Van de tien geboden.
XXXI.
HET DERDE GEBOD.
II.
Gij zult den naam des HEE- ItEN uws Gods niet ijdelijk gebruiken. Exodus 20 : 7a.
Voor het bewustzijn van den Israëliet lag in het derde van Gods geboden allereerst het verbod tegen meineed.
En zeker wordt ook deze zonde hier verboden.
Maar reeds Calvijn — die bij de verklaring der tien geboden, als regel stelde, dat in ieder gebod slechts uitdrukkelijk wordt genoemd die soort van overtreding, welke de gruwelijkste en de schandelijkste is, doch dat daarbij tevens worden bedoeld alle andere zonden, welke met de genoemde verwant zijn — merkte op, dat wij ook hier in het verbod van meineed te doen hebben met die eigenaardige wijze van uitdrukking, waarbij slechts een deel wordt genoemd, maar het geheel moet medeverstaan.
Nu is de eed, waarbij Gods naam wordt aangeroepen, een godsdienstige, een religieuze handeling. In Jesaia 45 : 8, hebben wij het Godswoord: k heb gezworen bij Mijzelven; er is een woord der gerechtigheid uit Mijnen mond gegaan en het zal niet wedericeeren: at mij alle knie zal gebogen worden, alle tong Mij zal zweren.
Hier wordt heel het religieuze handelen zelfs saamgevat onder zweren.
Met den eed zijn wij op het terrein van de religie; de meineed is niet slechts onzedelijk, maar in den strengen zin irreligieus.
’n Mensch in wien het zaad der religie nog niet is verstikt, in wien nog eenige eerbied voor God is, schrikt er voor terug.
De eed, dien men als religieuze handeling altijd en overal; onder alle volkeren en in alle eeuwen vindt, is niet maar bij wijze van afspraak of navolging onder de menschen opgekomen, maar een inzetting Gods.
Het is Gods wil, dat de mensch bij Zijn naam godzaliglijk een eed zweert, als de Overheid van hare onderdanen of ook anderszins de nood het vordert.
Bij de behandeling van het derde gebod, zal dan ook in een onzer volgende artikelen de Christelijke eedsleer met zekere uitvoerigheid ter sprake moeten komen.
Maar al is nu ook de eed ongetwijfeld een inzetting Gods, en al draagt hij ook allereerst een religieus of godsdienstig karakter, toch is het minder juist, zooals sommige onder onze Gereformeerde moralisten of zedeleeraars wel gedaan hebben, hem te rekenen onder den door God „ingesteldcn dienst, " in den zin van eeredienst.
Immers de eed reikt veel verder dan de eeredienst.
Ook deze moralisten erkennen, dat het tweede gebod den van God ingestelden eeredienst raakt, gelijk het dan ook door ons, bij de behandeling van dat gebod, als zoodanig is opgevat. Uitgaande bij het derde gebod van den eed, als aanroeping van den Naam des Heeren, en den eed beperkend tot den eeredienst, leeren zij echter, dat in het derde gebod niet anders wordt geboden dan de wijze waarop de van God ingestelde eeredienst moet worden verricht en wel: met reverentie of eerbied en met devotie.
Op deze wijze wordt echter het derde gebod tot een aanhangsel van het tweede gemaakt, en verliest zijn zelfstandige plaats in den dekaloog.
Behalve over den eed, handelen zij dan bij het derde gebod, over het gebruik en misbruik van Gods Naam bij het lezen van de Schrift, bij het ontvangen van de sacramenten enz.
Deze wijze nu van het derde gebod te behandelen, vindt men vooral bij sommige Gereformeerden van puriteinsche richting. De Puriteinen in Engeland hadden toch, juist in hun strijd met de Anglikaansche hiërarchie, om den eeredienst, om den cultus zwaar te lijden gehad, en het is dus te verstaan, dat zij dien op den voorgrond stelden. Doch wanneer nu een dezer puriteinsche moralisten, William Ames of Amesius (1576—1633), — die ook in ons land heeft gearbeid o.a. als hoogleeraar te Franeker, — in een van zijn werken schrijft: „Door Gods Naam wordt alles verstaan, waardoor God ons bekend wordt of Zichzelf ons openbaart, zoodat Gods Naam al die dingen begrijpt, welke tot zijn natuurlijken of ingestelden dienst behooren, " dan zal men 2 .r.x^rTrr£ei: =T: .j ; .r=m^ i^& Sf^-> its»sm'SS!^ifi> . ••(.•'tJ^lii •"i-i5«i, *R; , - -irr^ toch, met allen eerbied voor dezen geleerden puritein en particulier secretaris van den voorzitter der Synode van Dordt in 1618, wel moeten toestemmen, dat in het laatste van wat hij schrijft, het begrip van Gods „Naam" te zeer wordt beperkt.
Gods Naam is Zijn openbaring, zoo als ook Amesius zelf eerst zegt, maar deze omvat of begrijpt toch niet alleen, hoe Hij in alles in-of uitwendig door ons gediend wil worden, maar ook wie Hij is en wat Hij doet; niet alleen Zijn ordinantien, maar ook Zijn wezen en Zijn werken.
En ook waar Amesius en anderen zich dan, voor hun beperken van het derde gebod tot de van God geboden wijze van onzen eeredienst te verrichten, op een viertal schriftuurplaatsen beroepen, wil ons dit beroep min juist voorkomen.
Die vier plaatsen zijn :
Handelingen 9 : 15. Maar de Heer zeide tot hem (t. w. Ananias): a heen, want deze (nl. Saulus) is Mij een uitverkoren vat om Mijnen Naam te dragen voor de Heidenen, en de koningen en de kinderen Israels.
Deuteronomium 12 : 5. Maar naar de plaats, die de HEERE uw God, uit al uwe stammen verkiezen zal om Zijnen Naam aldaar te zetten, naar Zijne woning zult gijlieden vragen, en daarheen zult gij komen.
Micha 4:5. Want alle volken zullen wandelen, elk in den Naam zijns Gods; maar wij zullen wandelen in den Naam des HEEREN, onzes Gods, eeuwiglijk en altoos.
En Maleachi i : 11. Maar van den opgang der zon tot haren ondergang, zal Mijn Naam groot zijn onder de Heidenen; en aan alle plaats zal Mijnen Naam reukwerk toegebracht worden en een rein spijsoffer; want Mijn Naam zal groot zijn onder de Heidenen, zegt de HEERE der heirscharen.
Wanneer men echter deze schriftuurplaatsen nauwkeurig beziet, zal men toch moeten toestemmen, dat de Naam daarin veel meer omvat dan den door God ingestelden eeredienst of de wijze waarop deze, door ons moet verricht; dat de Naam ook daar ziet op de openbaring Gods, die zeker óók omvat hoe Hij van ons vereerd wil worden; maar toch dit niet alleen.
Gevolg van deze al te beperkte opvatting van het derde gebod, zoodat men er niet meer in vindt dan gebod en verbod omtrent de wijze van het oefenen van den eeredienst, is dan ook, dat er dan bij de behandeling van dit gebod geen plaats overblijft voor wat daartoe toch zeker behoort, zoo als b.v.: de gelofte, het lot, de belijdenis.
Daarvoor moet dan een plaats worden gezocht onder het eerste gebod.
En dit nu wil ons daarom minder juist voorkomen en, althans bij een eenigszins systematische behandeling van de tien geboden, gelijk wij hier pogen te geven, niet navolgenswaardig te zijn, wijl de drie laatstgenoemde onderwerpen: gelofte, lot en belijdenis, juist, zoo als wij later zullen aanwijzen, met den Naam, in den zin van Godsopenbaring, in betrekking staan.
Deze wijze om het derde gebod te bespreken, vindt men dan ook niet bij de oudere Gereformeerden, voor zoover deze zich met de ethiek of zedeleer van het Christendom bezig hielden, en ook niet bij onzen Gijsbertus Voetius (1588—1676), hoogleeraar te Utrecht, aan wien ook op het gebied van de Gereformeerde zedeleer een eereplaats toekomt. Want wel handelt ook Voetius onder het derde gebod van het gebruik en misbruik van Gods Naam bij het lezen, hooren en toepassen der Schrift; bij • het gebruik der sacramenten en bij de prediking, maar zijn opvatting van den Naam is toch veel rijker, doordat hij uitgaat van het begrip openbaring, en dan ook bij het derde gebod over onderwerpen, als het gebruik en misbruik van het lot en de gelofte handelt.
En dat men bij de behandeling van het derde gebod moet uitgaan van de openbaring, daarop wees reeds Calvijn toen hij, gelijk wij een vorig maal zagen, schreef: „De Naam is hier wat Paulus noemt, dat wat van God voor ons kenbaar is.”
Al stemmen wij dus toe, dat in het derde gebod allereerst de meineed wordt verboden en wij daarmee dus zijn op het gebied van de religie of de verhouding van den mensch tot God, zonder dit gebied te overschrijden en mede verstaande onder het verbod tegen den meineed al wat daarmee verwant is, zullen wij bij de behandeling van dit derde gebod, uitgaande van den Naam als de openbaring, aanwijzen, hoe hierin alles wordt geboden en verboden, wat met het niet-gebruiken, het gebruiken en het misbruiken van Gods openbaring in verband staat.
Herinneren wij ons nog eens, hoe het eerste gebod de religie als de godsvrucht en den i •m^xsm godsdienst des harten raakt, en het tweede gebod den eeredienst, dan krijgen wij dus bij het derde gebod de openbaring. Gelijk er nu tusschen religie, eeredier .. en openbaring, een innig verband is en wel zoo, dat deze drie niet van elkander zijn te scheiden, zoo is er ook een innig verband tusschen de eerste drie geboden van 'sHeeren Wet.
In zooverre bestaat er dus, al hebben zij hun zelfstandige plaats in den dekaloog of de „tien woorden, " wel degelijk samenhang tusschen het 3de en het 2de gebod, en daarin hadden die moralisten recht, welke bij het 3de gebod over de reverentie en devotie tegenover Gods Woord handelen, en deed Voetius goed hen daar in na te volgen. Doch hier gaat, en dat voelde ook onze Voetius, het gebod niet in op. Bovendien is er evenzeer een verband, een wisselwerking, tusschen het derde en eerste gebod, wijl toch alle godsvrucht en godsdienst des harten op openbaring van Gods zijde berust.
Is het doel van onzen eeredienst, gelijk wij vroeger vonden, het sterken van onze godsvrucht en onzen godsdienst, en is hij dus middel, om het beeld Gods in ons te doen uitkomen, — waarom hij dan ook, om aan dit doel te beantwoorden, èn geestelijk èn niet-eigenwillig mag zijn, — het met reve^ rentie en devotie gebruiken van Gods openbaring, bepaald van de Schrift als Zijn bijzondere openbaring, is een van de voornaamste handelingen van onzen eeredienst.
Maar gelijk de eeredienst slechts een betrekkelijk klein deel van ons leven inneemt, en dan ook allerminst samenvalt met onzen godsdienst waarin heel ons leven moet opgaan, zoo reikt ook het gebruik van Gods openbaring veel verder dan onze eeredienst.
Gewoonlijk brengen wij op den dag des Heeren slechts een viertal uren door in het kerkgebouw; besteedt men op zijn hoogst niet meer dan drie halve uren op een dag aan den huiselijken eeredienst, en komt er voor individueelen eeredienst, gebed, meditatie en lezen, in dezen tijd van druk en gejaagd leven, voor de meesten onzer, al niet veel meer dan hoogstens een half uur per dag.
Ging nu onze godsdienst in onzen eere^ dienst op, dan zou dit zeker te weinig zijn, maar wij weten, dat onze eeredienst slechts middel is, om onzen God in ons hart en ons leven des te beter te kunnen dienen.
Doch dan verstaat ge ook, hoe het gebruik van Gods openbaring veel verder dan onze eeredienst reikt, en wij haar bij heel ons dienen van God in het leven, of wilt ge bij heel den godsdienst in het leven, moeten gebruiken.
De Schrift — om ons nu maar alleen tot de bijzondere openbaring te bepalen — moet gij gebruiken, niet alleen met Gods volk in de kerk, of met uw gezin aan uw huistafel, of alleen voor u zelf in een stil hoekje — maar die Schrift moet gij gebruiken en wel zoo, dat gij naar haar inhoud uw leven richt, ook op uw kantoor en uw fabriek, uw werkplaats en uw akker, uw school en uw studeervertrek.
Gij moet haar gebruiken niet slechts om, door wat zij u openbaart, te genieten in den stillen verborgen omgang met uw God, maar ook om, door wat zij u openbaart, te leven in gezin en maatschappij, kerk en staat voor uw God.
Wat zij u openbaart moet verwarmen uw hart, verteederen uw hoofd, kracht geven aan uw hand.
Daarom moet Gods openbaring dan ook gebruikt voor heel uw menschelijk leven en in heel het leven met uw medemenschen.
Zijn Gods geboden de normen of het richtsnoer voor ons willen en handelen in betrekking tot Hem, ons zelf en onze medemenschen; normen die door de daaraan verbonden sanctie of bedreiging, welke op haar overtredirfg gesteld is, in den meest strengen zin ook wetten zijn; in de eerste drie geboden, die het religieuze leven in enger zin raken, wordt u telkens de van God geboden wijze voor uw willen en handelen in de rechtstreeksche relatie of verhouding tot Hem, voorgeschreven.
Hoe gij moet willen zijn en handelen tegenover den eenigen waren God in uw hart; hoe gij moet willen en handelen wanneer gij in het uitwendige Hem vereert; en eindelijk hoe gij moet willen gebruiken Zijn openbaring.
Gij zult opheffen en niet laten liggen; gij zult gebruiken en niet ongebruikt laten; maar ook, gij zult niet opheffen of gebruiken tot het ijdele Mijn openbaring; — dit is, naar wij reeds een vorig maal vonden, de zin van het: Gij zult den naam des Heeren uws Gods niet ijdellijk gebruiken; dit is de zin van wat God u en alle menschen gebiedt in het derde gebod.
Even nu als wij vroeger bij het eerste en het tweede gebod, alvorens de daarin vervatte ordinantien des Heeren voor de religie en voor den eeredienst te bespreken, over het wezen zelf van de religie en het wezen zelf van den eeredienst hebben gehandeld, zoo dient dan ook thans, alvorens over Gods ordinantie voor ons willen en handelen in betrekking tot Zijn openbaring wordt gesproken, eerst over het wezen zelf van de openbaring, duidelijker nog, over wat openbaring is, zij het ook kortelijk, te worden gesproken.
Wanneer wij spreken van Gods openbaring, dan hebben wij aan veel meer te denken, dan alleen en uitsluitend aan de Heilige Schrift.
Is openbaren bekend maken van wat anders verborgen en dus onbekend zou zijn, Gods openbaring aan den mensch, is die actie of werking Gods, waardoor Hij den mensch kennisse omtrent Zich zelf schenkt.
God kent zich zelf volkomen, en deze kennisse, die God van zich zelf heeft, is dan ook de oorspronkelijke Godskennis, waarvan alle kennisse Gods in de schepselen slechts een afdruk is. En gelijk er wel overeenstemming is tusschen het oorspronkelijke en zijn afdruk; tusschen-het zegel en het was waarin het zegel is afgedrukt; tusschen het origineel en het afbeeldsel; maar het oorspronkelijke toch altijd boven zijn afdruk staat, zoo is er tusschen de kennisse, die God van Zich zelf heeft en de kennisse Gods in ons Zijne schepselen, wel overeenkomst; is wat God ons van Zichzelf geopenbaard heeft, krachtens Zijn waarachtigheid, wel zeker en waar, maar toch heeft geen schepsel te beschikken over die rijke en volledige kennisse Gods welke de Eeuwige van Zichzelf bezit.
Ook hier geldt voor ons het „ik ken ten deele". En al zal de kennisse Gods in het rijk der heerlijkheid zeker rijker zijn, dan die welke hier op aarde ons deel is, nooit zullen de kennisse Gods van het schepsel en de kennisse die God van Zichzelf heeft, elkander dekken.
Wij meenen hierop te moeten wijzen, opdat men van meetaf versta hoe, ook waar God ons openbaring schonk, daarmee alle verborgenheid niet is ontsluierd, alle raadselen, die zich aan ons denken opdoen, niet zijn opgelost. Daar is veel in het aanbiddelijk Wezen en doen Gods wat, „boven het begrip des menschelijken verstands gaat" (Ned. Gel. Bel. Art. 13) en ook in de Schrift geeft Hij ons Zichzelf slechts voor „zooveel te kennen als ons vannoode is in dit leven tot Zijn eer en onze zaligheid." (Ned. Gel. Bel. Art. 2).
Alleen de Almachtige kent Zichzelf tot den einde; alleen Zijn Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods; maar onze kennisse Gods, door openbaring verkregen, is begrensd, ten deele, naar menschelijke mate.
Is religie een verhouding van den mensch tot God waarbij de mensch, om zijn God lief te hebben. Hem moet kennen, hieruit volgt dat religie zonder openbaring van Gods zijde niet zou kunnen bestaan. Hij, de eeuwige heeft zich dan ook geopenbaard van het oogenblik af dat Hij den mensch geschapen had.
Omdat naar Gods Raad de wereld is is aangelegd op den mensch en de mensch op de wereld, kon de mensch uit die wereld verstaan en doorzien de eeuwige kracht en Goddelijkheid van haar Schepper. Omdat de mensch geschapen is naar Gods beeld, kon hij uit zijn eigen wezen zijn God kenuen. En bovendien komen hem reeds in het Paradijs woorden en geboden van Zijn God toe, waarvan hij den inhoud niet uit zichzelf zou hebben gekend, indien God hem die niet had geopenbaard.
En deze openbaring Gods zet zich voort.
In den sterrenhemel boven ons, en ook in de om 's menschen zonde aan het verderf onderworpen, aardsche natuur, openbaart God nog Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid. In de historie der volkeren en in onze eigen levensgeschiedenis openbaart Hij zijn goedheid en-gerechtigheid. Hij openbaart zich in het beloonen en straffen ; in het regeeren van engelen en menschen ; in het doen werken der natuurkrachten. Hij openbaart zich waar de mensch Hem aanroept in den eed en in het heilige lot; in gebed en gelofte; in den heiligen vloek.
Hij openbaart zich in het binnenste onzer h ziel, zoodat wij gewaarworden Zijn alles te boven gaande Majesteit in heilig ontzag; zoodat onze ziel wordt aangedaan door droefheid of vreugd, door wroeging en berouw, door dankbaarheid en hoop. N b
En dus openbaart Hij zich aan alle menschen.
Maar gelijk men een oog en wel een deugdelijk oog moet hebben om de zon te zien, zoo moet men ook hebben een „oog der ziel", en wel een deugdelijk oog, om te zien, te verstaan wat van God geopenbaard en dus kennelijk is.
En dat verstaan nu is in den natuurlijke mensch wat de Schrift noemt „verduisterd.”
Het is hier in het geestelijke als in het natuurlijke met de staar of cataract, de krankheid van het oog, waarbij het troebel worden van zijn kristallens zich kenbaar maakt door een grauwe of witte kleuring van de pupil, en dan het gezichtsvermogen, al naar de uitbreiding en dichtheid van de staar, min of meer vermindert. Want wel kan de natuurlijke mensch nog iets verstaan van hetgeen van God kenhelijk is; is ook „na den val in den mensch eenig licht der nature nog overgebleven, waardoor hij behoudt eenige kennisse van God, " (Leerregels van Dordt h. 3 en 4, § 4), maar zijn zielsoog is te krank om Gods openbaring te verstaan en te doorzien.
En nu heeft het Gode behaagd in Zijn oneindige liefde, èn naast deze algemeene openbaring, den mensch een bijzondere te schenken, èn zijn uitverkorenen het oog „der ziel" dus weer te genezen, dat zij èn die bijzondere openbaring kunnen verstaan en doorzien èn door middel van haar volkomener en klaarder dan alle andere menschen, ook Zijn algemeene openbaring.
Die bijzondere openbaring, wier doel is, dat de in zonde gevallen mensch — voor wien de algemeene openbaring, wijl deze ons God niet in Zijn genade doet kennen, ongenoegzaam was geworden — kennisse krijgt, hoe hij weer tot God kan "komen, vangt reeds aan in het verloren Paradijs. Zij komt tot stand door middel van Theophanie of Godsverschijning, van Profetieën Wonder. Straks wordt zij tot Israel beperkt, om dan in en door Christus en door wat Hij aan zijn Apostelen openbaart, haar voltooiing te bereiken en straks door de levende stem der Apostelen weer in de wereld te worden uitgedragen.
Het is deze bijzondere openbaring, die naar Gods bestel, door in zichzelf zondige menschen, maar daarbij door Gods Geest geleid en geïnspireerd, en wel zoo dat Hij daarbij de eerste en eigenlijke auteur is, op Schrift is gebracht. Menschen, die daarbij gelijk b. V. Paulus, wanneer hij aan een der kerken een brief schrijft, of een van Israels profeten of dichters, wanneer zij hun redenen of zangen hetzij persoonlijk of door een ander op schrift brengen, zelf niet weten dat zij voor den Bijbel schrijven. Iets wat ook niet noodig was, want heel die Schrift, wier deelen op verschillende tijden en onder allerlei omstandigheden zijn ontstaan en bijeengekomen, eerst als de Bijbel van Israël en toen, met toevoeging van de Schriften des Nieuwen Verbonds, als de Bijbel der Christenen, is van eeuwigheid door God gepraedestineerd, stond dus vast van voor der eeuwen eeuwigheid in Zijn Raad.
Is in den meest strengen zin Zijn werk.
Is de Christus van deze bijzondere openbaiing ons in den Bijbel gedocumenteerd, zeker het middelpunt, dit is echter niet zóó te verstaan alsof de Schrift ons alleen uitsluitend kennisse bracht van den weg der zaligheid.
De openbaring Gods in de Schrift brengt ons ook kennisse Gods, en Hij geeft ons Zichzelf daardoor nog klaarder en volkomenlijker zelfs te kennen dan door Zijn algemeene openbaring in de natuur, de historie, onze eigen levensgeschiedenis, ons eigen zieleleven. Zij brengt ons zeer zeker ook kennisse van Zijn genade en barmhartigheid, van zijn ontferming en goedertierenheid, van wat een arme, verloren zondaar tot zijn eenigen troost in leven en sterven weten moet; maar zij geeft ons ook verstand en nzicht in Gods wezen, werken en ordinanien.
Door de bijzondere openbaring leert gij erst de algemeene weer recht verstaan. En iet onaardig vergelijkt daarom Calvijn de erste bij een bril, waardoor de laatste des e scherper en beter gezien wordt.
Van uit de Schrift, het Woord van den euwige, beziet gij eerst het ontstaan en et doel der wereld, het wezen der dinen, natuur en historie, het leven der menscheid en des menschen in het rechte licht. eziet gij het zooals uw God wil, dat gij et bezien zult.
En zoo vonden wij dan, hoe waar de aam Gods aanduiding is van Zijn openaring, wij die openbaring hebben te ver-
staan in den meest ruimen zin, zoodat er niet alleen de Schrift, maar alle werking Gods, waardoor Hij zich aan den mensch bekend maakt om hem tot Zich in de rechte verhouding te brengen en te houden, onder moet begrepen.
En nu is het in het derde gebod, dat God de Heere ons Zijn ordinantie oplegt voor ons willen en handelen tegenover deze Zijn openbaring; jegens Hem, den zich openbarenden God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 2 oktober 1904
De Heraut | 4 Pagina's