Uit de Pers.
In zijn belangrijke artikelen Hoe men in het huis Gods verkeer en moet, in het Bijblad van de Geldersche Kerkbode, geeft Ds. Hoekstra uitnemende wenken voor de gemeente, die echter ook menig prediker wel ter harte nemen mag:
In deze artikelen, die over den dienst des woords handelen, willen wij niet onzen mededienaren wenken geven, hoe het woord Gods behoort bediend te worden. Daarvoor hebben wij geen aanstelling noch opdracht. Wij hebben geen homiletiek of wetenschap der predikkunde te onderwijlen; en veel minder nog willen wij betoogen, dat er eigenlijk geen homiletiek noodig is. En met het oog op de omstandigheid, dat wij meer dan eens oudere of ook jongere ambtsbroeders hooren prediken, wier allerdegelijkste bediening des woords, afstekende naar de diepte, geestelijk rijk van inhoud, met gepaste schoonheid van vorm, het fijne goud der Schrift uitgravende, ons hart met erkentenis aan den Heere voor zijne zegeningen aan zijne kerk vervult, zou het ons wel voorkomen, dat het ons minder voegen zou, onzen ambtsbroeders wenken te geven. Voor zoover, in het algemeen gesproken, bestiering in deze zaak noodig is, is dat ook wel op zeer uitnemende wijze geschied, onder anderen eenige jaren geleden in Heraut artikelen van de hand van Dr. A. Kuyper Sr., onzen leermeester in onze tijden, welke anikelen voorzeker wel meer dan waard zouden zijn, apart uitgegeven te worden.
Wat wij schrijven, is voor de gemeente bestemd, om haar te doen gevoelen, wat zij te zoeken heeft in den dienst des woords en haar eene degelijke bediening des woords te doen waardeeren. Ook dringen wij niemand onze gedachten aangaande deze dingen op. Wij zeggen maar eenvoudig, hoe wij er over denken.
Van het «motto preeken" is in de laatste tientallen jaren door bevoegde mannen wel zooveel kwaad gezegd, dat dit ongelukskind wel weinig of niet meer zal aangetroffen worden in onze Gereformeerde kerken. Onder «motto preeken'' verstaat men het volgende. De prediker krijgt eenige schoone denkbeelden voor zijnen geest, treffende denkbeelden, pakkende en aangrijpende zaken; misschien zeer waar; wellicht zeer roerend. En nu zoekt hij een tekst, die naar het hem voorkomt, daar wel bij past, Want als men preeken zal, moet men toch een tekst hebben! En zoo wordt dan die tekst als een kapstok ot spijker gebruikt, waaraan het kleed van des predikers treffende gedachten wordt opgehangen. Van dit »raotto preeken", van dit ongelukskind, gelijk wij het noemden, is terecht zooveel kwaad gezegd door onze Gereformeerde leidslieden in de laatste tientallen jaren, dat het niet licht wagen zal, zich weer onder ons te vertoonen. Wij zouden er echter niet geheel voor durven instaan, dat het gansch geen bewonderaars meer vinden zou in onze Gereformeerde kerken. Het minder kerksche deel van ons volk, dat, behalve bij uitzondering, alleen den kerkgang van den Zondagmorgen kent, en liefst binnen de anderhalfuur weer de kerk uit is, om gauw bij de koffie te zijn, zou nog wel in de wolken te brengen zijn met een motto-preek. Eenige treffende gedachten en pakkende denkbeelden, wal met beelden toegelicht en in behagelijken, aangenamen vorm voorgedragen, met eenige toespelingen op de nieuw modische literatuur en een adertje «politieks" of «sociaals" er door heen, en dat alles smakelijk dooreengemengd, en een tekst gebruikt als een schotel, waarin het opgezet wordt — dat zou er misschien bij sommigen nog wel ingaan!
Maar — gelijk gezegd, de motto-preek is onder ons wel zóó uitgekleed, dat zij zich niet meer in het publiek durft vertoonen. En dat is maar goed ook. Want zulk motto-preeken, waarbij de tekst als een motto gebruikt wordt, om het te zetten boven een complex van eigen vindingen, als eene vlag, om de lading van eigen fabrikaat te dekken, is' niet eene bediening des Goddelijken woords. Het is een smaad, het Goddelijke woord aange daan. Het is een wegwerpen van de eere der bediening. Daarbij zou Gods woord een gesloten boek, een onontgonnen mijn blijven voor de ge meente. Waar de motto-preek in zwang is, laat ze het volk arm aan het waarachtige geestelijke leven. Nooit heeft dan ook het meer geoefende volk, dat dagelijks bij 't licht van Gods woord leefde, behagen gehad in zulk eene prediking.
Er is echter nog iets, dat groote overeenkomst heeft met eene begeerte naar het «motto-preeken'', en waarop de aandacht wel vallen mag. Sommige menschen, die geestelijk niet heel diep leven, zeggen dat ze er maar van houden om het Evangelie te hooren. Nu is op die uitdrukking op zichzelve geene aanmerking te maken; want werkelijk behoort ook uit elke predicatie het heilig Evangelie den armen zondaar tegemoet te komen. Maar zij, die zoo spreken, hebben wel eens wat een zeer kleinen en beperkten gedachtenkring op het gebied der geestelijke dingen. Zoo iets van het Engelsche en Amerikaansche Metho disme. Zulke menschen gelooven, met meer of minder diepte, dat zij zondaren zijn en dat het heil in [ezus is; en nu willen ze in de kerk maar blij ge maakt worden met het Evangel e. Ze willen eene prediking, die gelijk is aan een muziekinstrument van niet veel volkomenheid, waarop slechts een paar tonen al maar door gehooid worden, en zij hebben niet genoeg geestelijke ontwikkeling om zich uit 't volle orgel des Goddelijken woords de machtige accoorden van het heilig Evangelie te hooren tegenruischen. Gaf de prediking toe aan die begeerte, dan zou de rijkdom van Gods getuigenissen ook ingekrompen worden tot een zeker aantal teksten. Aan eene andere zijde vindt men dit euvel, in een anderen vorm, bij menschen, wier geestelijke gezichtskring schier geheel beperkt is tol toestanden en gestalten, die ze in zichzelven bevinden, en die soms ook maar alleen oor hebben voor 't woord Gods, zooverre het somtijds eens van dien toestand of van die innerlijke gesteldheid spreekt
Maar de gemeente des levenden Gods, die van den Heere zoo rijk gemaakt is met de onuitputtelijke schatten zijns woords, mag zich niet zóó laten verarmen dat ze voor zich het Goddelijk woord zou laten inkrimpen tot eenige uitspraken, die bij een minder diep roepen om het Evangelie of bij zoo enkele innerlijke gewaarwordingen en erva" ringen schijnen te passen. Aan de gemeente heeft God zijn volle woord geschonken, en alle ziel behoort zich op te maken en zich geestelijk op te scherpen, om dat woord in ïijne volheid op zich te laten inweiken.
Daartoe is ook niet ondienstig, dat in geregelde volgorde uit onderscheidene deelen der Schrift achtereenvolgens groote stukken worden behandeld Vluchtige menschen, gewend van den hak op den tak te gaan, hebben daarin soms geen behagen. Maar zoo ze wat vatbaar voor betere onderrichting zijn, zullen ze op den duur wel wat veranderen. En de gemeente in haar beste deel, zal op den duur den rijken schat van Gods getuigenissen bijzonder door zulk een behandeling gedurende eenigen tijd van grootere gedeelten der Schrift te beter leeren genieten en waardeeren. Wij willen hiermee niet zeggen, dat men altijd zoo doen moet, maar slechts opmerken, dat het zeer nuttig kan zijn, om den prediker en de gemeente beide te vrijwaren voor eenzijdigheid, om vele dingen niet onbesproken te doen blijven, waarover Gods woord tot de gemeente spreekt, en om haar de Heilige Schrift in haar verband en in haar geheel en in alle hare schatten te doen kennen, als van God ingegeven en nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is (2 Tim. 3 : 16).
Wat Ds. Hoekstra hier opmerkt is volkomen juist.
De mottoprediking komt in onze kerken nauwelijks meer voor. Ze stierf, omdat ze menschenwoord in plaats van Gods Woord bracht, een smadelijken dood.
Het gevaar schuilt thans veel meer in de prediking, die in plaats van den vollen rijkdom en de heerlijke diepten van Gods Woord te ontsluiten, zich bepaalt tot enkele van die algemeene teksten, waarin de „eerste beginselen" ons worden voorgesteld.
Voortvaren tot de volmaaktheid is daarom ook hier eisch.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 12 juni 1904
De Heraut | 4 Pagina's