Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Saul, Saul, wat vervolgt gij mij?”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Saul, Saul, wat vervolgt gij mij?”

8 minuten leestijd

En hij zeide: Wie zijt gij Heere? En de Heere zeide: Ik ben Jezus, dien gij vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan. Hand. 9:5.

Niets heeft den apostel Paulus, tot zijn einde toe, zoo bitter in de ziel gekweld, als het onloochenbare en niet te vergeten feit, dat hij de gemeente des Heeren, dat hij de belijders van den Christus, en in die Christenen den Christus zelf, vervolgd had.

Dat was die bange herinnering, die hem nog openlijk klagen deed, dat hij, de apostel, de grootste der zondaren was.

Hij wist, hoe ook andere pas bekeerde Christenen zich? elven veel booze diagen uit hun vroeger leven te verwijten hadden. Breed is de lijst van ondeugden, oneerbaarheden, oneerlijkheden en goddeloosheden, die hij telkens in zijn brieven aan de gemeente voorlegt.

Maar ook al wist hij zeer wel, dat er in elke gemeente broeders en zusters waren, die wel terdege in hun stad bekend stonden als voorheen in al zulken gruwel vervallen, toch achtte hij dat alles veel minder erg dan wat hij zelf bedreven had.

Die anderen waren wereldsche, zinlijke, niets ontziende overtreders van de wet zijns Gods geweest, maar hij had tegen God zelven gestreden; hij had de gemeente Gods en in haar den Christus zelven vervolgd. En daarom, neen niet die anderen, maar hij, de wreede vervolger, die mannen en vrouwen beiden gebonden naar Jeruzalem had gebracht, om ze aan het Sanhedrin over te leveren, aan datzelfde Sanhedrin, dat zij o Jezus aan het Kruis had gebracht, hij was de grootste, de ergste, de gruwelijkste, de diepst schuldige der zondaren.

Natuurlijk wist de apostel dat hem genade was geschied. Hij geloofde muurvast dat ook deze grootste zonde hem vergeven was; ja, dat de God van alle ontferming ook deze zonde in de diepte der zee had geworpen, en dat ze hem noch hier, noch in het Vaderhuis ooit door zijn God meer zou gedacht of verweten worden.

O, de vergiffenis in het bloed van Christus is, zoodra ge waarachtig gelooft, een volstrekte

Het bloed van Jezus Christus reinigt van alle. zonde.

Maar juist dit, dat het bloed van zijn Hei land moest vergoten worden, ook om af te wasschen de zonde, waarmede hij dien Heiland vervolgd had, gruwelde telkens weer voor zijn inwendig besef op, om hem op het diepst te verootmoedigen, en dan ja, om naar diezelfde mate de verzoening met te voller teug in te drinken.

Maar het feit bleef dan toch, en bleef als met vurig schrift hem telkens tegenglinsteren: hij, nu zelf apostel, had zijn Jezus vervolgd, en als Jezus zelf hem niet gestuit had, zou hij in die schriklijke zonde steeds verder zijn doorgehold.

Heel zijn leven zou gebleven zijn één strijd tegen zijn God.

Nu heeft dit ons in zooverre persoonlijk niets te zeggen, als geen onzer in dien directen zin ooit de belijders vanjezusvervolgdheeft. Geen onzer heeft zich te verwijten, dat hij een Christenmensch omdat hij Jezus beleed, aan den rechter heeft overgeleverd. Zelfs de mogelijkheid bestond hiertoe niet. Wij leven in een Christelijk vaderland, en rechtstreeks om dat men Jezus belijdt, gaat niemand hier naar den kerker.

Maar hiermee is de zaak toch niet uit.

Jezus zelf heeft kort voor zijn sterven ons het laatste oordeel geteekend, en het ons daarbij in levendige kleuren geschetst, hoe een man of vrouw die een kind van God liet verhonge ren of gebrek liet lijden, in het helsche vuur zou gaan, en zulks wel om deze reden, dat voorzoover hij dit aan een der broederen van Jezus had misdaan, hij dat misdaan had aan Jezus zelf.

Ook hier dus geheel hetzelfde standpunt.

Wie den Christus vervolgt, vervolgt Jezus zelf, maar ook wie een beker koud water weigert aan een discipel van Jezus, weigert dat aan Jezus zelf.

De personen treden hier geheel op den achter grond, en achter de personen van zijn belijders staat altoos Jezus in zijn majesteit,

Het wordt voor God altoos gerekend, alsof de Zone Gods zelf voor ons had gestaan, en alsof we met Hem en niet met zijn belijders hadden te doen gehad.

En als ge u nu afvraagt, of de discipel van Jezus ook nu niet nog telkens aan smaad, aan krenking, en alzoo aan zijdelingsche vervolging bloot staat, dan geeft ook de historie van onze dagen op die vraag, helaas, nog maar al te zeer een bevestigend antwoord.

In gesprekken, op vergaderingen, in dagbladen en in wereldschelitteratuur zijn de bewijzen hiervan voor het grijpen.

En nu komt tot wie thans zijn Heiland belijdt, de hoog ernstige vraag: Hebt gij zelf hieraan vóór uw bekeering nooit meegedaan, of er althans niet heimelijk schik in gehad, al was het maar door een lach van instemming, die zich om uw lippen plooide?

Hebt ge hieraan nooit schuldig gestaan, al ware het slechts in den overgangsleeftijd van knaap op man?

Meer nog, hebt ge dien spot, dien hoon nooit en nimmer aangehoord, zonder er aanstonds tegen te protesteeren?

En zóó verstaan, wie gaat dan vrij uit? En wie onzer moet dan van achter niet erkennen, dat ook hij dien spot en hoon tegen zijn Heiland geduld, zoo niet er in gedeeld heeft, en reeds daardoor schuldig staat aan het vervolgen van zijn Jezus.

Maar natuurlijk, hierbij blijft het niet.

Het zijn niet alleen de personen der belijders, in wie Jezus nog altoos zijdelings vervolgd wordt, maar de giftige strijd keert zich nog altoos overal en openlijk evenzeer tegen de belijdenis zelf, tegen de kerh van Christus, tegen Gods heilige openbaring tegen de zaak des Heeren, en tegen het koninkrijk der hemelen, dat de Zone Gods op aarde in zijn bloed gesticht heeft.

Zelfs is die strijd heftiger dan ooit geworden.

De Christus is God te prijzen in eeuwigheid, en Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde, en juist in dit zijn Wezen en in deze zijn majesteit wordt hij zonder sparen op elk gebied van menschelijke gedachtenuiting openlijk aangerand.

Zijn waarheid wordt leugen en droomerij geheeten.

En letterlijk is er één stem, uit alle hoeken van de wetenschap opkomend, om de natiën eens en vooral met den Christus en zijn waarheid te doen breken; om ze van den Christus te doen afvallen; en haar zich ten slotte tegen den Christus te doen keeren.

Hier nu is rechtstreeksche vervolging van den Christus.

En nu komt ook tot de belijders van den Christus deze vraag: Hebt ge vóór uw bekeering hieraan nooit meegedaan, heeft nooit uw woord, uw invloed, uw geld hen gesteund, die dezen bitteren strijd tegen den Christus hebben aangebonden ?

En zoo ja, hoe kunt ge dan zeggen, dat de conscientieroep aan Paulus: „Saul, Saul wat vervolgt gij mij", op u niet toepasselijk zou zijn geweest ? _

Zelfs bepaalt zich dit niet tot uw verleden.

Of zijn er niet belijders en belijderessen van onzen Heiland in menigte, die, o, ja, voor zich zelven persoonlijk de verzoening in het bloed van Christus aangrijpen, en niet anders begeeren, dan eens in Jezus te ontslapen; maar die voorts den strijd om de eere Chtisti, de worsteling voor de zaak des Heeren, en het ij veren voor zijn Waarheid, kalm eu rustig aan anderen overlaten, zonder zich de breuke van het huis Jozefs ooit ernstig aan te trekken?

En nu, wat zoudt ge oordeelen over soldaten op het slagveld, die het kalm en rustig aanzagen, dat hun makkers door een overmachtigen vijand overweldigd en verplet werden, en, zonder een hand uit te steken, het gedoogden, dat het vaandel door den vijand vertrapt werd, om voorts zich de conscientie te stillen met de zelfoverlegging, dat ze toch nooit met den vijand hadden geheuld.

Van verraad en lafheid zoudt ge ze immers aanklagen. En ieder voelt, en stemt toe, dat wie zóó zich op het sl.igveld aanstelde, wel terdege met den vijand geheuld en zijn eigen makkers, die vielen, ten doode zou gedoemd hebben.

En is het dan anders hier?

Als ook nu de strijd voor de zake Christi, zelfs met grooter inspanning dan ooit te voren, moet worden doorgezet, en gij zegt den Christus te belijden, maar blijft van verre staan, en de heirscharen van Jezus delven dan het onderspit, zijt gij het dan niet, die de zaak uws Heeren verraden, de eere van zijn heiligen Naam ver laten hebt, en juist door uw stilzitten en nietsdoen ook op u het woord tot Paulus toepasselijk maakt: „Saul, Saul, wat vervolgt gij mij!"

De ongeloovigen weten niet wat ze doen. O, als hun de schellen van ^e oogen vielen, en ze konden inzien en doorzien, hoe vreeslijk het oordeel is, dat over hen gaan zal, omdat ze letterlijk al hun levenskracht uitputten om den Christus en zijn Waarheid terug te dringen, ze zouden met een doodschrik in hun conscientie worden bevangen.

Maar is het niet een nóg pijnlijker bedroeven van den Heiligen Geest, als belijders des Heeren zich hieraan zijdelings door hun nietsdoen schuldig maken?

Van Bethsaida en Chorazin heeft Jezus betuigd, dat het Tyrus en Sidon in den dag des oordeels verdragelijker zou zijn dan aan haar inwoners.

En zoo staat het ook hier.

Onder de banier van Christus te schuilen voor eigen zielsbehoud, en dan het lijdelijk te kunnen aanzien, dat die banier door de ongeloovigen in het stof wordt vertreden, is het niet een verloochenen van den Heiland op de markt des levens, en moet het zich m de conscientie niet straffen met een: „Saul, Saul, wat vervolgt gij mij? ”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 juni 1904

De Heraut | 4 Pagina's

„Saul, Saul, wat vervolgt gij mij?”

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 juni 1904

De Heraut | 4 Pagina's