Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Vier-en-twintigste Jaarlijksche Samenkomst VAN DE Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden Grondslag, gehouden te GRONINGEN op 6 en 7 Juli.

Bekijk het origineel

Vier-en-twintigste Jaarlijksche Samenkomst VAN DE Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden Grondslag, gehouden te GRONINGEN op 6 en 7 Juli.

15 minuten leestijd

III.

DE MEETING.

De bewering nu, dat de dogmatische grond slag der Vrije Universiteit te Amsterdam een belemmering is voor hare vrijheid in weten schappelijk opzicht, kan, naar wat wij vroeger omtrent den zin der uitdrukking „dogmatische grondslag" vonden, niet anders beteekenen, dan, dat het in wetenschappelijk opzicht de vrijheid van denkeii aan die Universiteit belemmert, dat daar de Heilige Schrift naar gereformeerd belijden, het volstrekt beheerschend gezag van het bij het onderwijs onmisbare denken is.

De vrijheid van waarnemen toch valt hier al dadelijk buiten geding. In dien zin zal wel door niemand worden beweerd, dat de dogmatische grondslag der Vrije Universiteit in wetenschappelijk opzicht belemmerend is. Immers door dezen wordt allerminst verhinderd of verboden, het veld van waarneming zoo ruim mogelijk uit te breiden.

Dat de Vrije Universiteit dan ook nog niet, door middel van observatoria en laboratoria, kabinetten en musea, ziekenhuizen en krankzinnigengestichten, binnen haar kring van waarneming trok, wat daar tot heden van is uitge sloten, ligt zeker niet aan haar do^matischen grondslag.

Maar wanneer nu beweerd wordt, dat althans in den zin van vrijheid van denken, de vrijheid onzer Universiteit in wetenschappelijk opzicht wordt belemmerd, doordat bij haar de Heilige Schrift naar Gereformeerd belijden, het volstrekt beheerschend gezag van het, bij hel onderwijs onmisbare, denken is — meen ik die bewering te kunnen weerleggen op dc.e twee gronden;

1. dat een gezag als hier aan de Schrift wordt toegekend, aan ieders wetenschappelijk denken ten grondslag ligt, zonder zijn vrijheid van denken allerminst te belemmeren, en

2. dat in een kring van wetenschappelijke denkers, die ieder voor zich en allen te zamen aan de Heilige Schrift naar Gereformeerd be lijden, volstrekt beheerschend gezag over het denken toekennen, juist een gezag geldt dat in dien kring iemands vrijheid van denken allerminst kan belemmeren.

Wat nu mijn eersten grond betreft, dat een gezag als hier aan de Schrift wordt toegekend, zonder de vrijheid van denken allerminst te belemmeren, aan ieders wetenschappelijk denken ten grondslag ligt — dan zal dit wel door allen '."Orden toegestemd, behalve door een scepticus. Immers alleen het scepticisme ontkent of twijfelt althans aan een het denken volstrekt beheerschend gezag. Maar voor het scepticisme bestaat er dan ook noch wetenschap noch wetenschappelijk denken; geen noodzakelijkheid, maar hoogstens mogelijkheid; geen zekerheid, maar hoogstens waarschijnlijkheid omtrent feiten en hun naaste gronden.

Doch wijl bovendien de bewering, die ik heb te weerleggen, niet van de zijde der sceptici kwam, doet het er hier minder toe of het scepticisme, hetzij onverholen optredend, hetzij meer bedektelijk als agnosticisme of positivisme, al zijn instemming onthoudt.

Op volledige instemming met mijn beweren, dat aan ieders wetenschappelijk denken een dat denken volstrekt beheerschend gezag ten grondslag ligt, hetwelk de vrijheid vap denken allerminst belemmert, kan ik echter rekenen, zoo bij vrijzinnigen als geloovigen; zoo bij hen die los zijn van de heilige Schrift als Gods openbaring, als bij hen die zich aan die Schrift als zoodanig gebonden weten.

Immers zoowel onder vrijzinnigen als geloovigen geldt het volstrekt beheerschend gezag van de wetten der logica en van de „redewaarheden; " zonder welk gezag te eerbiedigen, het denken in wetenschapplijk opzicht evenmin vrij is als het zwemmen van 'n visch of het vliegen van 'n vogel, die bij deze verrichtingen tegen de haar beheerschende wetten ingaat.

En niet minder geldt zoo onder vrijzinnigen als geloovigen het volstrekt beheerschend gezag van wat ik zou willen noemen de vóóroordeelen, zonder welk gezag te eerbiedigen, het denken in wetenschappelijk opzicht evenmin bestaanbaar is.

Ik versta hier onder vöór oordeelen zulke oordeelen, welke aan alle andere voorafgaan en dus dogmatisch in den zin van aprioristisch zijn en daarom noch door het denken, althans niet door het discursieve, noch door de waarneming verkregen zijn. Zoekt toch ieders wetenschappelijk denken voor zijn oordeelen een grond en klimt het daarbij van de naaste en lagere tot al verdere en hoogere gronden op, het kan op dien weg niet voortgaan tot in het oneindige, maar moet ten slotte rusten in die hoogste of laagste gronden wier zekerheid, juist omdat zij laatste of, wil men, eerste zijn, niet door middel van andere te bewijzen, of, wat hetzelfde is, uit andere af te leiden zijn.

Tusschen deze onmiddellijk zekere waarheden, waartoe niet slechts de „redewaarheden" maar ook andere behooren; tusschen deze vóór-oordeelen en de waarneming beweegt zich metterdaad ieders wetenschappelijk denken.

Waarneming en vóór-oordeelen zijn er de grenzen van. En deze vóór-oordeelen beheerschen met zoo volstrekt gezag het denken, dat het er heel de richting van bepaalt. Ieder man van wetenschap denkt altijd in de richting van zijn vóór oordeelen.

Hij kan niet anders.

Zij zijn voor hem leidsterren en kompassen.

Zonder hen ware hij evenmin vrij in zijn denken, als een reiziger in duisteren nacht in een hem onbekende streek; als een schipper zonder streekwijzer, in hun reizen vrij zijn.

Iemand te willen dwingen in een andere richting te denken dan die, welke coor zijn vóór-oordeelen bepaald wordt, is dan ook een onbegonnen werk.

Een Plato kan niet denken in de richting van het vóór oordeel van Demokritus, dat er niets is dan de atomen en het ledige en hem moet dit vóór oordeel dan ook zoo ondenk baar zijn geweest, dat hij niet onwaarschijnlijk ook daarom, zelfs den naam van dien zoo scherpzinnige niet noemde in zijn schriften.

Want wel bestaat de mogelijkheid, dat de eene mensch van zijn vóór-oordeelen tot die van een ander wordt bekeerd, maar dan zijn de laatste juist weer zijn vóór oordeelen geworden.

In het bekende en algemeen erkende, „dat er niet te redeneeren valt tegen hem, die de principia ontkent, " vindt dit dan ook zijn bevestiging.

Dan, onze vóór-oordeelen beheerschen ons denken niet, om een beeld der scholastiek te gebruiken, als een despoot zijn slaaf, maar als een overheid haar volk.

De wil moet er bij komen.

Het is toch ten slotte 'n mensch die denkt; die zóó denkt omdat hij zoo wil denken ; zoo wil denken omdat dit zijn willen op het innigst saamhangt met de modaliteit van zijn wezen. Dan, ook bij alle vrijwilligheid, in den zin van spontaneïteit, of vanzelfsheid is het gezag zijner vooroordeelen voor den miu van wetenschap volstrekt beheerschend.

Vraag dat maar aan den materialist, voor het geval althans, dat ge een exemplaar dezer uitstervende species van wereld verklaarders, die het vóór-oordeel heeft, dat de stof het wezen der wereld is, bij de hand hebt; vraag dat maar aan onze „soortbestrijders, " die het vóóroordeel hebben, dat de wereld haar ontstaan dankt aan mechanische evolutie; en vraag dat maar ook aan den Theïst, die het vooroordeel heeft: Ik geloof in God den Vader, den Almach tige. Schepper des hemels en der aarde.

En nu bestaat er tusschen vrijzinnigen en geloovigen wel verschil in de wijze, waarop beide aan deze hun vóór-oordeelen zijn gekomen, doch dit doet niets af aan het karakter van een het denken volstrekt beheerschend gezag, dat voor hen deze vooroordeelen hebben.

Uit de ervaring heeft niemand ze; vandaar dat ook niemand zich voor de zijne tegenover anderen op de ervaring kan beroepen.

Maar of men ze nu, gelijk de vrijzinnigen, aan eigen intuïtie, zoo als dit het geval is bij de groote denkers, dan wel aan die groote denkers, zooals dit het geval is bij de meeste wetenschapplijke vrijzinnigen, heeft ontleend; dan of men ze heeft ontleend aan de Schrift, hetzij dan naar roomsch of naar gereformeerd belijden, doet er, althans in formeel opzicht, niet toe.

Ligt alzoo aan ieders wetenschapelijk denken, zonder dat zijn vrijheid van denken er allerminst door wordt belemmerd, het hier boven omschreven volstrekt beheerschend gezag ten grondslag, daarom kan, waar, zooals aan de Vrije Universiteit geschiedt, aan de Heilige Schrift, naar gereformeerd belijden een soortgelijk gezag wordt toegekend, niemands vrijheid van denken daardoor worden belemmerd.

Wat nu mijn tweeden grond betreft, dat in een kring van wetenschappelijke denkers, die ieder voor zich en allen te zamen aan de heilige Schrift naar gereformeerd belijden volstrekt beheerschend gezag over het denken toekennen, juist een gezag geldt dat in dien kring iemands vrijheid van denken allerminst kan belemmeren — dan weet ik, dat hij niet zoogrif zal worden toegestemd als mijn eerste grond.

Zoo werd, bij de debatten in de Tweede Kamer, van niet-vrij zinnige zijde gezegd: „Ik beweer in geenen deele, dat een professor niet mag uitgaan van een bepaald dogma; dit mag hij evengoed als van een hypothese; maar het dogma moet altijd voor nader onderzoek vatbaar zijn en is steeds betwistbaar. Hij kan zich nooit beroepen — wanneer hij jongelieden wil leeren denken — op een feit, omdat dit is vastgesteld en waaraan men zich dus heeft te onderwerpen. Het is om die reden, dat ik beweer, dat de Universiteit, de instelling, het corpus nooit een dogma kan hebben”.

Het didaktisch bezwaar hier genoemd moet ik thans nog laten rusten, wijl ik daar eerst straks, in verband met wat de stelling poneert in betrekking tot de belemmering van den dogmatische grondslag der Vrije Universiteit in didaktisch opzicht, kan op ingaan. Hier toch hebben wij het nog uitsluitend over de belemmering van den dogmatischen grondslag in •wetenschappelijk opzicht. En wanneer men nu in de Handelingen naleest wat op deze bewering volgt: „Dit kan wel bij Roomsch Katholieke Universiteiten. Waarom ? Omdat de Roomsch-Katholieken niet alleen zeggen de waarheid te bezitten, maar ook een orgaan hebben, dat van Godswege is ingesteld om te beslissen, wat aan de waarheid beantwoordt" — dan ligt in de hier verzwegen tegenstelling het eigenlijk wetenscliappeUjk bezwaar, dat ik, en ik vertrouw hier de bedoeling van den geachten spreker niet mis te vatten, aldus zou willen formuleeren: gij hebt aan uw Vrije Universiteit te Arasterdam geen orgaan, dat van Godswege is ingesteld om te beslissen, wat aan de waarheid beantwoordt.

Dit laatste nu hebben wij aan onze door en door protestantsche Vrije Universiteit zeker niet.

Ontstaat er in den kring dier Universiteit op wetenschappelijk gebied strijd en wel zoo dat twee meeningen van ernstigen aard contradictoir tegenover elkander komen te staan en het dus de vraag wordt, welke van deze beantwoordt aan de waarheid, of liever, is waarheid omdat zij beantwoordt aan de werkelijkheid, dan hebben wij niets, noch in, noch buiten dien kring, om dat te beslissen wat zelfs maar zweemt naar een uitspraak ex cathedra Petri.

Toch moet er in zulk een geval ongetwijfeld een beslissing volgen en dus een uitspraak gedaan, omdat de eenheid van denken, die aan deze Universiteit ian de veelheid ten grondslag ligt, dit eischt en wel een uitspraak ot beslissing van een gezag waaraan men zich vrijwillig onderwerpt.

Ik zal nu eerst aanloonen het bestaansrecht van zulk een gezag aan de Vrije Universiteit, en daarna aantoouen hoe dit gezag daar niemands vrijheid van denken belemmert.

Wat het eerste betreft, het bestaansrecht, gaat het daarbij niet om de vraag of er zulk een gezag is, want dit bestaat aan de Vrije Universiteit metterdaad, maar of dit gezag aan een protestantsche Universiteit ook recht van be­staan heeft.

Dit gezag bestaat hierin, dat daar ieder voor zich en allen te zaam aan de Heilige Schrift naar gereformeerd belijden volstrekt beheerschend gezag over het denken toekent.

Het toekennen voor zichzelf van zulk een gezag aan de Heilige Schrift waarbij toekenning van gelijk gezag aan wien of wat ook is uitgesloten, kan den protestant, den gereformeerde ten minste van protestantsche, van gereformeerde, zijde niet worden betwist. Het protestantisme, althans het gereformeerde protestantisme, is allerminst vrijdenkerij, maar juist gebondenheid van het denken alleen aan Gods Woord. Evenmin kan het recht worden betwist, dat in deze gelijkgezinden zich vrijwillig vereenigen tot een gemeenschap, of dat waar die gemeenschap reeds bestaat, andere gelijkgezinden, daartoe aangezocht, zich aan haar verbinden. Dat zij zich daarbij ieder voor zich en allen te zamen onderwerpen aan de Heilige Schrift naar gereformeerd belijden, doet hier niets af.

Onder dat „gereformeerd belijden" toch is niet anders te verstaan dan, dat gelijk de gereformeerde kerken in hare belijdenisschriften belijden het zij de katholiek christelijke, hetzij de specifiek gereformeerde dogmen, — het recht verstand van de heilige Schrift is op die punten waarin, op het gebied der religie, zoo tusschen Christenen en niet-christenen als tusschen chris-i tenen onderling strijd is geweest.

Maar, gelijk wij in het begin hebben aangetoond, hebben voor den gereformeerde deze belijdenisschriften niet anders dan relatief gezag; niet de belijdenis en zelfs niet het daarin beleden dogma heeft voor hem op zichzelf gezag, maar alleen omdat zij voor zijn bewustzijn met de Schrift overeenstemmen, en daarom geldt dan ook aan de Vrije Universiteit te Amsterdam niet de belijdenis en niet het dogma, maar even als op de Synode van Dordt alleen Gods Woord als hoogste uitspraak, en is daar geen ander volstrekt beheerschend gezag over het denken.

Ik meen hiermede het bestaansrecht van dit gezagin een protestantschen en een gereformeerden kring als de Vrije Universiteit te Amsterdam genoegzaam te hebben aangetoond.

Thans zal ik trachten aan te toonen, hoe dit gezag daar niemands vrijheid van denken belemmert.

Ik ga daarbij uit van de onderstelling, dat aan die Universiteit niet anders saamwerken dan zij, die ieder voor zich aan de heilige Schrift naar gereformeerd belijden volstrekt beheerschend gezag over hun denken toekennen. Er mag dan ook zelfs niet ondersteld, dat zich aan haar ooit iemand anders verbonden heeft of verbinden zal. Wetenschappelijk saamwerken met anderen op een bepaalden grondslag moet, als men zelf op dien grondslag niet staat, ongetwijfeld op belemmering van denkvrijheid uitloopen. Ook daarom weigerde Spinoza een hem aangeboden professoraat te Heidelberg; zal een goed katholiek niet aan de liberale Vrije Universiteit te Brussel; een protestant niet aan de katholieke Universiteit te Leuven, gesteld al dat men ze daartoe aanzoekt, als docent willen optreden.

Wel bestaat de mogelijkheid, dat iemand zijn overtuiging verliest, zijn geloof aan de Schrift als Gods Woord, in ongeloof omslaat, doch dan zal hij, zich aan de Vrije Universiteit niet langer op zijn plaats voelende, haar uit eigen beweging verlaten.

Wat nu de belemmering van de vrijheid van denken door het gezag dat in den kring der Vrije Universiteit geldt, betreft, verbindt zich bij velen de voorstelling daarvan aan die van een strijd op wetenschappelijk gebied tusschen twee contradictoire meeningen, waarvan de eene als nietgereformeerd tegenover de andere staat.

Metterdaad is dit laatste niet slechts denkbaar, maar ook gebeurlijk.

Het wetenschappelijk denken toch over het waargenomene zal, ook waar het van dezelfde vóór-oordeelen of grondstellingen uitgaat, tot een verschillende appreciatie of explicatie kunnen komen.

Wat dan beslissen moet is allereerst de belijdenis, die als band van eenheid in den kring der Universiteit welke haar heeft aangenomen, gezag heeft.

Wat duidelijk tegen de belijdenis, die altijd het criterium der orthodoxie is, ingaat, moet uiteraard als on-gereformeerd veroordeeld.

En dit geldt niet slechts van heterodoxe meeningen op het gebied der Theologie, maar ook van meeningen op het gebied van de philologie en de rechtsgeleerdheid welke met eenig stuk der belijdenis zouden strijden.

Voor een Gereformeerde, die juist omuat hij niet aan zijn eigen onfeilbaarheid gelooft, zijn denken vrijwillig onderwerpt aan het gezag van de Heilige Schrift naar gereformeerd belijden, kan dit echter geen belemmering van zijn vrijheid zijn en, hetzij rechtstreeks, hetzij door deductie, uit de belijdenis van het ongeretormeerde zijner meening overtuigd, zal hij haar als dwaling laten varen.

Maar ook is een dergelijke strijd op wetenschappelijk gebied, die veel dieper ingrijpt, gebeurlijk.

„Gereformeerd" is in onzen kring nooit iets anders dan zuiver Christelijk, zuiver schriftuurlijk, en nu is het mogelijk, dat iemand op grond van zijn wetenschappelijk denken, tot een meening komt, die wel met de belijdenis strijdt, maar naar zijn overtuiging overeenkomt met de Schrift.

In dit geval zal hij zich van de uitspraak der belijdenis beroepen op die van de Schrift.

Juist omdat hij niet in eigen onfeilbaarheid gelooft, eerst in den kring der Universiteit, straks, langs daartoe geordenden weg bij de gereformeerde Kerken.

En dan is tweeërlei mogelijk.

Of hij overtuigt op grond van de Schrift de gereformeerde Kerken van deze onzuiverheid of onjuistheid in haar belijdenis en zij zullen haar dan wijzigen; of de Gereformeerde Kerken overtuigen hem op grond van de Schrift, dat zijn meening feil ging en hij zal haar dan opgeven.

Bij een goed gereformeerde en een goed gereformeerde Kerk is een derde geval ondenkbaar.

En al mag nu de Universiteit, die de door haar aangenomen belijdenis als band van eenheid in haar kring handhaaft, niet toelaten, dat staande het geding, de docent zijn meening met apodicticiteit bij zijn onderwijs voordraagt, dit laatste zal den docent, juist omdat hij niet in eigen onfeilbaarheid gelooft, allerminst een be lemmering voor zijn vrijheid van denken zijn, maar wel een niet te versmaden voorbehoedmiddel om, wat wellicht dwaling is, niet als waarheid te verspreiden.

En allerminst zal hij, die zijn denken volstrekt laat beheerschen door het gezag der heilige Schrift als Gods Woord, zich in zijn vrijheid van denken belemmerd achten, wanneer hij zijn wetenschappelijke meeningen aan haar uitspraak als aan die van het hoogste gezag onderwerpt.

Het is door de twee hier nader besproken gronden, dat ik de meening weerlegd acht als zou in wetenschappelijk opzicht, en wel in den zin van vrijheid van denken, de vrijheid aan onze Universiteit worden belemmerd doordat bij haar de heilige Schrift, naar gereformeerd belijden, het volstrekt beheerschend gezag van het bij het onderwijs onmisbare denken is.

Is juist dit laatste, naar wij vonden, de zin van de uitdrukking „dogmatische grondslag", dan is, wijl de vrijheid van waarnemen buiten geding is, waar ook wij toegeven dat de arbeid, in wetenscliappelijk en didactisch opzicht eener Universiteit, vrijheid eischt, maar weerlegd hebben, dat voor deze vrijheid de dogmatische grondslag de Vrije Universiteit te Amsterdam in wetensclMppelijk opzicht een belemmering zou zijn, het eerste deel der stelling, wat betreft het eerste lid, bewezen.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 augustus 1904

De Heraut | 2 Pagina's

Vier-en-twintigste Jaarlijksche Samenkomst VAN DE Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden Grondslag, gehouden te GRONINGEN op 6 en 7 Juli.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 augustus 1904

De Heraut | 2 Pagina's