Van de tien geboden.
XXIV.
HET TWEEDE GEBOD.
XIII.
Tot de volmaking der heiligen. Efeze 4: 12.
Naar aanleiding der bespreking van 'sHeeren ordinantiën voor den dienst der Sacramenten hebben wij in onze laatste twee artikelen gewezen op wat, voor ons Gereformeerden, in den Roomschen kerkedienst tegen Gods gebod ingaat.
In dit en het volgende artikel nu, zullen wij ons uitsluitend bepalen tot den gereformeerden kerkedienst.
Naar den aard van deze artikelen gaat het daarbij niet om de inrichting van dezen dienst — dit toch behoort tot het gebied van de diaconologie of de leer der ambtelijke vakken — maar alleen over de beginselen waarnaar, volgens Gods geopenbaarden Wil een Christen zijn, overeenkomstig Gods Woord ingerichten eeredienst, moet oefenen.
En dan sta voorop, dat ook hier weer, gelijk bij al de geboden van den dekaloog, het groote beginsel is om te willen en te handelen uit de heilige liefde, naar het gebod en tot Gods eere.
Hebben wij vroeger gevonden, dat men bij den kerkedienst moet onderscheiden tusschen cxCAn^ primarius en secundarius, en wel zoo, dat de eerste ziet op den eigenlijken eeredienst en de tweede op al wat strekt om de instandhouding of het recht gebruik van den eersten te bevorderen, wij hebben hier nog te spreken over den cultus primarius.
Het tweezijdig karakter van allen eeredienst; het komen van den mensch tot zijn God en van God tot den mensch, kenmerkt ook den kerkedienst als een ontmoeting tusschen God en Zijn Volk; maar het eigenaardige — d. w. z. datgene waardoor de kerkedienst als de publieke, van allen privaten eeredienst is onderscheiden — ligt hierin, dat bij den kerkedienst deze toenadering geschiedt door middel van het ambt.
In Christus, den Middelaar, nadert God altijd tot Zijn geloovigen en naderen Zijn geloovigen tot Hem.
Maar waar op bevel van hun Koning Gods Volk saamkomt, gebruikt Christus den „dienst der menschen; " den dienst van hen, die Hij gegeven heeft tot „het werk der bediening" (Efeze 4 : 12); den dienst van de ambtsdragers.
Nu heeft er, zooals wij evenzeer reeds vroeger bespraken, krachtens het tweezijdig karakter van den eeredienst, bij onzen kerkedienst tweeërlei actie plaats.
Eene van Gods zijde en eene van de zijde des Volks.
Beide vereenigd in den Middelaar Christus.
Hij toch is het, die èn namens God ons zijn heil aanbiedt èn namens zijn verlosten tot God roept, alzoo hij altijd leeft om voor hen te bidden (Hebr. 7 : 25).
Maar bij deze tweeërlei actie werkt de Christus èn door Zijn Geest èn door het ambt.
De ambtsdrager is daarbij Zijn mond, die het Woord brengt en den zegen uitspreekt ; Zijn hand, die de Sacramenten uitdeelt. Maar ook is de ambtsdrager de mond van het Volk, waardoor het uitspreekt zijn gebeden welke de Christus in het hemelsche heiligdom opdraagt voor den troon der Genade.
In het gezang, waarin alleen het volk zelf aan het woord komt, is het toch de Christus die door Zijn Geest hen doet uiten in het lied wat er voor God in hun harten leeft.
Eerst waar gij het dus verstaat, zal het hoogwaardige en het heilige van den kerkedienst opleven voor uw bewustzijn.
Uw ziel vervullen met heiligen eerbied.
Uw neerzitten in de vergadering van Gods Volk zijn in teedere innigheid.
Van elke plaats toch waar kerkedienst wordt geoefend en waar het dan naar 'sHeeren ordinantiën toegaat, geldt wat Jacob bij Bethel uitsprak: oe vreeselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis Gods en dit is de poort des hemels (Gen. 28 : 17). En bij het opgaan tot eiken kerkendienst naar 'sHeeren ordinantiën, komt nog altijd het woord tot Gods Volk: oo schik u, o Israël, om uwen God te ontmoeten! (Amos 4 : 12).
Over de wijze, waarop door den amtsdrager in de vergadering van Gods volk het Woord moet gebracht, is reeds gehandeld in ons lode artikel over het tweede gebod.
Hier zij dan ook alleen gewezen op de wijze, waarnaar, volgens Gods wil, door zijn Volk dat Woord < moet worden ontvangen, en daarbij gaat het dan niet om de plichten van de leden der Gemeente tegenover de ambtsdragers; want daarover kan eerst worden gehandeld in een ander verband; maar uitsluitend over het hooren naar het Woord bij den publieken eeredienst.
En dan eischt allereerst het geestelijk karakter dat heel onze eeredienst dragen moet, dat dit hooren een luisteren zij als actie van de bewuste ziel. Hoewel ge onder het hooren receptief, ontvangend, zijt, zijt ge toch niet volslagen lijdelijk. Het moet een luisteren zijn, waartoe zielewerking, geestesarbeid noodig is. Ook naar het woord van een mensch moeten wij klisteren, zal zijn gedachte, die hij er in legt, komen in ons bewustzijn, en zoo ook naar het Woord van onzen God, dat door den ambtsdrager als gezant van Christus (2 Kor. 5 : 20); als zijn medearbeider (i Kor. 3:9); als Zijn dienaar en uitdeeler der verborgenheden Gods (i Kor. 4 : i) tot ons komt. Maar tot dit luisteren is dan ook noodig een opmerkzaamheid, een inspanning, een aandacht, een devotie, gelijk als van Maria, die zittende aan de voeten van Jezus, hoorde zijn woord (Lucas 10 : 39). Een opmerkzaamheid, welke vrucht is van die werking van den wil naar binnen, waardoor deze ons denken richt op wat wij door ons oor gewaarworden.
Men moet ivillen luisteren.
En tot dat willen zal het komen, wanneer in uw ziel levendig is het gevoel van eerbied, van ontzag voor het Woord. Het Woord van uw God, Die gezegd heeft: aar op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, die voor Mijn Woord beeft (Jes. 66 : 2). Waar Gij dus luistert, kunt gij met zachtmoedigheid ontvangen het Woord, dat in u geplant wordt, hetwelk uw ziel kan zalig maken (Jac. i : 21).
Maar om dus te luisteren onder den dienst des Woords naar het Wootd is dan ook noodig, dat er een zekere voorbereiding vooraf ga. Dat men zich schikke om zijn God te ontmoeten, ook door te overdenken de hooge beteekenis van den kerkedienst; ook door op onze wijze te bidden, wat David zong: end Uw licht en Uwe waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot den berg uwer heiligheid, en tot uwe woningen; en dat ik inga tot Gods altaar, tot den God der blijdschap mijner verheuging, en U met de harp love, o God, mijn God. (Psalm 43 : 3, 4).
Zonder zulk een voorbereiding door meditatie en gebed, gebed ook voor den leeraar, heeft men het aan zich-zelf te wijten, indien men „onder de preek zoo niets gehad heeft."
Maar in de tweede plaats eischt, wat wij vroeger als het middellijk karakter van heel onzen eeredienst vonden, dat men ook in het hooren naar Gods Woord bij den kerkedienst niets minder, maar dan ook niets meer dan het vari God geordineerd middel zie, tot sterking der religie.
Niet het hooren naar Gods Woord is religie, maar slechts middel om uw religie, d. i. uw godsvrucht en uw godsdienst des harten, uw geloof en uw liefde te sterken.
Het is altijd God die den wasdom geeft, (i Korinthe 'i '• 6)
Het is Christus, die door Zijn Geest, door middel van het gepredikte Woord, u in de waarheid leidt, u doet genieten de gemeenschap met uw God, u gewillig en bereid maakt Hem in uw hart en leven te dienen.
En' niet ex opere operate, d. i. niet uit kracht van het gedane werk, maar uit kracht van wat Christus door het werk der bediening werkt, komt u de zegen, de genade toe; komt het tot de volmaking der heiligen. (Efeze 4 : 12).
Maar God bindt u aan het gebruik der middelen en daarom hebt gij u in den weg der middelen te stellen.
Ten slotte is het plicht van die luistert naar het Woord, dat hij het doet met oordeel des onderscheids. Niet alsof hij daarbij het Woord van God aan zijn critiek, zijn beoordeeling zou mogen onderwerpen, want omdat het Gods Woord is, moet het voor hem het hoogste gezag hebben en heeft hij zich daaraan te onderwerpen. Maar met dit oordeel des onderscheids bedoelen wij, dat men als die van Berea, het Woord ontvangende, met alle toegenegenheid, onderzoeke de Schriften, of deze dingen alzoo zijn. (Hand. 17 : 11). Het komt toch bij de bediening des Woords voor alles aan op een zuivere prediking; op het brengen van „de gezonde leer, " want alleen dus wordt het Woord bediend zooals God het heeft bevolen. En nu is het in onze kerken allereerst plicht der ouderlingen, opzicht te hebben, dat de dienaren des Woords ook hierin trouw hun ambt bedienen, maar dit ont slaat de geloovige niet van met onderscheiding te hooren. De vaak misbruikte bijbelplaats: eproeft alle dingen; beh., udt het goede (i Thess, 5:21) ziet juist eenig en alleen op dit toetsen aan het Woord van wat door de leeraars voortgebracht wordt, en de apostel Paulus gebiedt dat aan al de geloovigen in Thessalonika. En evenzoo vermaant de apostel Johannes: eliefden gelooft niet eenen iegelijken geest, maar beproeft de geesten of zij uit God zijn; want vele valsche profeten zijn uitgegaan in de wereld, (i Joh. 4 : i).
Met dit oordeel des onderscheids is uiteraard ook niet bedoeld, dat ieder lid der gemeente het recht zou hebben naar zijn subjectieve opvatting van de Schrift de prediking te beoordeelen; maar dit oordeel moet geschieden naar de belijdenis of de confessie der kerk. Bij de bespreking van het derde gebod zullen wij gelegenheid hebben daar nader op terug te komen, doch reeds hier zij er op gewezen, dat geen prediking mag geduld, die niet is overeenkomstig de Belijdenis.
De Confessie is het criterium, de toetssteen der orthodoxie of der rechtzinnigheid. Een prediker die onrechtzinnige leer brengt, is in zijn kerk niet meer de mond van Christus.
En „leervrijheid" in den zin van vrij heid om een leer te brengen, die met de belijdenis der kerk strijdt, is dan ook zoo ongerijmd, dat zelfs de Duitsche wijsgeer Kant (f 1804), die waarlijk geen vriend der orthodoxie was, schreef, dat een theoloog op den kansel, waar hij naar vreemde opdracht spreekt, aan de belijdenisschriften gebonden is.
Hebben wij in een vroeger artikel reeds gesproken over de wijze; waarop volgens ons Gereformeerden de Sacramenten moeten bediend, hier moet gehandeld over de wijze waarop zij door het Volk des Heeren moeten worden ontvangen.
Immers ook van dit werk der bediening geldt hetzelfde als van den dienst des Woords, dat Gods Volk daar allereerst wel receptief bij is, maar er toch niet geheel lijdelijk onder verkeert. Ook bij het Sacrament, dat bovenal een actie, een handeling van Gods zijde is, grijpt zeer zeker tevens een handeling, een actie der geloovigen plaats.
Hij, de Heere God Zelf, verzekert hier Zijn geloovigen met zichtbare onderpanden, dat Hij hun verzoende God in Christus is; maar van hun zijde betuigen ook de geloovigen, dat zij Gods Volk, Zijn kinderen zijn. Elk Sacramentsgebruik is daarom dan ook een verbondsvernieuwing; een gelofte van trouw; van, in de kracht van Christus, God in hart en leven te zullen dienen.
Zijn deSacramenten teekenen en zegelen van het Genadeverbond, van God ingezet, opdat Hij ons door het gebruik daarvan de belofte .des Evangelies te beter te verstaan geve en verzegde — het zijn slechts middelen, waardoor Hij het reeds aanwezig gegeloof sterkt.
En als zoodanig kennen wij slechts Doop en Avondmaal.
Een dogmatische of leerstellige uiteenzetting omtrent het wezen dezer beide Sacramenten zou hier, waar zij uitsluitend als bestanddeelen van den eeredienst moeten besproken, niet op haar plaats zijn.
Daarom zij er alleen op gewezen, dat ook wij Gereformeerden met heel de kerk van Christus, in den heiligen Doop het Sacrament der geestelijke geboorte en in het heilig Avondmaal dat der geestelijke voeding zien.
De kinderdoop onder ons regel, terwijl de doop der bejaarden uitzondering is, onderstelt, gelijk de doop dit in het algemeen doet, een reeds aanwezig geloof; immers het Sacrament werkt niet, maar sterkt slechts het geloof. En wijl nu in de jonge kinderen van een dadelijk geloof of van het geloof als actie nog geen sprake kan zijn, moet men het er wel voor houden, dat zij, uit kracht van het Verbond, in Christus geheiligd of gerekend, door wederbarende Genade het „geloofsvermogen" hebben ontvangen. Hiervan gaan wij dan ook bij den eeredienst uit, wanneer wij, bij de dankzegging na den Doop, van God bidden het: „in den Heere Jezus Christus wassen en toenemen" onzer kinderen.
Is de doop een ordening of ordinantie Gods, door Christus Zelf ingezet, om ons en ons zaad Zijn Verbond te verzegelen, wij moeten dat Sacrament dan ook gebruiken zooals God het wil.
Daartoe is noodig, dat wij voor onze kinderen den doop verlangen in de vergadering der geloovigen, wijl hij een deel is van den kerkedienst. Het is Christus zelf die doopt, al gebruikt hij daarbij ook de hand van zijn ambtsdrager. Hij is het die zelf, waar het water wordt gesprenkeld in den naam van den Drieëenigen God, als de Middelaar, het verbond en zijn weldaden aan het kind beteekent en bezegelt.
Aan het kind dat, door zijn geboorte uit geloovige ouders, of althans. uit een geloovigen vader of geloovige moeder — want ook indien slechts een der ouders 'n geloovige is, zoo is het kind heilig (i Kor. 7 : 14) — of ten minste uit geloovige grootouders — want de lijn van het verbond, in één generatie verbroken door haar trouweloosheid, wordt vaak in een volgende door Gods trouw weer hersteld — een kind des Verbonds is.
Is wat door Christus van Gods zijde wordt gedaan, het voornaamste bij dit werk der bediening, ook van hem die het kind ten doop presenteert, gaat een actie uit, waar hij zich voorneemt, het Christelijk en godzalig op te voeden.
Dit is een belofte, die hij op dat oogenblik aan zijn God belooft,
Maar ook van heel de gemeente, van al Gods volk in welks midden de heilige Doop wordt bediend en de Heere dus van Zijn zijde nadert in het Sacrament als getuigenis van Zijn Verbond, moet een actie uitgaan, en wel van vernieuwing des Verbonds van hun zijde met Hem; het is de Doop, die hen „tot een nieuwe gehoorzaamheid vermaant en verplicht."
Hoewel de Doop, als teeken en zegel des Verbonds, zeer zeker niet onmisbaar tot zaligheid is, en dan ook niet het gemis, maar wel de verachting van het Sacrament verdoemelijk maakt, is evenzeer zeker, naar Gods ordinantie, dat dit teeken en zegel, waarop de kinderen des Verbonds recht hebben, hun ook niet te lang worde onthouden.
Van 'n „nooddoop, " zelfs door niet-Christenen toe te dienen, kan bij de gereformeerde beschouwing geen sprake zijn.
Toch drongen de Gereformeerden er op aan, den doop zoo spoedig mogelijk te bedienen.
De Synode van Dordrecht in 1574, zegt op dit stuk in artikel 57 van haar Acta: „Het verbondt Godts sal inden kinderen soo haest als men den Doop Christelicken becomen can, met den Doope verseghelt worden, ten sij saecke datter eenighe sware oorsaecke sij, om den Doop eenen tijdt langh wt te stellen, van welcke de Consistorie oordeelen sal. Maar die affectie der ouderen die den Doop harer kinderen begheeren wt te stellen ter tydt toe dat de moeders selve haer kinderen presenteeren, ofte op die ghevaders langhe wachten, en achten de broeders gheen wettelicke oorsaecke te syn om den Doop wl te stellen."
De „ghevaders" — een woord gevormd naar het Latijnsche computer — zijn hier de geestelijke „medevaders" of peters. Reeds vroeg traden zulke peters en ook meters in de Christelijke kerk, als borgen voor het kind, bij den doop op en ook de Gereformeerden hebben dit gebruik volstrekt niet veroordeeld.
Uit de doopboeken der Gereformeerde kerk van Amsterdam blijkt, dat nog in het begin der 19de eeuw zede was den doop reeds enkele dagen na de geboorte aan het kind te bedienen.
Voor het bevorderen van het herstel van dit gebruik, is het echter zeker allerminst dienstig om de moeder, waar zij bij de doopsbediening tegenwoordig is, opzettelijk te negeeren.
Dat het woord „Amen" niet staat achter de woorden des Heeren, ons in Mattheus 28 : 19 bewaard, zou op zich zelf tegen zijn toevoeging bij het uitspreken van de doopsformule nog geen bezwaar zijn. Houdt men er echter rekening mee, dat volgens onzen Heidelbergschen Catechismus het woord „Amen" beduidt: het zal waar en zeker zijn" (vr. 129) dan wordt deze toevoeging minstens bedenkelijk.
Reeds waar onder menschen de meerdere aan zijn mindere iets verzekert, b.v. een vader aan zijn kind, zou het geen zin hebben indien het kind daaraan toevoegde: „het zal waar en zeker zijn; " hoeveel te meer dan waar God in den heiligen Doop ons verzekert.
Dan, dit behoort tot het gebied van de Lithurgiek, waar wij, bij de uitlegging van het tweede gebod, als zoodanig niet mee te doen hebben.
Daarentegen mogen wij hier, waar van de door God geboden wijze waarop door Zijn Volk het Sacrament in het algemeen en in het bijzonder dat des heiligen Doops moet gebruikt, wordt gehandeld, niet zwijgen van dat misbruik wat ons voortreffelijk Formulier van den heiligen Doop te bedienen aan de kleine kinderen der geloovigen een „gebruiken van den Doop uit gewoonte of bijgeloovigheid" noemt. Zulk een gebruik toch strijdt tegen h& \. geestelijk karakter van onzen eeredienst.
Die slechts uit gewoonte, omdat het nu eenmaal zede is in de Christelijke maatschappij, zijn kind ten Doop presenteert, verstaat niets van de diepe beteekenis van dat Sacrament; verlaagt het, voor zooveel aan hem staat, tot een zinledige plechtigheid en bezondigt, zich daardoor aan de heiligheden des Heeren.
Uit gewoonte laten in de Volkskerk nog velen doopen hun kind. Omdat het zoo hoort; men volgt de sleur; doet gelijk anderen.
Dit nu is ontheiliging van het Verbond.
Maar ook uit „bijgeloovigheid" of „superstitie" mag de Doop niet gebruikt.
Het oorspronkelijke woord „superstitie" is een van die woorden, welke meer dan één zin hebben. Bij de behandeling van het derde gebod hopen wij er op terug te komen.
Hier bij het tweede gebod heeft superstitie of bijgeloof in het algemeen den zin van al wat den eeredienst onzuiver maakt.
In dien zin spraken onze vaderen ook van „Roomsche superstitie."
Daaronder rekenden zij echter allerminst den Doop zelf door de Roomsche kerk bediend. Zij hebben dien integendeel altijd geëerbiedigd, even als de Roomschen onzen Doop erkennen.
Meer bepaald ziet superstitie hier dan ook op het tegendeel van wat wij reeds vroeger aanduidden als het middellijk karakter van den eeredienst.
En past men dit nu toe op den Doop, dan gebruikt b. v. hij den Doop uit superstitie of bijgeloovigheid, die voor zijn bewustzijn tusschen deze handeling en de wedergeboorte een onmiddellijk verband legt.
Al wie dus meent, dat een kind door den Doop wedergeboren wordt, die is dan ook door en door ongereformeerd.
Het zinnelijk teeken en zegel toch is niet meer dan een middel, waardoor God het reeds aanwezig geloof sterkt.
Niet het middel maar Werker der genade. God Zelf is de
Hoe nu tot instandhouding van een zuivere bediening van den heiligen Doop, kerkelijke tucht noodzakelijk is, hopen wij in een volgend artikel, dat het slot zal brengen over 's Heeren ordinantiën voor den kerkedienst, aan te wijzen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 3 juli 1904
De Heraut | 4 Pagina's