m De Notulen geven te lezen: »Op den 4en artickel s der laetsten Synodi, van de ongerymtheyt van de h bevestinge der huwelicken der gedoopte met onge e doopte door Kerckendietiaren, syn de redenen, by d D. Bscium tot bewys van dien int brede gestelt, gelezen." En besloot dat een uittreksel van dat rapport ter kennisse van de Generale Synode ge z bracht zou worden. En de Dordtsche Synode heeft E het met hare hooge goedkeuring bekrachtigd. z
Dit stuk is door Voetius in zijn Pol Eccl. in zijn geheel opgenomen, en zoodoende gelukkig voor ons bewaard gebleven. Een vrije vertaling daar van laten wij hier volgen.
Over de bevestiging der huwelijken te sluiten met hen, die niet gedoopt zijn, noch ook den Doop ontvangen willen.
Het betaamt niet dat dergelijke huwelijken in de Kerk bevestigd worden. En wel omdat God in Zijn Woord zulks duidelijk en klaar verboden heeft. Want het huwelijk met een onheilige of met vreemdelingen van het Verbond — zooals toch alle verachters van den Doop zijn — is door God ver boden. (Cf. Ps. . i : i; 2 Kron. 19 : 2 en 2 Cor. 6 : 14.) Aangezien het huwelijk een soort «verbond" is, in Maleachi 2 : 14 wordt gesproken van »de huisvrouw uws verbonds, " en het zelfs de allernauwste banden tusschen menschen legt, zie Genesis 2 : 24 en Matth. 19 : 5, daarom mishaagt het huwelijksverbond met een onheilige aan God den Heere.
Juist deswege heeft God in Zijn wet het huweijk met de onbesneden Heidenen uitdrukkelijk I.II «lil • erboden, gelijk te lezen is in Exod. 34 : 16 en eut. 7 : 3, 4. Daar ligt in al zalke iiuivclijl-pn on ernstig gevaar om af te hoereeren van den d aren God, en om te gaan nahoereeren vreemde s oden. De vaderen des Verbonds hadden daar een g schrik van, zie Gen. 24 : 3, Gen. 27 : 48 en Gen. d 4 14. En zij die toch liuwden buiten het Verbond h ebben de vergelding der dwaling die daarbij be oorde, ontvangen. Gen. 6 : 2, 4en i Kon. 11 : i, 14. d n dergelijke vrucht is ook heden ten dage van oodanige huwelijken te verwachten. Hoe zouden d ij hun kinderen in de kennisse en vreeze des Hee kb en kunnen opvoeden, waar zij zelven God niet reezen. Wat is er anders dan verleiding te wachten ! et is daarom dat de Apostel uitdrukkelijk ver r aant - ^alleen in den Heere te huwen." i Cor. 7 : 39. D En nu moeten voor openbaar onheiligen gehou f en worden allen, die niet in hun kindsheid gedoopt d ijn, en groot geworden zijnde, niet gedoopt willen katve orden. Want de Doop is een algemeen teeken an het Verbond gemeengoed van alle bondelin en, noodzakelijk ter bevestiging van het Verond, want door den Boop als kenmerk zijn de hristenen van de Joden, Heidenen en Turken on g erscheiden. (Hand. 2:38 40; Gal. 3:17; Rom. u : 3 en 4; I Cor. 12 13 ; Ef. 5 : 26).
Het is juist deswege dat vanaf de tijden der postelen niemand als Chi'isten erkend v/erd, tenzij p ij gedoopt was. En wie, zoo uit de Joden als uit i e Heidenen, Christen wilden worden, werden M erstond gedoopt. (Hand 2:41; 8:38; 10:48; 15 en 33.) En daarentegen worden zij veioordeeld, ie zich niet hebben willen laten doopen, evenmin h ls de Farizeën door Johannes, verwerpende den aad Gods tegen zichzelven (Luc. 7 : 30 )
Volgens den Apostel Faulus is de Doop voorde esnijdenis in de plaats gekomen, Coloss. j2 : 11 n 13, gelijkerwijs nu de onbesnedenen geacht weren buiten het verbond der genade te staan, en ij bedreigd werden uit het midden van Godsvolk e zullen worden weggedaan, evenzoo en niet anders oet over de ongedoopten geoordeeld worden. De postel Paulus zegt in Ef. 2. : 11 en 12, dat de onbesnedenen zijn vervreemd van het burgerschap Israels, vreemdelingen van de Verbonden der beloften en zonder God in de wereld. Het is om ie reden dat de Heere tot Jozua zegt, nadat het volk besneden was: eden heb ik den smaad van Egypte van ulieden afgewenteld. (Jozua 5 : 9).
Waar de Doop voor de Besnijdenis in de plaats gekomen is, daar volgt voor den ongedoopte hetzelfde als vbor den onbesnedene.
Het onbesneden zijn, beteekent volgens de Schrift «liggen onder den smaad van Egypte." En zoo nu moeten de ongedoopten, als zij volwassen zijn, terecht gehouden worden als liggende onder den smaad van Turken en Joden.
Het voegt derhalve allerminst dat Christenen een huwelijk sluiten met hen, die den Doop niet ontvangen willen. Want door zulke huwelijken komt eene vermenging tot stand tusschen Christenen en «Vreensdelingen van het Verbond, " en zoodoende wordt het onderscheid weggenomen tusschen Christenen en de Heidenen, die buiten het verbond staan
Aangezien het nu niet betaamt dat Christenen met zulke verachters van den Doop, die in den Doop het Verbond zelf verachten, huwen, zoo is het nog veel minder betamelijk dat zulk een huwelijk kerkelijk wordt ingezegend. Want bij het kerkelijk huwelijk heeft er eene aanroeping plaats van den Name Gods, en wordt eene zegening ge geven. Hoe kan men met eene goede conscientie en met vertrouwen op gebedsverhooring de Name Gods aanroepen dat Hij een, uitdrukkelijk in Zijn Woord verboden, huwelijk zal zegenen !
Hoe zal de Kerk een zegen afbidden voor hen, die onder den vloek liggen, en die naar Gods bevel uit, Zijne gemeente gebannen moeten worden! Kortom, hoe zal men God kunnen bidden dat Hij e verachters van Zijn Verbond zegene »als medeerfgenamen van dat Verbond, dat God eertijds met hunne vaderen Abraham, Izak en Jakob heeft opgericht" (zie het gebed van het Huwelijksformulier), en bidden dat - Hij ze «heilige kinderen" geve, waar zij openlijk zondigen en onheiliglijk in hun huweijk het Verbond Gods verachten!
Uit het hierboven gezegde blijkt dus, dat het iet geoorloofd is anderen dan gedoopten kerkelijk e trouwen met aanroeping van den Name des Heeren. Maar dat het kerkelijk huwelijk niet toeestaan kan worden, als een belijder van de ware religie zich in echt begeeft met een Verachter van Gods Verbond of van den Heiligen Doop. En nóg veel minder kan kerkelijk ingezegend worden een huwelijk, waar beide trouwenden verachters van het Verbond of van den Heiligen Doop zijn.
Is dan het huwelijk op zichzelf genomen niet eerbaar onder allen, en het huwelijijsbed onbevlekt? Hebr. 13 : 4. Is het huwelijk niet voor den val inge steld ? Is het huwelijk van Godswege niet bevolen aan allen, die de gave der onthouding niet bezitten I Cor 7:9? Dat is alles volkomen waar, maar het is even-oo waar dat den onreinen alle dingen onrein zijn. (Tit. I : 151. En uit dit laatste volgt, dat het huwe ijk met onreinen en onheiligen verontreinigd wordt, want zij eerbiedigen de ordening Gods niet, noch de voornaamste doeleinden van het huwelijk, maar zij beoogen allen de botviering hunner wellusten.
En welke andere vruchten mag men van zoo danige huwelijken verwachten, dan dat het rijk er wereld daar dagelijks meerder heerschappij verkrijgt, door de verachting van het Verbond en van de Sacramenten, en dat het Christendom ver bastert tot Heidendom!
Na deze positieve uiteenzetting volgt eene bentwoording van een 5-tal tegenwerpingen, die ge aakt zijn. Dit stuk voegen wij hier aan toe.
ie. Tegenwerping: Alhoewel ze nog niet gedoopt ijn, dan zijn ze toch mits ze kinderen van Chris enen zijn, als bondelingen te beschouwen.
Antwoord: Zij kunnen niet als bondelingen bechouwd worden, omdat zij niet slechts het algeeene teeken des Verbods missen, maar zij ver chten en minachten dat tevens. En zoo betoonen ij feitelijk, dat de Christelijke religie hun niet eer waard is dan de Heidensche of Turksche uperstitie.
2e. Tegenwerping: r bestaat dan toch de mogeijkheid dat een niet gedoopte alsnog voor de Chriselijke religie gewonnen worde. Antwoord: r betaat veel meer kans dat de geloovige echtgenoot ngeloovig zal worden, dan dat de ongeloovige ge oovig zal worden. Zie Exod. 37 : 15, 16 en Set voorbeeld van Salomo, i Kon. 11.
3e. Tegemverping: olgens i Cor. 7 : 14 is de ngeloovige man toch geheiligd door de geloovige vrouw. Antwoord: e Apostel spreekt hier niet van een huwelijk dat nog gesloten moet worden aar van een huwelijk dat alreeds geslo'en is tuschen twee ongeloosigen, waarvan de een na de uwelijkssluiting tot bekeering komt. Want van en huwelijk, dat gesloten staat te worden, geldt e absolute regel: > alleenlijk in den Heere." 1 Cor. 7 : 39.
4e. Tegenwerping: braham nam toch voor zijn oon een vrouw uit Heidensche familie (Jozua 24 : 2). n ook Jakob nam twee vrouwen, dochters van ijnheidenschen oom Laban (Gen. 3 r: g).Antwoord: eze familie was niet 200 vervreemd van den waren odsdienst als de andere Heidenen. Zij erkenden blijkbaar Jehova voor den waarachtigen en eenigen od, als te zien in Gen. 24 : 50 en 31 : 49, 53
5e. Tegenwerping: Uit deze gedragslijn moet us volgen dat zij die ongedoopt zijn óf ongehuwd oeten blijven öf tegen hun wil tot den Doop gewongen worden. Antwoord: Dat volgt geenszins, ant men kan ook trouwen bij de O verheid volgens e burgerlijke wetten des lands. Het is aan de verheid opgedragen hen. die zich niet vervoegen unnen tot de kerkelijke vergaderingen in het stads uis of gemeentehuis, burgerlijk te trouwen. Maar el hebben wij aan de geloovij^e Overheid te veroeken ie. dat zij het huwelijk van een geloovige met een die den Doop veracht, verbindere zooveel als in haar vermogen is. Se. dat bijaldien zij, n.l. e Overheid, zulke huvvelijken niet verhinderen kan, at zij dan (evenals wanneer twee ongeloovigen ich echtelijk wenschen te verbinden) geen formules f bedewenschen gebruiken, welke in de Kerken ebezigd worden, opdat niet de Name des Heeren ontheiligd worde bij de aanroeping van zulk een huwelijk, door Hem verboden.
De beantwoording van deze laatste objectie laten we voor wat ze is. We voegen hier slechts aan toe, dat ons te allen tijde helder voor oogen lieeft te staan dat het kerkelijk huwelijk geheel op den grondslag van het Verbond staat, zooals tan dui elijkste uit het gebed van het formulier, ja uit het geheele Huwelijksformulier, blijkt.
Een huwelijk kan dus alleen dan kerkelijk wor en ingezegend, als beide betrokkenen in de^e zaak bondelingen zijn. Als een der beiden niet als boneling te erkennen is, vervalt alle grond voor het erkelijk huv/elijk, en kan niet anders dan een burgerlijk huwelijk plaats vinden.
Men bedenke naiumlijk 'lierbij wel, dat de Ge eformeerden nooit over iemands staat oordeelen. De intimis non indicat Ecclesia Maar de Gere ormeerde Kerk vroeg ten allen tijde naar uitwen ige kenteekenen. En dan is het uitwendig kenteeen of men in kerkelijk opzicht met iemand l of niet als bondeling kan iiandelen, het merk eeken van den Heiligen Doop; zonder dat is ieder vervreemd van het burgerschap Israels, en ten enenmale incompetent voor een huwelijksbevestiing in de Kerk van Christus, die het Verbond als itgangspunt neemt.
Practisch is deze vraag niet van zeer ingrij pend belang, want dergelijke huwelijken zullen in onzen kring altijd wel uitzonderingen blijven. Maar toch kan het geen kwaad, wanneer derge lijke vragen weer aan de orde komen, daarover het licht onzer oudere Synodes te laten schijnen.
Men gaat bij onze vaderen nooit te vergeefs in de leer. - imSSimÉ..
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 5 juni 1904
De Heraut | 4 Pagina's