Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Van de tien geboden.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van de tien geboden.

18 minuten leestijd

XXI.

HET TWEEDE GEBOD.

X.

Tot opbouwing des lichaams van Christus. Efeze 4 : i2.

De gemeente, die de Zone Gods zich uit het gansche menschelijke geslacht vergadert, beschermt en onderhoudt, heet in de heilige Schrift het lichaam van Christus.

Wij hebben daarbij te doen met een beeld.

Niet toch het menschelijk lichaam van Christus, gelijk het thans in den hemel is, sedert onze Heiland voor de oogen zijner jongeren de aarde verliet, wordt daarmee bedoeld, maar de Schfift beeldt er mee uit de innige gemeenschap die er bestaat èn tusschen hem en zijn geloovigen en tusschen de geloovigen onderling.

Gelijk toch bij een menschelijk lichaam de leden in verband staan met het hoofd, zoo is er een band tusschen de geloovigen en Christus.

Tusschen Christus en ieder mensch, die hem. met een oprecht geloof is ingeplant. En ook, gelijk bij een menschelijk lichaam de leden onderling in verband staan met elkaar en voor elkaar hun verschillende verrichtingen uitoefenen en als één lid lijdt, al de leden mede lijden, zoo is er een band, een met en voor elkaar arbeiden, een onderlinge sympathie tusschen alle geloovigen.

Tusschen alle menschen, die Christus met een oprecht geloof zijn ingeplant.

In dien zin schrijft dan ook Paulus aan de geloovigen in Corinthe: n gijlieden zijt het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder, (i Cor. 12 : 27).

En in dien zin vormen alle menschen hier op aarde, die hoe ook door taal en afkomst en volksbestaan en kerkinrichting gescheiden, Christus met een oprecht geloof zijn ingeplant, het lichaam van Christus.

Als uw ziel nu goed staat, zóó dat er geloofswerking is, dan zijt ge u ook bewust van dien tweeërlei band.

Dan weet ge, dat Jezus uw Hoofd en gij een lid van Hem zijt, en gij hebt daarbij een gevoel van innig-zalige vreugde.

Het vreugdegevoel der gemeenschap; van het niet en nooit alleen zijn; het vreugdegevoel van onder bescherming te staan; van met al uw zonde en schuld niet voor eigen rekening te liggen.

Maar dan weet ge ook, dat alle geloovigen op aarde uw broeders en zusters zijn, omdat zij, in en door uw Jezus, mèt u kinderen van den eenen Vader in de hemelen zijn, en gij hebt daarbij een gevoel van innige liefde.

Het liefdegevoel der gemeenschap, der saamhoorigheid; veel sterker nog dan dat wat ge voor uw medemenschen, veel sterker vaak dan dat wat ge voor uw eigen bloedverwanten hebt.

Sterker toch dan de band van het bloed zijn op den duur de geestelijke banden.

De gemeente als het lichaam van Christus is dus een geestelijke gemeenschap.

En wat in een menschelijk lichaam de ziel is, dat is in haar de Heilige Geest die sedert den Pinksterdag in de gemeente woont.

Het is dit lichaam van Christus, tot welks opbouwing, naar wij een vorig maal zagen, de arbeid van het kerkelijk ambt dient het werk der bediening. Wij zagen toen ook, dat dit opbouwen of stichten niet anders bedoelt dan de volmaking der heiligen, het doen beantwoorden der geloovigen aan wat zij voor God moeten zijn.

Christus toch vergadert, beschermt en onderhoudt zijn gemeente door zijn Geest en Woord.

Onmiddellijk door zijn Geest en middellijk door zijn Woord.

En bij die middellijke werking door het Woord gebruikt hij ook den dienst der menschen; het werk der bediening; den arbeid van het ambt.

Hier, bij de bespreking van het tweede gebod, hebben wij nu dezen arbeid van het ambt in den kerkdijken eeredienst nader uiteen te zetten.

Nu zijn zoowel de dragers van het ambt, als het volk der geloovigen, dat onder de bediening van het ambt verkeert, zondige menschen.

Vandaar, dat ook bij den kerkelijken eeredienst, telkens tegenover het normale of van God gebodene, het abnormale o van God verbodene opkomt; den kerkelijken eeredienst deformeert.

Hiertegen nu is, voor ieder Christen, voortdurende reformatie plicht.

En thans zijn wij met onze artikelen over het tweede gebod toegekomen, even als vroeger bij het eerste, aan het aanwijzen van dat normale of wat van God gewild is, tegenover het abnormale, of wat opkomt uit het willen van in zich zelfnog altijd zondige menschen.

Is het doel ook van den kerkelijken eeredienst niet anders dan de sterking van de religie; van de godsvrucht en den godsdienst des harten zoowel als van den godsdienst in het leven; bij den innigen samenhang tusschen godsdienst en godsvrucht en tusschen godsvrucht en geloof, waarop wij vroeger, bij de behandeling van het eerste gebod wezen, — komt ook bij den kerkelijken eeredienst dus alles aan op sterking van het geloof.

Dit geloof nu is, naar wij vroeger vonden, een eigenaardige „geschiktheid" van 'smenschen kennen en willen. En wel om te kennen zijn God, voor zoover Hij zich zelf geopenbaard heeft, met een zekere d. i. vaste kennis; en om, bij den innigen samenhang tusschen kennen en streven in het willen, te willen de gemeenschap met, de genieting van God; en de onderschikking van eigen wil aan Zijn wil.

Het is door de zonde, dat dit geloof bij den mensch in ongeloof omsloeg, en alleen in de wedergeboorte, - of de lijdelijke bekeering, wordt door een onmiddellijke werking van God den Heilige Geest, die Hij alleen aan de uitverkorenen verricht, het geloof als „vermogen" weer hersteld.

Zonder dit onmiddellijk werk Gods in zijn van nature geestelijk doode ziel kan een mensch niet gelooven. Want, schrijft Paulus, aan de Efeziërs, uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave (h. 2 : 8).

Dit geloof nu, waardoor wij gelooven — want het geloof als „actie" is een daad van den mensch, gelijk het geloof als „vermogen" een gave van God is; niet anders dan met uw spreksn en uw spraakvermogen, uw hooren en uw gehoorvermogen — dit geloof nu waardoor wij Christus zijn ingeplant, doet ons gelooven al wat God in Zijn Woord, in de Schrift geopenbaard heeft.

Het geloof waardoor wij gelooven, richt zich op de openbaring Gods in de heilige Schriftuur als zijn voorwerp, als dat wat, tot zaligheid, geloofd wordt.

Nu kan God de Heere het geloof, waardoor een mensch Christus wordt ingeplant en dus een lid van zijn „lichaam" wordt, in Zijn vrij macht, zoowel onder als buiten de ambtelijke samenkomst van Zijn Volk schenken.

Vóór of onder of na den heiligen doop; onder of buiten de bediening des Woords.

De Heere kan in Zijn Vrijmacht een pasgeboren kindeke, dat ongedoopt wegsterft; een krankzinnig geborene, die van den dienst des Woords niets begrijpt en er nooit onder verkeert evenzoo het geloofsvermogen schenken, als Hij dat kan doen reeds vóór den doop aan een kind, of op later leeftijd aan een volwassene onder den dienst des Woords.

In dit alles is Zijn vrijmacht onbeperkt.

Maar vast voor ons bewustzijn moet staan, dat de inzetting van het geestelijk leven, en , mitsdien de inplanting van het geloofsvermogen, een onmiddellijk werk Gods is, en juist daarom niet door middel van het werk der bediening tot stand komt.

Het is de meest mystieke of verborgen werking Gods aan een ziel.

Zij schuilt in het verborgene. En ieder, die voor het verborgene, of mystieke leven voelt, zal dan ook moeten erkennen, dat er zulk een onmiddellijk werk Gods vooraf moet gaan.

Wij brengen dit stuk hier met opzet ter sprake, omdat helder inzicht daarin licht werpt op het karakter ook van den kerkelijken eeredienst. Deze toch is een ontmoeting van God met Zijn Volk; van God den Heere en Zijn geloovigen in den Middelaar Jezus Christus; waarbij, krachtens het tweezijdige van den eeredienst, de Heere tot Zijn Volk nadert en Zijn Volk tot Hem door het ambt, door het „werk der bediening, " — doch waarbij het ambt niet dan werktuig of instrument is, en dus, al werkt Gods Geest ook door het ambt, het ambt nooit zal kunnen uitwerken wat een eigen werk des Geestes is.

Is dus het doel van den kerkelijken eeredienst sterking van het geloof, dan volgt daaruit dat er, wat trouwens reeds in het begrip „sterken" ligt, geloof aanwezig f moet zijn.

Wat niet is kan niet gesterkt; waar geen leven is, als bij een lijk, baten geen versterkende middelen, en zoo nu is het ook juist bij den eeredienst.

Door en onder den eeredienst nu kan dan ook slechts in den middellijken weg en altijd onder beding, dat God zelf in en door de middelen werkt, het geloofsvermogen zelf gesterkt, en tot geloofswerking gebracht en deze geloofswerking veiiioogd worden.

Doch even als de landman dan alleen den wasdom mag verwachten, wanneer hij naar Gods ordinantiën zijn akker bearbeidt, zoo ook is er van de gemeente als van Gods „akkerwerk" (i Cor. 3 : 9), d. w. z. Zijn bouwland of akker, dan alleen wasdom te verwachten, wanneer het werk des menschen aan haar besteed, zich richt naar Gods gebod.

Dit nu geldt bij den kerkelijken eeredienst zoowel van wat daarbij van Gods zijde door het ambt, als van de zijde des volks geschiedt. Immers wel werkt de Hepre instrumenteel door het ambt, maar het instrument is hier 'n mensch. En niet 'n bijl of 'n zaag, of een operatietang, maar wel 'n ambtsdrager in Christus' kerk heeft zijn wil; een wil, dien hij ook in het werk der bediening moet onderschikken aan Gods wil.

Zijn wijze van handelen is ook in dit werk door Gods gebod bepaald.

Overeenkomstig dat gebod het Woord te brengen, het sacrament te bedienen, den zegen op te leggen is zijn plicht, en evenzoo is het plicht van het volk des Heeren. overeenkomstig Zijn gebod, het dus gebrachte Woord te genieten, het dus bediende sacrament te gebruiken en den dus opgelegden zegen te ontvangen.

Wat nu het brengen van het Woord betreft, waarover wij in dit artikel zullen handelen, mag de ambtsdrager niet anders willen dan het Woord van God aan het volk te verkondigen overeenkomstig de meening des Geestes, zoo als de kerk die in haar worsteling met de ketterij heeft leeren verstaan en in haar belijdenis heeft geformuleerd.

Eerst bij de bespreking van het derde gebod, waar over het gebruik en misbruik van Gods Naam, d. i. Zijn openbaring, zal worden gehandeld, kunnen we hier verder op ingaan. Alleen zij er hier op gewezen, dat de prediker zich helder bewust moet zijn van Gods Woord te brengen; van te wezen de mond van God, waardoor Hij tot Zijn Volk spreekt. In déze wereld van leugen en van dwaling, heeft de Heere ons in de Schrift gegeven Zijn Woord als de Waarheid. Het getuigenis des Heiligen Geestes, doet den geloovige de Schrift als Gods Woord aannemen, en in den kring der geloovigen heeft de prediker dan ook op last en in dienst van zijn God te verkondigen, dat zaligheid of verdoemenis aan het al of niet gelooven van wat God in Zijn Woord belooft, is gebonden.

Deze bediening des Woords houdt zeker ook in, dat de ambtsdrager op last van zijn God, maar zonder als mensch te oordeelen over het verborgene, het koninkrijk der hemelen ontsluit voor de geloovigen en toesluit voor de ongeloovigen.

Maar de bediening des Woords houdt meer in. Met de hem geschonken „sleutelmacht" — het toesluiten en ontsluiten van het koninkrijk Gods — dient de ambtsdrager zijn God, maar hij moet met het Woord ook dienen het Volk des Heeren.

In den meest letterlijken zin, moet hij aan het volk het Woord bedienen, toedienen.

Hiertoe nu is een bijzondere bekwaamheid noodig, die het zij, gelijk bij de mannen van „singuliere gaven, " onmiddellijk door God wordt geschonken, hetzij door middel van „opleiding" wordt verkregen. ,

En dit beèienen of toedienen kunnen wij niet beter verduidelijken dan met een beeld aan het hótel-leven ontleend.

Wanneer gij in een goed ingericht hotel uw maaltijd gebruikt, dan worden u de, in de keuken, smakelijk toebereide spijzen achtereenvolgens toegediend, en als het nu heel keurig toegaat, zét de tafelkellner zoo'n schotel met spijs maar niet zoo voor u neer en laat er u dan zelf maar mee geworden, doch hij laat u telkens eerst den gevulden schotel zien en schept er dan uit of snijdt er op af en legt dat op uw bord; zoo bedient zoo'n kellner u dan.

Dit alles nu goed te doen, vereischt moeite en zorg en kunst.

En zoo nu ook is het met de bediening van het Woord.

Het is niet genoeg, dat een prediker zoo maar stukken uit het Woord aan het volk brengt, maar zoo'n stuk moet eerst door hem worden toebereid. Wat de Heere tot oud-Israel gezegd of in den tijd der belofte gewrocht heeft; wat de Heere Jezus of de apostelen hebben gezegd of gedaan, moet in de oorspronkelijke taal, waarin ons dat, vermeld wordt, het Hebreeuwsch of Grieksch, worden verstaan; uit de tijdsomstandigheden en in verband met wat er om heen ligt verklaard; en als de prediker dat alles nu voor zich zelf helder inziet en dus verstaat wat God de Heere daar voor dien tijd en voor die menschen uit het verleden mee bedoelde, dan moet hij naspeuren wat de Heere daarin nog te zeggen heeft voor Zijn Volk in dezen tijd. Hoe hij het dus verklaarde nu heeft toe te passen. En dat is wel het moeielijkste.

Daartoe toch is niet alleen maar noodig kennis van den mensch, vooral van zijn ziel, en is mitsdien de beoefening van de „zielkunde" een vereischte, maar ook kennis van den tijd waarin men leeft, van de vragen, die de menschen bezig houden; van hun nooden en behoeften.

En er komt nog meer bij.

Niet slechts den mensch en zijn ziel, maar de menschen met hun verschillende individualiteit, hun verschillende geestelijke toestanden, moet de prediker kennen, zal hij in zijn toepassing „onderscheidenlijk" zijn.

En daartoe is noodig, dat hij het woord van den spreukendichter: ijt naarstig om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudde" (Spr. 27 : 23), voor zich zelf in toepassing brengt.

Want dit „onderscheidenlijk" wil niet maar alleen zeggen, dat hij onderscheid maakt tusschen bekeerd en onbekeerd.

Oók dit.

Zeker heeft de prediker zich te richten tot het Volk van God, tot de gemeente van onzen Heere Jezus Christus; hij treedt op in de vergadering der geloovigen en dus onder hen tiie in Jezus Christus door den Heiligen Geest gemeenschap met God hebben.

Hierbij is echter mogelijk, dat er niet slechts door Gods Geest wedergeborenen, maar ook nog niet-wedergeborenen zijn of ook zulken, die als verworpenen nooit tot wedergeboorte zullen komen en wier oordeel — hoe schrikkelijk en ontzettend dit nu ook is om het neer te schrijven — door het uitwendig verkeer onder het genadeverbond, juist zal worden verzwaard.

Nu kan de prediking zelf aan de wedergeboorte van 'n mensch, wijl de inzetting van geestelijk leven, naar wij boven zagen, een onmiddellijk werk van God is, niets doen. Wel kan een mensch onder, maar niet door de prediking worden wedergeboren.

Anders staat het echter waar 'n ziel reeds wedergeboren is.

Ook hier is dan weer tweeërlei mogelijk.

Onze Catechismus noemt als een der stukken van de waarachtige bekeering: de opstanding van den nieuwen mensch. (Antw. 88).

De „nieuwe mensch" moet er dus eerst zijn voor hij kan opstaan. M. a. w. aan de dadelijke, gaat de lijdelijke bekeering of de wedergeboorte vooraf.

En nu kunnen er onder 's Heeren Volk zijn die óf wedergeboren zijn en zichrt.zAs, bekeerd hebben, of die reeds wedergeboren zijn, maar zich nog niet bekeerden.

Dat allen, die tot 's Heeren Volk moeten gerekend, daarom nog niet bekeerd zijn, leert de ervaring uit wat sothmige spreken en doen, en te zeggen, dat men bij de prediking geen „onderscheid" mag maken tusschen bekeerd en onbekeerd, is dan ook niet dan een booze list van Satan, dienend om onbekeerde zielen in valsche gerustheid te houden.

Tot de nog onbekeerden moet wel degelijk dus bij de prediking een roepstem ter bekeering uitgaan; een roepstem, die waar Gods Geest in het werk der bediening inwerkt, ook zal worden gehoorzaamd, zoodat een levendgemaakte ziel, dus door haar God bewrocht, zich bekeert.

Maar met dit onderscheid maken tusschen bekeerd en onbekeerd is wat men „onderscheidenlijk" in de prediking noemt op verre na nog niet uitgeput.

Het gaat veel dieper.

Er is zoowel in de zonde als in de genade gradatie.

Alle onbekeerden staan niet gelijk, en evenmin staan alle bekeerden even hoog.

Daarom moet de toepassing ontdekkend wezen, iets wat niet beter is te zeggen dan met de woorden der Synode van Wezel, „dat het licht der waarheid van Gods Woord moet doordringen in al de bedekte voorhangselen en schuilhoeken van de zielen der toehoorders.”

Van de onbekeerden zoowel als van de bekeerden.

Het is niet genoeg alleen maar te spreken van zonde, maar men moet de zonde in haar verschillende openbaringen bespreken en bestrijden.

Het is niet genoeg den onbekeerde tot bekeering te hebben gebracht, maar men moet hem ook den weg wijzen hoe hij zijn God in dit leven al beter kan dienen; zijn inzicht in de van God gestelde normen verhelderen; hem leeren wat en hoe hij te willen weten moet.

En naast dit zedelijk of ethisch moment, waarbij het aankomt op het onderschikken van 's menschen wil onder Gods Wil, op vrijwillige gehoorzaamheid, mag ook het verstandelijke of intellectueele element niet ontbreken. God toch heeft ons in Zijn Woord niet alleen geopenbaard hoe wij leven moeten, maar ons daarin ook kennis omtrent Zichzelf geschonken. Een kennisSe Gods, waaromtrent wij Gereformeerden belijden, dat zij nog klaarder en vólkomelijker is dan die uit de natuur kan worden verkregen; en dat zij juist zoover gaat als ons van noode is in dit leven tot Zijne eer en de zaligheid der Zijnen (Gel. Bel. Art. 2).

Toch zou een prediking die dus de kennisse Gods tracht te verrijken en te verhelderen, en het dienen van God te verbeteren nog niet zijn wat zij wezen moet.

Wie God is en wat Hij is in betrekking tot de wereld en in die wereld tot den mensch, moet al klaarder en duidelijker voor het bewustzijn van de gelpovigen komen te staan.

De waarheid, gelijk de kerk ze op dit stuk belijdt in haar dogma's, moet tegenover de minder zuivere belijdenis van nietgereformeerde christenen, tegenover de valsche dogma's van het antieke en moderne heidendom worden uiteengezet.

M. a. w. de leer moet worden onderwezen en daarbij de dwaalleer weerlegd.

En ook, de normen voor wat goed en slecht is in het menschelijk handelen moeten geleerd en in haar toepassingen op de verhoudingen van het leven in gezin en maatschappij, kerk en staat worden uiteengezet.

Maar daarmee is meu er nog niet.

En eerst wanneer bij dit intellectueele en dit ethische ofzedelijke ook het mystieke moment komt, is de prediking goed.

Wat wij hiermee bedoelen is dit.

Daar is een werk Gods in Zijn geloovigen.

In het diepst van hun wezen, in hun hart, of, wilt ge, hun gemoed.

Een werk des Heiligen Geestes, dat, omdat het zonder middelen geschiedt, onmiddellijk mag heeten; dat omdat het deels voor anderen, deels voor de geloovigen zelf verborgen is, een verborgen werk mag heeten.

Dit onmiddellijke en verborgene nu, dat aan denken en willen voorafgaat, is het mystieke moment in de religie.

God werkt in ons veel meer dan waarvan wij ons bewust zijn, maar van veel ook dat Hij in ons werkt, worden wij ons bewust.

Bovenal ook in onze religieuze aandoeningen van berouw en droefheid, van haat tegen de zonde en liefde tot heiligheid, van vreugde ea blijdschap, van onrust en vrede.

Daar zijn bovendien tijden, waarin het geloof krachtig werkt, en oogenblikken waarin het heel niet werkt; tijden van verzekerdheid en oogenblikken van twijfel. Tijden waarin de ziel geniet de aanschouwing van het aanschijn des verzoenden Gods en oogenblikken waarin zij dat moet missen. Tijden van toeneming en van verachtering. Evenals nu een arts, die ons tijdelijk en lichamelijk leven verzorgt, op al de uitingen van dat leven let, zoo moet ook in de prediking welterdeeg rekening gehouden met het geestelijk en hemelsch leven in de zielen der geloovigen.

Hier is raad en leiding noodig.

Hier is noodig, dat de prediking zoowel voorwerpelijk als onderwerpelijk zij.

Dat voor alles er op worde gewezen, hoe de bestaansgïonA onzer zaliging buiten ons ligt in wat God voor ons in Christus gedaan heeft, opdat de ziel leere rusten eenig en alleen in het volbrachte werk van haar Borg en Middelaar; in de zaligheid die Hij voor haar heeft verwonnen.

Maar ook is noodig, dat er op gewezen worde hoe de kengtond onzer zaliging in ons ligt; in wat God in ons, in Christus door den Heiligen Geest, werkt. Zeker, de wijze van deze werking kunnen de geloovigen in dit leven niet volkomenlijk begrijpen; ondertusschen stellen zij zich daarin gerust, dat zij weten en gevoelen, dat zij door deze genade Gods met het hart gelooven en hunnen Zaligmaker liefhebben (Leerregels van Dord h. 3 en4§ 13). Maar daartoe moeten de zielen der geloovigen dan ook gesterkt worden in het „oprecht geloof, " en door de „waarachtige bekeering" moet al wat hindert aan het „weten en gevoelen" dat er geloof en daarmee heilige liefde in hun ziel is, worden weggenomen; opdat er ook een welgegronde gerustheid zij op het stuk van de persoonlijke toepassing der door Christus voor Zijn volk verworvene zaligheid.

Eerst waar dus het Woord na voorafgaande studie en naar de meening des Geestes verklaard; met bedienende macht, onderscheidenlijk, voor hoofd en hand en hart, èn voor-èn onder-werpelijk wordt toegepast; wordt het Woord naar Gods gebod bediend.

En een prediker, die dus het Woord „recht snijdt" (2 Tim. 2 : 15), mag verwachten, dat Zijn ambtelijke arbeid ten goede zal komen aan de openbaring van het lichaam van Christus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 juni 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Van de tien geboden.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 juni 1904

De Heraut | 4 Pagina's