Binnenland.
EEN GOUDEN JUBILEUM.
III (Slot)
Dr. J. Kayteyn ving aan met te zeggen, dat ook het Gymnasium verbonden aan de Theol School der Geref. Kerken in Nederland, deelt in de feestvreugde aan dezen dag. Het Gymnasium heeft daarvoor bijzondere redenen. Het leeft niet slechts in den kring van de Theol. School, de lessen worden niet alleen gegeven in het gebouw der Theol. School; het Gymnasium is niet slechts „verbonden aan" het is ook „gesproten uit" de Theol. School. Men zou kunnen zeggen: het Gymnasium is uit de familie van de School en eenigermate deelt het in de hulde en de liefde in het bijzonder op dezen dag ge wijd aan de school. Nu zal spreker de vergadering in 't kort wijzen op de beteekenis die het Gymnasium voor de Theol. School heeft. In de eerste plaats is die beteekenis van algemeenen aard. Niet minder dan voor het kind op de lagere school en voor den student aan de Univer siteit is het voor den Gymnasiast van belang dat hij zijn onderwijs ontvangt van leeraren die er van doordrongen zijn, dat men ook in zijn wetenschappelijk denken uitgaan moet van de openbaring die God ons in zijn Woord gegeven heeft. Wel bizonder geldt dit voor den Gymnasiast op zijn leeftijd van 12—18 jaar, den leef tijd.welken men den leeftijd van het ontwakend nadenken zou kunnen noemen; den leeftijd waarop de jongeling meer en meer bij zijn studie begint te vragen naar het „waarom" en het „hoe" der dingen.
Ook is er een voordeel aan verbonden, dat het Gymnasium gekoppeld is aan, staat onder toezicht der School. Dit is een waarborg te meer voor haar dat het onderwijs aldaar niet verloopt in een neutraal onderwijs opgesierd en opgemaakt met eenige Christelijke lintjes en kleuren; een waarborg te meer, dat het goede wat de leeraren er met inspanning inbrengen er niet door mede leerlingen van niet Christelijken huize weer even spoedig wordt uitgewerkt, (een gevaar, dat vooral voor onze Christelijk gymnasia in de groote steden, vooral ook om redenen van financieelen aard, niet denkbeeldig is); en ten slotte ook een waarborg dat dit Chr. Gymnasium niet zal worden een drilschool voor het eindexamen, - •en gevaar, dat den H. H, liberalen in de 2e Kamer in de laatste zitiing al menige nachtmerrie bezorgd heeft. De liefde van de vrienden der Theol. School is zoo groot en hun weten schappelijke blik zoo ruim, dat de Theol. School om financieele redenen althans niet genoopt wordt om al is het dan slechts in de practijk iets van hare beginselen prijs te geven ook in haar Gymnasium. Maar vooral ook in de tegenwoordige omstandigheden is het Gymnasium van een groot praciisch belang voor de Theol. School.
Een der sprekers vergeleek in het debat de Theol. School bij een groot zeeschip, een Suezboot; nu had die groote zeestoomer een oude gebrekkige bark op sleeptouw, die het groote schip iu zijn vaart belemmerde en dus zeer schadelijk was. Wat moest men nu doen? Het touw eenvoudig doorhakken en de bark aan wind en golven prijs geven? Dat was de eenvoudigste weg. Of moest men de oude barlvernieuwen en haar geheel zeilklaar maken, ? .oodat zij volkomen zee vaardig was en haar dan aan den meestbiedende verkoopen? Welnu, tot het laatste werd besloten; aan de Curatoren werd opgedragen om de romp van de bark te kalefateren, de tuigage te vernieuwen en haar dan op de voordeeligste wijs van de hand te doen, indien zich een gelegenheid daarvoor voordeed. De Curatoren hebben dat gedaan, de oude bark is geworden een volkomen zeewaardig zeeschip.
Alleen maar, van de hand gedaan is de nieuwe bark nog niet; al spoedig bleek dat ze voor den grooten zeestoomer veel te winstgevend was; ze bracht voor den O. I. vaarder aan de eilanden van verre kusten de goederen aan, zoodat ook de groote vaart winstgevend bleek.
De bewonderaars van den grooten zeestoomer mogen dus wel op hun hoede zijn, dat ook de kleine kustvaarder, de vernieuwde bark blijve het eigendom van de maatschappij, daar er anders groote vrees bestaat, dat nog uit gebrek aan vrachtgoederen ook wat betreft de Theol. School, tot liquidatie zal moeten over gaan.
Ook Dr. H. Bouwman en Dr. A. G. Honig, de beide jongste professoren der Theol. School, spraken hunne hartelijke wenschen uit voor den bloei der jubilaris. De eerste deed dit naar aanleiding van het onderwerp: „De examen week te Kampen uit vrojgere dagen"; de laatste in verband met zijn onderwerp: „Kerk en Theologie.”
Ds. J. H. Donner van Nieuwdorp, bracht als president van de Fondscommissie verslag uit van de verrichtingen die commissie. Voor de School werd ontvangen /1359.81 uit Friesland en / 130.35 uit andere provinciën, te zamen ƒ 1490 06.
Terwijl voor het Studiefonds inkwam een totaal van / 18167 47 en wel / 3778 72I/2 uit Groningen, ƒ 1750.— uit Friesland, / 2484.46 uit Overijsel, /129s 6ol/a uit Drente, /1676 70 uit N. Holland, /2079 65 uitZ.-HoUand, ƒ 758 40 uit Utrecht, / 2131.02 uit'.Gelderland, ƒ 1620.52 uit Zeeland, /692.66 uit Noord-Brabant en nog / 491.91I/2 bij de professoren Lindeboom en Noordtzij.
Ds. T. Bos, van Dokkum, gaf in een wel sprekende slotrede een tweetal wenschen te kennen, ie. Dat dit feest geen waardig slot zij van de geschiedenis der School (applaus) en 2 e dat nu de quaestie der opleiding maar moest beëindigd worden. Spr. is ze zat. „Wanneer deze School moet worden ingeschoven tusschen de faculteiten der Vrije Universiteit, ik zegge: fiat! (zwak applaus); mits gewaarborgd worde, dat dan de kerken over die faculteit volle zeggenschap behouden (toejuiching).
Hierna werd deze vergadering met dankzegging door Ds. A. Littooy gesloten.
Avondvergadering.
Had de feestvierende vergadering in de middagsamenkomst met gespannen aandachten in stilte geluisterd naar de vele goede woorden door de verschillende sprekers ten gehoore gebracht; in de avondvergadering kwamen aller tongen los. Zich groepeerende om de tafeltjes, die in het midden der kerk waren neergezet, werden allerlei gesprekken gevoerd die zich oplosten in een luid stemmengegons, dat de orgeltonen bijna overstemde. Toch wist Ds. Diemer uit Apeldoorn aller aandacht te boeien toen hij, zijn stok in de hoogte heffende, het podium betrad, en een gullen lach aan allen te ontlokken wanneer hij begon te vertellen van de oude dagen, en door allerlei staaltjes aantoonde, dat het begin van de theol. school toch „niet zoo kinderachtig geweest was.”
En als Ds. Brummelkamp, thans in Den Haag, verhaalde, hoe zijn vader, na afgezet te zijn, werd benoemd tot „sergeant van de schutterij", of herinnerde aan de geestigheid van den töenmaligen redacteur van de Kamper Courant, die schreet: „de hoogeschool der afgescheidenen is een lagere school, want Ds. Brummelkamp geeft les drie voet onder den grond", weiden weer voor een oogenblik de gesprekken gestaakt.
Met luid applaus werd de mededeeling van prof. Lindeboom begroet, dat een postwissel van ƒ I was ontvangen voor 't studiefonds. Immers deze gave getuigde evenzeer van liefde voor de theol. school als de gift van / 100 die ontvangen werd uit Madioen (O. Indie) en die van / 500 voor de „lagere scholen ten platten lande”.
Een telegram van gelukwensch van baron W Mackay, voorzitter der Tweede Kamer, te ontvangen, deed de vergadering goed, maar sprak uit het kaartje dat uit Maassluis werd ontvangen, niet evenzeer belangstelling?
Ds. Schouten uit Utrecht gaf blijk van zijn l belangstelling door de aanbieding van een n prachtexemplaar van zijn werk: „de Tabernakel, " „ter herinnering aan het voor hem hoogst aangenaam bezoek van prof. en studenten der school en ter gelegenheid van het 50 jarig jubileum" — en Ds. Robert uit Amerika, door deze gelegenheid aan te grijpen om nsg eens „the old country" te bezoeken en hier persoonlijk den gelukwensch der Amerikaansche broeders over te brengen.
Met dankbaarheid en vreugde werden de vele blijken van hartelijke belangstelling, op zoo velerlei wijze betoond, begroet; het deed goed te hooren uit den mond van Ds. Kouwenhoven van Leiden, hoe daar onder de theol. studenten de werken van Bavinck en Kuyper worden bestudeerd en aldus onze Geref. mannen ook daar hun invloed doen gelden.
Geestdriftig klonk het Wilhelmus, dat aangeheven werd toen Ds. Littooy, getooid met het ordeteeken van den Ned. Leeuw, optrad, en uit volle borst werd het lied gezongen:
Laat ons nu, Broeders, vroolijk juichen, Wijl God dit gouden feest ons schenkt. Eerbiedig klonk het:
O Vader schenk voorts uw genade O Zoon, zalf meer met uwen geest! O Geest, uw licht koom steeds te stade! Drieëenig God, zij ook dit feest Uw Kerken en haar School geschonken Voor beiden tot in 't nageslacht, Geheiligd door des geestes vonken Een teeken van uw liefd' en macht!
Er heerschte den ganschen avond een prettige, opgewekte stemming, ook bevorderd door de geestige toespraken van Dr. Nieuwhuis, Mr. Van de Vegte en anderen. Maar de grondtoon van de feestvreugde was en bleef het „Drieëenig God, u zij al de eer." Na het zingen van dit lied werd de vergadering te middernacht door Ds. Donner met dankzegging gesloten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 3 juli 1904
De Heraut | 4 Pagina's