Reorganisatie.
Van hooggeachte zijde wordt ons het olgende schrijven toegezonden, dat een ntwoord geeft op de vraag van Mr. Van er Brand.
Reorganisatie.
Is het nog te verdedigen, dat men lid blijft van het Ned. Herv. Genootschap, wachtende op eene reorganisatie?
Eene halve eeuw geleden waren de .Gereformeerden met die vraag bezig; zij waren van meening dat de strijd, door Dr. Meyhoom te Amsterdam en Dr. Zaalberg te 's Gravenhage verwekt, vele sluimerenden zou doen ontwaken; dat inwendige verbetering door omzetting der kerkelijke besturen te hopen was; dat die om zetting de vrucht zou kunnen zijn van de toepassing van art. 23 van het Alg. Regl.; en zij achtten daarom zuchtende en wachtende hun blijven gerechtvaardigd.
Enkelen slechts waren er die deze hoop niet deelden; één slechts. Dr. Schwartz (in De He raut) verhief zijne krachtige stem tot waarschuwing. Maar bijna algemeen bleef er deels nog hoop; deels vrees voor schokken; zoowel omdat afscheiding en vorming van een nieuw genootschap de kerk niet zou redden, als omdat men met schrik en angst dacht aan de gevolgen, die, naar men meende, geen andere konden zijn, dan ontkerstening der natie, wanneer de menigte werd overgeleverd aan den invloed van het modernisme.
Zich op deze meening verlatende, bleef de Synode voortgaan op den weg van uitstellen en opwerpen van exceptiën, om aan eene op de beginselen der leer gegronde uitspraak te ontkomen. Kwam er een-en andermaal eene be straffing, het gold den vorm, niet het wezen; zooals b.v, toen eenige predikanten het gewaagd hadden, op den preekstoel te verschijnen zonder bef en mantel; zij werden daarover bestraft; hetwelk aan Groen de opmerking in de pen gaf dat de Synode, zoo ijverig in het beteugelen der kleervrijheid, zich ook wel met het beteugelen der leervrijheid mocht bezig houden! Maar voor het overige: de geschiedenis is bekend. Uitstel en exceptiën tot 1886; na 1886 slechts één feit dat de aandacht trok, de uitspraak tegen de Gereformeerden.
Onze vaderen bleven zuchten en wachten. In 1866 werd art. 23 in werking gesteld, en hierdoor werd hunne hoop verlevendigd. Het door de mannelijke lidmaten volgens dat artikel uitge oefende stemrecht, zou eene samenstelling der besturen in confessioneele richting te weeg brengen. Werkelijk heeft de uitslag der stem mingen in de kerkeraden, vooral in de groote gemeenten, de meerderheid aan de confessioneele zijde gebracht.
De verwachte verandering in de Synode werd evenwel niet verkregen. In 1886 werd het duidelijkste bewijs geleverd, dat geene handhaving der belijdenis van de Haagsche Synode te wach ten was.
Is er grond om nog heden, evenais voorheen, op eene „reorganisatie der kerk" in het Her vormde genootschap, op herstel der kerk te hopen?
De geloovige Hervormden zien voorbij, dat de Haagsche Synode door hare einduitspraak over de bekende schorsing in-1886, waarbij werd uitgemaakt, dat niet instemming met de belijdenis, maar gehoorzaamheid aan de reglementen, besliste over het recht op lidmaatschap der Hervormde kerk — eene uitspraak in overeenstemming met het in dezelfde zaak door den Hoogen Raad gewezen arrest — het genootschap gesteld heeft op ééne lijn met gewone vereenigingen, gerond op statuten, door de Regeering erkend.
Het Hervormde kerkgenootschap onderscheidt zich na deze beslissing van alle godsdienstige gezindten. Op de vraag waarom iemand behoort tot de Roomsche, tot de Luthërsche kerk, tot de Doopsgezinde gemeente, kortom, tot deze of die kerkelijke gezindheid, kan het antwoord niet anders luiden dan: dat hij zich met de leer dier gezindheid vereenigt. Maar het Hervormde kerkgenootschap? hier doet geloof en overtui ging niets af, en het eenige kenmerk is gehoor zaamheid aan de reglementen. Het kenmerk eener kerk ontbreekt dus aan het Hervormde genootschap; en sedert die beslissing genomen is, is het niet v& tsi eene kerk, eene vereeniging van hen, die een gemeenschappelijk geloof belijden; en kan er derhalve, daar de kerk ver dwenen is, noch van „verlaten der kerk, " noch van „herstel der kerk" sprake zijn.
Daarom is nu de verwachting van reorganisatie in het Hervormde kerkgenootschap niet langer, gelijk voor 50, 40 jaren, te verdedigen. De tijd is voorbij, en het is voor geloovigen niet langer goorloofd deel uit te maken van eene corporatie waartoe zij, staatsrechtelijk ja, maar in conscientie niet, behooren; niet geoorloofd, de Gereformeerde kerk, waartoe zij in conscientie behooren, te bestrijden; niet geoor loofd duizenden in het opgroeiend geslacht op den dwaalweg te leiden. In zake het geloof geldt niet staatsrechtelijk bestaan, goedvinden er Overheid, openbare meening; maar de onscientie.
Utrecht, 3r Mei 1904.
Al wenscht de schrijver uit bescheidenheid ijn naam niet te noemen, de waardige toon n de hooge ernst van dit betoog zullen iet nalaten indruk te maken.
Het wachten op reorganisatie der kerk s, gelijk de schrijver volkomen terecht pmerkt, slechts een pijnstillend middel om an den eisch der conscientie te ontkomen.
Een kerk, die feitelijk haar belijdenis rijs heeft gegeven, bezit de innerlijke kracht iet meer om van een onheilige organisatie ich te ontdoen.
Dat heeft de historie van de laatste halve euw op de meest afdoende wijze geleerd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 5 juni 1904
De Heraut | 4 Pagina's