Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Sanatoria voor longlijders.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Sanatoria voor longlijders.

9 minuten leestijd

Nu in den kring onzer diakenen de vraag opkwam, of het niet op den weg der diakonie ligt, sanatoria op te richten voor lijders aan tuberculose, heeft onze Christelijke pers schier eenstemmig hierop een ontkennend antwoord gegeven.

Niet, dat men geen deernis voelt met de arme lijders aan deze vreeselijke ziekte, die onder alle standen worden gevonden; niet dat men niet bereid was mee te arbeiden aan elke poging, om deze krankheid, die haar verslagenen bij duizenden telt, tegen te gaan; maar men twijfelde oi sanatoria voor dit doel wel het meest geschikte middel zouden zijn, en men oordeelde beslist, dat het oprichten dezer sanatoria niet behoorde tot de taak en roeping der diakonieën.

Ds. Klaarhamer heeft in de Utrechtsche Kerkbode klaar en duidelijk beide bedenkingen uiteengezet.

Wat het eerst punt, de doelmatigheid dezer inrichtingen aangaat, schrijft hij:

Nu wordt tegenwoordig beweerd, dat — zoo al niet het middel, dan toch een zeer krachtig — middel ter genezing van tuberculose-lijders gevonden is in de behandeling en verpleging in een sanatorium.

Men loopt met dit middel dan ook zeer hoog weg. Deels ten gevolge van de gewoonte der geneesheeren — vooral van de allopaten — om boud en hoog te spreken, deels ook omdat de begeerte naar een afdoende geneesmiddel zoo algemeen en sterk is. Men gelooft zoo gaarne, wat men wenscht.

Waarom ik deze zaak nu in de kerkbode ter sprake breng?

Wel, omdat er in den laatsten tijd stemmen worden gehoord, die er op aandringen, dat de kerken, de geïnstitueerde kerken, een sanatorium voor longlijdets zullen oprichten.

En dit nu wenschen we den kerken zeer ernstig te ontraden.

Vooreerst, omdat het mij — in alle bescheidenheid zij 't gezegd — voorkomt, dat het nog volstrekt niet, of ten minste niet afdoende, bewezen is, dat de behandeling en verpleging in sanatoria een krachtig middel ter genezing zou zijn.

Die inrichtingen vallen in den smaak. Haast schreef ik, ze zijn in de mode gekomen.

Maar menig geneesheer schudt het hoofd over de hooggespannen verwachting, omdat hij de bittere teleurstelling ziet komen.

Nog onlangs las ik het volgende:

— „De schrijver meent, dat van nabij beschouwd en critisch onderzocht, het hooggeroemde percentage van genezingen veel lagei is dan men het wil doen voorkomen.

Bevoegde deskundigen stellen het aantal definitieve genezingen van 3 tot hoogstens 18 pCt. De gevallen, waar verbetering is verkregen, op 72 pCt. die zich echter na 4 jaar reduceeren op 25 pCt.

Een Duitsch geneesheer, die een sanatorium van gegoeden dirigeert, rekent na een verloop van 3 tot 9 jaar op lo pCt. genezingen.

Waar gunstiger cijfers worden opgegeven, blijkt het gewoonlijk dat men lijders aan bloedarmoede of zenuwzwakte onder de genezenen heeft vermeld, die onder behandeUng van hun huisdoctor evengoed zouden hersteld zijn; dat men bij ongunstig verloop de behandeling onderbreekt, daar verergering of overlijden het eindcijfer zouden benadeelen, en dat men velen als genezen boekt, die na een of twee jaar opnieuw een prooi der ziekte worden.

Zelfs verschillende Duilsche doctoren worden genoemd, die in den laatsten tijd twijfel uitgesproken hebben omtrent de gunstige resultaten der sanatoria, daar het meer en meer blijkt, dat na 3 a 4 jaren ^\s^ dergenen, die vol hoop zijn ontslagen, dood of tot geenerlei werk in staat zijn.

Neemt men bij zulke resultaten, en nevens de reusjichiige onkosten nog het dictatoriale karakter van het Duitsche systeem in aanmerking, (want de ziektekassen hebben het recht bare verzekerden zelfs tegen hun wil naar een sanatorium te zenden en hen er te houden), dan moet men ons niet ten kwade duiden, roept de Fransche schrijver uit, als wij den strijd op een ander terrein beproeven over te brengen.

Waar de wetenschappelijke onderzoekingen der la.atste jaren voldoende hebben aangetoond dat de oorzaken, die de ziekte doen uitbreken drieërlei zijn, namelijk:

1. erfelijke voorbeschiktheid.

2. drankmisbruik,

3. lichaamszwakte voortkomende uit armoede, gebrek aan licht en versche lucht, overmatige insp, T, nning, dan ligt het voor de hand, dat de maatregelen, die wij moeten nemen, in de eerste plaats een voorbehoedend karakter moeten dragen.

In Engeland is de sterfte aan tuberculose 13 per 10.000, in Frankrijk bedraagt zij 24 per 10.000 zielen. Vanwaar dit verschil? De Engelsche hygiënist Thome Thome verklaart, dat het dalen der tuberculosesterfte in Engeland in vijftig jaren met meer dan 400/'* te danken is aan de opruiming van stegen en sloppen, aan verbeterde rioleering en toezicht op de fabrieken en aan het toenemend materieel welzijn der werkende klassen."

De kosten van zulk een inrichting voor longlijders zijn zeer groot. En waar de resultaten nog zoo onzeker zijn, daar komt het mij voor, dat onze Gereformeerde kerken wel en verstandig zullen handelen met zich vooreerst te onthouden van de oprichting van zulk een ziekenhuis.

Op de medische quaestie, in hoeverre het verblijf in een sanatorium metterdaad het redmiddel voor onze teringlijders is, zullen wij hier niet ingaan. Stellig heeft men de waarde dezer inrichtingen te hoog opgehemeld en komt nu het gezond verstand tot kalmer appreciatie aanmanen.

Maar in elk geval staat dit vast, dat de verpleging in deze sanatoria zoo peperduur is, dat het onmogelijk is voor de atmen om daar een plaats te vinden. Om. eenig resultaat te verkrijgen, moet die verpleging toch niet enkele weken, maar maanden, soms meer dan een jaar duren. En al is zulk een inrichting voor arme patiënten nu niet zoo luxurieus ingericht als het vorstelijk Oranje-Nassauoord, toch zullen de verpleegkosten wel nooit ver beneden de ƒ 2.50 per dag dalen. Terwijl de pas herstellende patient, die weer naar zijn arme woning, gebrekkige voeding, slechte lucht terugkeeren moet, daar de behaalde winst al spoedig verliest. Een sanatorium-behandeling toch geeft niets, wanneer daarna niet in de eigen woning voor betere toestanden gezorgd wordt.

Veel doelmatiger schijnt ons daarom de methode, die in Rotterdam gevolgd wordt. Men heeft daar een commissie van deskundigen, voor welke de lijders aan tuberculose verschijnen. In verband met de geldmiddelen, van den patiënt zijn levensomstandigheden en den aard der ziekte, wordt eën vaste levensregel voorgeschreven, zorg gedragen voor financieele ondersteuning en zoo mogelijk voor een betere kamer met frissche lucht. Op deze wijze wordt de zieke niet uit zijn gezin gerukt, blijven de kosten tot het noodigste beperkt en worden den zieke de middelen geboden, die de medische wetenschap tot herstelling weet.

Afgescheiden echter van de vraag ol sanatoria dan wel betere verpleging in huis het aangewezen middel zijn voor arme teringlijders, merkt Ds. Klaarhamer terecht op, dat het oprichten van zulke gestichten niet tot de taak der diakonie behoort.

Maar al ware het nu eens, dat metterdaad na eenige jaren van proefneming mocht blijken, dat (xod ons in die behandeling en verpleging in een sanatorium het geneesmiddel had doen vinden, dan nog was 't niet de taak der kerken, om zulk een stichting in 't leven te roepen.

Want het behoort niet tot haar taak.

School, Universiteit, wetenschap, sociale arbeid, wetgeving, genezing van kranken, enz. het behoort alles tot het terrein des natuurlijken levens, en daar op te treden, arbeidende, voorgaande, in de uitvoering van de levenspraktijk, dat is op niet een enkel gebied de taak van de geinstitueerde Kerk,

Noch in onze belijdenis, noch in onze formulieren, noch in Gods Woord is dan ook eenige aanwijzing, dat het optreden en arbeiden

in een dier zaken behoort tot het kerkelijk ambt, en het komt geen kerk in de gedachte, om bij het kiezen harer ambtsdragers den eisch te stellen, dat zij gaven en bekwaamheden voor dien arbeid en voor dat optreden moeten bezitten.

Die „Kerk" is er, om Oe gemeente tot een legerplaats te zijn, waar zij onderwezen, geestelijk gewapend, geestelijk gevoed of genezen, in den geestelijken strijd gewapend, en tot haar taak in de wereld en in 't volle menschenleven bekwaamd wordt.

Zij heeft het Woord te bedienen, de sacramenten te bedienen, de tucht te oefenen, de zending te drijven, de gemeenschap der heiligen te onderhouden, tot betoon van barmhartigheid te wekken, te arbeiden dat de „gemeente Christi" wandele waardiglijk harer roeping en zalving.

Het staat dan ook niet aan den kerkelijken ambtsdrager en dus ook niet aan den kerkeiaad als zoodanig, om de vraag te beantwoorden, hoe de wetenschappelijke behandeling van zieken moet zijn.

Hoe de ziel des kranken dient verzorgt te worden, zoowel in het eigen huis als in het krankenhuis, dat is de zaak van de Kerk en haar ambtsdragers.

Daarin moet zij gekend. Dat is niet de taak van hen, die voor 't lichaam zorgen.

Daarom is 't gehoorzamen aan de ordinantien Gods, zoo een Christelijke stichting zich voor de geestelijke verpleging, voor de geestelijke behoeften, voor de bearbeiding met het Woord, wendt tot de plaatselijke Kerk.

Kerk en wetenschap hebben beiden — en elk een eigen — taak aan de kranken te vervullen; daarom hebben zij saam, in overleg, te arbeiden, de een den ander steunende, tegemoet komende.

Een christelijke stichting, die hierin een andere praktijk volgt, handelt dan hierin niet christelijk.

Dat de Kerk haar steun, den steun dien zij naar haar wezen en taak te bieden heeft, bewijze aan allen, die zoeken naar Gods Woord hen te helpen, die ellendig zijn en geen helper hebben, dat spreekt van zelve. En zóó zou zij natuurlijk ook stetm kunnen bieden bij het tot stand komen van een christelijk sanatorium voor longlijders of zenuwlijders of wat andere lijders dan ook.

Laat ons hier alleen aan toevoegen, dat toen dezer dagen door de Zuid-Hollandsche diaconale conferentie officieel het advies werd gevraagd van de Theol. faculteit der Vrije Universiteit, het antwoord in volkomen denzelfden zin luidde.

Het oprichten van sanatoria behoort niet tot de taak der geïnstitueerde kerken.

En waar onze diakonieën gemeenlijk niet eens in staat zijn in den nood der eigen armen behoorlijk te voorzien, daar doen zij verstandig, met de zorg voor zulke inrichtingen over te laten aan de particuliere liefdadigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 juni 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Sanatoria voor longlijders.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 juni 1904

De Heraut | 4 Pagina's