Vier-en-twintigste Jaarlijksche Samenkomst VAN DE Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden Grondslag, gehouden te GRONINGEN op 6 en 7 Juli.
Het is twaalf jaar geleden, dat onze jaarvergadering óók te Groningen werd gehouden, en in die 12 jaar is heel wat gebeurd.
Reeds de ure des gebeds herinnerde er aan; toen trad-voor ons op de nu reeds lang ontslapen broeder Ploos van Amstel, van Reitsum; toen, hoevelen nog, die nu niet meer onder ons zijn; in den dienst vergrijsde medestrijders, wier plaats nu door anderen is ingenomen, die denzelfden strijd hebben voort te zetten.
Nu in Groningen saamkomend, herinnert men zich, dat bij veel wat veranderde, er toen vraag stukken aan de orde waren, die ook nu aller hoofd en hart vervullen. De Calvinisten, die nu ter jaarvergadering optrokken, waren, het spreekt van zelf, onder den indruk van de jongste verkiezingen. Een van de onderwerpen, die in dezen verkiezingsstrijd het leeuwendeel van het debat uitmaakte, was de wijziging der Hooger Onderwijswet, die thans bij de Eerste Kamer in behandeling komt; een wet, waarbij ook de school onzer vereeniging belang heeft. En ziet, nu twaalf jaar geleden, was het Mr. Heemskerk, die op de meeting de vraag ter sprake bracht: „Hoe komt de Overheid, in betrekking tot de Vrije Universiteit, hare roeping het beste na? "
Hoe zijn we thans een schrede nader geko men aan de oplossing vg, n dit vraagstuk, en wat zegenrijke omkeer had in ons land plaats, dat deze oplossing onder zoo gelukkige omstandigheden kon worden beproefd.
Inderdaad, terugzien naar voorheen, geeft reden tot dank, tot diepe verootmoediging. Groote dingen heeft de Heere aan ons gedaan; we zijn gewassen in dit land; onze strijd is met zegen gekroond; en het is in die stemming, dat we ons jaarfeest tegemoet gaan, en in de schoone oude stad Groningen saamkomen.
DE URE DES GEBEDS.
Als naar gewoonte werd de jaarvergadering door een ure des gebeds voorafgegaan. Daartoe kwamen velen uit alle oorden des lands bijeen in de zeer fraaie Zuiderkerk, waar Ds. Breukelaar van Zaandam voor een groote schare optrad. Van deze rede volge dit verslag:
Onze Vrije Universiteit is het laatste jaar in allerlei kringen veelvuldig genoemd. De behandeling van het Wetsontwerp op het Hooger Onderwijs heeft haar te pas of te onpas, niet alleen in 's lands raadzaal, maar ook op meeting, en club, in dagblad en vlugschrift ter sprake gebracht.
Dit teekent, dat men in haar een stichting gaat zien, wier beteekenis men niet meer kan ontkennen en wier invloed men ducht
Eenerzijds stemt dit tot dank, maar anderzijds voorspelt het toenemende worsteling. De christelijke wetenschap staat op voet van oorlog met de wetenschap dezer eeuw, die niet rekent met God en zijn Woord. Zij moet niet alleen den troffel, maar ook het zwaard hanteeren.
En bij die worsteling gaat het om de eere Gods.
En in die worsteling, waartoe onze Stichting in klimmende mate geroepen wordt, is hare hulpe alleen in den Naam des Heeren.
Het is daarom zoo juist gezien, dat aan haar jaardag een gebeds-ure behoort voofaf te gaan.
Zij is een stichting des gebeds. zwakheid, maar ook hare kracht. Dat is haar
Wijl echter het gebed ook gave Gods is — ga vooraf de smeeking, dat Hij eene gebeds-ure geve. —
Het woord ter inleiding met gebed, zij ontleend aan de Ps. 20 de verzen 8 tot 10.
Ps. 20 is een echt Israëlitisch volkslied. De Geest des Heeren gaf dit lied, opdat Israel daarmee den Gezalfde des Heeren toezingen zou, als hij aan de spitse des volks uittrok ten strijde. Het volk bidt zijn Koning toe het heil des Heeren en jubelt hem van zegepraal.
En daarbij brengt dit lied in de voorgelezen verzen de tegenstelling tusschen Israel en het heidendom.
En die teekening behelst rijke profetie. Ps. 20 past ook nu nog op de lippen van Gods Israel, de heirschare, die optrekt onder de banier van Christus, die onze Koning is.
Geve dit woord dan heden leiding aan onze overdenking ter opwekking tot gebed.
„ Deze vermelden van wagens en die van paar den — maar wij zullen vermelden van den Naam des Heeren onzes Gods" —dit kenmerkt de tegenstelling tusschen Israel en het Gode vijandig heidendom.
Bij de heidenen roemt het krijgslied van de wagens en de paarden — maar spreekt geen woord van Hem, die den wagen met zijn strij der en het paard met zijn berijder in zijn almachtige hand omvat.
Bij Israel jubelt de krijgsman van den naam des lleeren alleen.
Daar: niet God — maar het schepsel alleen.
Hier: niet het schepsel — maar God.
Dat is de tegenstelling, die de wenteling der eeuwen beheerscht. Die tegenstelling maakt God. Hij maakt scheiding, en daarom zijn er tweeërlei menschen en is er tweeërlei leven en tweeërlei levensopenbaring.
En uit die tegenstelling komt al de strijd van 's Heeren volk; de strijd in eigen hart en de strijd op alle terrein des levens; niet helminst in de wereld van het menschelijk denken en weten en bij de beoefening der wetenschap.
En ook hier is het: , , deze vermelden van wagens en die van paarden, maar wij zullen ver melden van den naam des Heeren onzes Gods”.
De kinderen des ongeloofs zijn onderling hopeloos verdeeld, vooral op het erf der wetenschap. En toch is er zekere eenheid in het een wen-oude accoord, dat hun wetenschap zingt; zij roemt slechts het schepsel. Van het schepsel zegt zij vel; ook wel eens wat waar is en schoon en goed. Maar zij klimt uit het zienlijk tot den Onzienlijke niet op. Om het schepsel ver lochent zij den Schepper; zij heeft voor God geen plaats in het denken en mitsdien geen plaats in het leven, geen plaats in school en gezin, in handel en kunst, in staat en maatschappij; nergens plaats, dan hoogstens in de gesloten binnenkamer des gemoeds.
Lijnrecht daartegenover staat het volk des Heeren, dat in zijn banier heeft geschreven: „Wij zullen vermelden van den Naam des Heeren onzes Gods.
Gods naam is geen zinled'ge klank, maar de zelfopenbaring Gods. Hij heeft zijn naam ge schreven in 't gansche heelal. Want Hij schiep alle dingen door het Woord. Mitsdien ligt in alle schepsel uitdrukking van Gods gedachte — schrift van Gods naam; het heerlijkst in den mensch, geschapen naar Gods beeld, om denkend en sprekend dien naam te kennen en te noemen en in dat noen^en den echo te doen hooren van den naam, dien God Almachtig denkend en sprekend in zijn wereld had uitgedrukt.
Door het schrikkelijk feit der zonde is die vermelding van Gods naam in Eden verstomd. Dat juist was Satans bedoelen. Die vermelding te doen verstommen en de wereld te vul It'n met lastering van Gods naam — dat was zijn toeleg.
Maar dien toeleg verijdelt God. Zijn alge meene genade bewaart in zijn wereld nog het schrift zijns Naams, trots het donker spoor van den vloek, die over de aarde kwam; en zij handhaaft nog in het do ar de zonde verduisterd bewustzijn der menschheid den drang tot kennen en weten.
Tot herstelling van de vermelding zijns Naams heeft God zich echter opni-uw, en rijker en voller geopenbaard — Hij heeft zich zelf ge openbaard als> de Heere —-Jehova — de Ik zal ziju die Ik zijn zal, de Eeuwige, die van zijn lijn niet afgaat, die door herschepping in zijn ontredderde wereld de schepi_ingsgedachte mainteneert; den naam, dien het Evangelie ons vettolkt.
Die heerlijke Naam is het, die scheiding maakt en een volk afzondert en in dat volk dien Naam graveert en door dat volk dien Naam vermelden doet.
Die vermelding van 's lleeren Naam — dat is 't voorrecht, de eere en de roeping van Gods volk op aarde.
Aan die hooge roeping dienstbaar te zijn, bedoelt de stichting voor welke wij tot gebed zijn vergaderd.
Zij wil leven uit dien Naam; zij wil werken met de talenten haar geschonken, onder de bezie ling des Geestes, in den dienst \ an Christus tot eere van God; zij wil arbeiden om den Naam des Heeien te kennen en te vermelden; om dien Naam steeds heerlijker te noemen in de Theol. wetenschap, maar ook om bij de lampe der bijzondere openbaring te ontcijferen en te vermelden alle schrifc van Gods Naam, zooals dat schrift staat geschreven, in heel de natuur, in ons lichamelijk bestaan, in het bewuste leven der menschheid en in alle verhouding van mensch tot mensch en volk tot volk, opdat over heel de erve der wetenschap de lastering Gods verstomme en zijn Naam worde vermeld.
Ook zij heeft in haar vaandel dit woord:
„Wij zullen vermelden van den Naam des Heeren onzes Gods.”
En bij dien arbeid geeft het Woord des Heeren moed en hope. Voor heel de zaak van 's Heere volk staat de uitkomst reeds vast. „Zij hebben zich ge kromd en zijn gevallen, maar wij zijn gerezen en staande gebleven", zoo jubelt's Heeren volk in Ps. 20.
Hetzij dit woord zinspeelt op een bepaald feit der historie, hetzij het in 't algemeen als profetie moet verstaan —in elk geval teekent dit woord de eindelijke zegepraal.
De zaak des Heeren heeft de toekomst — ook in de wereld der wetenschap.
Nog kan van de ongeloovige wetenschap niet gezegd: Zij heeft zich gekromd en is gevallen. Want al hoort men soms van haar bankroet —• toch heeft zij nog verre de overmacht. De meerderheid van genie en denkkracht — van zil ver en goud, van invloed en eere — is harer.
De dag der overwinning voor de Christ, wetenschap is nog niet aangebroken.
Wel mag met ootmoedigen dank gezegd, dat de eenige Christ. Universiteit in ons land is gerezen en staande gebleven. Zij is gerezen en staande gebleven, trots kleine kracht, felle bestrijding en droeve miskenning. Zij rees onder den druk. Haar budget steeg, haar katheders vermeerderden, haar leerlingental klom, haar invloed won. Dit alles is van den Heere geschied.
Maar ofschoon gerezen —• toch is zij nog klein.
Hoog is haar ideaal — maar zij heeft op den weg van dat ideaal nog slechts enkele voetstappen gezet. Mijlen ver is nog de afstand.
En toch — hoe klein nog en hoe fel bestreden — voor moedeloos pessimisme is geen oorzaak. Eenmaal zal het worden: „Zij hebben zich gekromd en zijn gevallen, maar wij zijn gerezen en staande gebleven." En dien dag zal ook de ongeloovige wetenschap «ich berouwen, en alle miskenning Gods zal verstom men. En 's Heeren volk zal met onbeneveld oog Gods Naam aanschouwen en uitjubelen in eeuwigen lof.
En of nu onze stichting zal rijzen en staande blijven, dat hangt af van wat de Heere zal geven aan talent en bezieling des levens; dat hangt af van de lietde en 't gebed van 's Heeren volk.
Zoo leert het ons de Geest des Heeren verstaan in den 2oen Ps. „O Heere, behoud — die Koning verhoore ons ten dage van ons roepen."
De zaak ties Heeren in stand houden — dat is Gods werk.
En Hij doet dat werk door onzen koning Jezus Christus, die ons als zijn heirschare gebruikt.
En wat de Heere in ons en door ons werken wil, dat legt Hij als smeeking eerst in de ziel.
Zij het dan ook „een dag van ons roepen" tot onzen Koning voor onze Christ. Universiteit!
Dat roepen zij met diepenootmoed — want onze tekortkomingen en zonden getuigen tegen ons; maar ook met alle vrijmoedigheid, want Hij zal het doen om zijns Naam wille.
Onze V. U. blijde een stichting des gebeds, •want niet in de geleerdheid harer leeraren, en niet in het goud en zilver dat haar toestroomt, maar in het gebed van God^ volk is haar kracht.
Tot gebed voor hsfar dtinge: de schoonheid van haar beginsel —• de hoogheid der roeping en de uitnemendheid van haar doel. — Daartoe dringe het belang van land en volk, opdat zij ons mannen geve, die niet slechts in de kerken, maar op alle terrein van het leven in woord en schrift de waarheid Gods uitdragen en ons leger alzoo geen gebrek aan officieren hebbe.
Daartoe dringe bovenal de liefde voor den Naam des Heere die waard is te ontvangen de eere en de aanbidding en de dankzegging tot in alle eeuwigheid.
Na deze stille en plechtige ure, had de ijverige Groninger regelingscommissie aan de leden en begunstigers de gelegenheid geboden, om in een tweetal gezellige groote zalen aan de Groote Markt, elkander te ontmoeten. In dit sa; menzijn, dat een intiem, gezellig karakter droeg, was de toon opgewekt, verkwikte men zich aan oude herinneringen, en genoot men van het onderling vriendschappelijk verkeer. Velen scheidden eerst laat in den avond, om met verblijd hart den volgenden morgen ter jaarvergadering op te gaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 10 juli 1904
De Heraut | 4 Pagina's