„En niet uw geheele licbaam in de hel geworpen worde.”
Indien dan uw rechteroog u ergert, Irek het uit, en werp het van u; want het is u nut, dat één uwer leden verga, en niet uw geheele lichaam in de hel geworpen worde. Matth. 5:29.
Ge tast mis, zoo ge de afschuwelijke smarten, die in het woord hel liggen saamgevat, uitsluitend van lichamelijke pijn of van uitwendig lijden verstaat. Zelfs is het aan geen twijfel onderhevig, of in het woord hel staat het inwendig lijden, de verscheurende en knagende zielestasxt op den voorgrond.
Dit komt overeen met ons bestaan als mensch. We bestaan tweezijdig, naar ziel en lichaam. We zijn niet als de engelen louter geest. Het lichaam hoort bij uw wezen. Ondergang en verderf als eindresultaat van een mislukt leven, moet ons derhalve èn in de ziel èn in het lichaam treffen, gelijk Jezus het dan ook klaarlijk uitsprak: „Vrees veel meer Hem die beide ziel en lichaam verderven kan in de hel.
Maar al slaat het ontzettend begrip van hel op beide, toch begint het afgrijzen met de ziel. De ziel gaat voorop, omdat, al zijn we beide ziel en lichaam, onze eere juist hierin bestaat, dat we niet een lichaam zijn met een ziel die dat lichaam dient, maar dat we in ons diepste wezen ziel zijn, met een lichaam dat die ziel dient.
Waarin die zielesmart bestaan zal, is evenmin een ondoorgrondelijk geheim, omdat reeds hier soms zielsangsten en zielsverschrikkingen en benauwdheden gekend zijn, die tot waanzin of wanhoop voerden, en niet zoo zelden in verbijstering tot zelfmoord hebben geleid. In het zelfverwijt, in het bitter berouw, in de nooit rustende wroeging vangt dit inboren in de ziel, dat knagen van de worm die nooit sterft, aan. De heugenis, de herinnering, de klare voorstelling van onze zonde, die niet aflaat, verergert dit. De diepten van satan ontsluiten zich. En daar komt dan in de eeuwigheid bij, dat de nevelen wijken, en in klaar doorzicht en inzicht het verbannen zijn van Christus, het vervreemd zijn van God, het zonder ooit verzadigd te worden dorsten naar ruste en vrede, zoo onuitsprekelijk benauwend zijn.
Wel ter dege moet dus dat eeuwige lijden der ziel in onze gedachten^ bij het denken aan wat door het woord „hel" wordt aangeduid, de eerste plaats innemen.
De goddelooze voelt dat niet; maar dan ook omgekeerd, hoe geestelijker we uitgroeien, hoe beter we dat verstaan en hoe dieper we dat beseffen.
Het is er mee, zooals het vroeger met zware lijfstraffen was. Stond op een misdrijf geeseling en tepronkstelling, dan gaf een bandiet of vagebond om die tepronkstelling niets, omdat hem alle eergevoel ontbrak. Wat hij duchtte, was maar het striemen van het geeselkoord. Een man van edeler en fijner ontwikkeling daarentegen voelde dieper nog dan die striemen, de kwetsing van zijn geestelijken persoon in de smaad en schande, die hij over zijn toekomst en zijn gezin bracht.
En zoo ook is het hier. Er dreigt smart beide voor ziel en lichaam. Maar de goddelooze en de edeler mensch staat hiertegenover zoo, dat de goddelooze, zoo hij er nog over nadenkt, alleen vrees heeft voor het onuitblusschelijk vuur; die ander veel meer en in de eerste plaats voor de worm, die knaagt en niet sterft.
Toch mag dit ook bij den beste nooit zoover gaan, dat daarom de lichaamssmart uit de eeuwige pijn zou worden weggenomen. Wat het woord „hel" uitdrukt, omvat wel terdege óók ons uitwendig, ons lichamelijk bestaan.
Het verband van het lichaam met de ziel laat Jezus nooit los, en hij prent het ons met aangrijpende taal in het hart; „Het is u beter dat hier een uwer leden verga, dan dat uw s; eheele lichaam in de hel worde geworpen".
Geef nu bij dat zeggen van Jezus zoo ruime plaats als ge wilt aan het eigenaardige van den spreukvorm, toch kunt ge er dit ééne nooit uit wegredeneeren, dat óók het lichaam in de eeuwige pijn deelt.
Hierop nu moet nadruk gelegd, omdat Jezus er zelf dien nadruk zoo sterk mogelijk op gewild heeft.
Jezus heeft niet even, terloops, als in het voorbijgaan, hierop gewezen, maar de bedreiging van de eeuwige pijn en de schrik voor een eeuwig verderf, telkens en telkens, met klem, plechtig, en zelfs met schijnbaar eentonige herhaling laten hooren; blijkbaar opdat toch niemand onzer er over heen zou loopen.
Herinner u b. v. dien vernietigenden ernst, waarmee de Heere in Mark. 9 : 43—48 aldus sprak:
En indien uwe hand u ergert, houw ze af. Het is u beter, verminkt tot het leven in te gaan, dan, de twee handen hebbende, henen te gaan in de hel, in het onuitblusschelijk vuur. Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgebluscht wordt.
Dan weer:
En indien uw voet u ergert, houw hem af. Het is u beter, kreupel tot het leven in te gaan, dan, de twee voeten hebbende, geworpen te worden in de hel, in het onuitblusschelijk vuur. Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgebluscht wordt.
En dan nogmaals:
En indien uw oog u ergert, werp het uit. Het is u beter, maar één oog hebbende, in het koninkrijk Gods in te gaan, dan, twee oogen hebbende, in het helsche vuur geworpen tewor den. Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgebluscht wordt.
Juist die herhaling tot drie malen toe van dezelfde woorden maakt deze taal zoo aangrij pend. Jezus wil blijkbaar, dat ieder zijner hoorders deze woorden letterlijk meê zal nemen; dat ze in ieders oor zullen naklinken, en dat niemand ze zal kunnen kwijt raken.
Te zeggen, dat Jezus den schrik der helhiei enkel overdrachtelijk heeft gebezigd als middel om ons de enge poort in te drijven, blijkt alzoo met de stellige taal van Jezus in onverzoenlijke tegenspraak.
Dat desniettemin ook in geloovige kringen dit rekenen met een uitwendig lijden ophield den door Jezus gewilden indruk te maken, ligt daaraan, dat men te uitsluitend rekende met wal onmiddellijk na het sterven intreedt, en dat men ophield den indruk te laten heerschen van wat komt na het oordeel.
In het sterven wordt de band, die ziel en lichaam saambindt, tijdelijk losgemaakt. Tot op den jongsten dag bestaat wie wegstierf, nog enkel geestelijk voort. We gaan de eeuwigheid in met onze ziel, niet met ons lichaam. En dit grijpt zoowel plaats bij wie in Jezus ontslaapt, als bij hem die buiten Christus sterft.
Maar al is dit de voorloopige, het is daarom niet de duurzame toestand.' We belijden de wederopstanding des vleesches. En hoe dit geheimnis nu ook verklaard worde, er ligt altoos dit in, dat we als mensch tweezijdig, uit ziel èn lichaam bestaan; dat deswege de geloovigen eens een verheerlijkt lichaam zullen ontvangen, en dies ook wie van Christus verbannen blijft, een lichaam dat overeenkomt met zijn geestelijk bestaan, en alzoo in bittere ellende.
Daar nu het Evangelie geen philosophic is, maar een aangrijpende taal spreekt, om tot den onnoozelste toe wakker te schudden, teekent Jezus die bittere ellende in het beeld van een buitenste duisternis en een onuitbluschelijk vuur, en schrikt af door er van te gewagen, dat daar zijn zal weening en knersing der tanden.
Toch gunt de tegenstelling met het verheerlijkte lichaam der gezaligden ons hier althans dit nadere inzicht, dat de bittere ellende niet enkel bestaan zal in een verderf dat van buiten tot het lichaam treedt, maar ook wel terdege in een verderf dat in het lichaam zelf uitkomt.
Het lichaam van Jezus, dat hij in den toestand van vernedering aannam, is overgegaan instaat van verheerlijking; en de apostel betuigt ons, dat de Heiland eens het lichaam der gezaligden gelijkvormig zal maken aan zijn verheerlijkt lichaam.
Hun zaligheid zal alzoo alsdan uit drie dingen bestaan: i". uit de geestelijke zaligheid der ziel, 20. uit de heerlijkheid die hen in het Vaderhuis omringt, en 30. uit de verheerlijking die het lichaam zelf zal ondergaan.
Daar moet dus wel tegenover staan, dat de rampzaligen lO. innerlijk aan de ziel lijden zullen; 20. dat dit lijden hun van buiten toekomt; maar dan ook 3". dat hun lichaam zelf met smaadheid zal bekleed worden.
Dit laatste nu teekent zich soms reeds' vooruit in dit leven af, zoowel wat de meerdere heerlijkheid als wat de meerdere smaadheid van het lichaam betreft; althans in de uitdrukking van het menschelijk gelaat.
Dit gaat niet bij allen even sterk door. Er zijn personen, wier gelaat, en vooral wier oog, sterk spreekt, en er zijn er anderen, wier oog en wier gelaat zwak van uitdrukking is.
Maar let ge op die eersten, die hun ziel in hun gelaat doen doorschemeren, dan is het onbetwistbaar, dat er edele zielen zijn, bij wie, hoe ouder ze worden, een steeds hooger, reiner en edeler uitdrukking, een steeds hemelscher lach u boeit en aantrekt.
Er is hier tweeërlei schoon. Een vrouw kan „mooi" zijn, gelijk men het noemt, maar zonder ook maar iets van die edeler uitdrukking te hebben. En ook een vrouw, vooral een bejaarde vrouw, kan al wat men mooi noemt missen, en toch een schoonheid van hooge uitdukking bezitten, die ieder treft en boeit.
Dat doet de ziel.
Het is dan de gezuiverde, de veredelde ziel, die allengs ook aan oog en gelaat een zuiverder, een edeler uitdrukking geeft.
Een begin van verheerlijking.
Maar evenzoo is het omgekeerd bij de onheilige naturen. Ja, zelfs mag gezegd, dat hun verdorven ziel de uitdrukking van hun gelaat nog sneller verderft, vooral zoo ze ten prooi zijn ar.n zinnelijken hartstocht.
Een dronkaard teekent, hoe dieper hij aan zijn zonde verslaafd wordt, al sterker op zijn gelaat zijn zonde af. Evenzoo is het" met een wellusteling. Den vrek ziet men het aan, hoe hij gemetalliseerd wordt door het geld dat hij aanbidt. Een driftkop en vechter verraadt zijn ruw bestaan in de ruwheid van zijn trekken. Hoogmoed verandert den opslag van het oog en maakt de zachter plooien van het gelaat stroef. En zoo is er zonde op zonde die, als ze den mensch aan zich verslaafd heeft, haar merk voor ieder zicht baar op het gelaat afdrukt.
De ongelukkigen kunnen hun zonden niet schuil houden. Hun blik, hun gelaat, hun oog, verraadt hen.
Is dit sterk, dan wekt het weerzin en stoot af. Uit zulk een gelaat is alle edeler trek weg. Er is begin van versmading, van een versmading die het lichaam zelf aangrijpt.
En dit nu, wat bij den enkele zeer sterk reeds hier uitkomt, dat is het, wat eens 7noet door gaan bij allen die in ellende verzinken. Hun lichaam zal conform aan hun ziel worden. En gelijk in het verheerlijkte lichaam de geheiligde ziel doorzichtig zal zijn, zoo ook zal bij de niet gezaligden hun innerlijk verzondigde ziel zich geheel afspiegelen in de verwelking van het lichaam.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 2 oktober 1904
De Heraut | 4 Pagina's