Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Buitenland.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Buitenland.

8 minuten leestijd

Frankrijk. Scheiding van kerk en staat ophanden.

Het is thans in Frankrijk rust vóór den storm.

Dat de storm zal losbarsten zoo spoedig als de kamerdebatten beginnen, is zoo goed als zeker. Voor eenige weken heeft de ministerpresident, de priester hater Combes, te Auxerre eene rede gehouden, waarin hij scheiding van kerk en staat op zijn programma plaatste. Ook verklaarde hij daarbij, dat de scheiding opeen billijke manier, op een wijze die met de omstandigheden waarin men zich bevond rekening hield, tot stand gebracht zou worden.

Daarover hebben radicalen als Clemenceau en Ranc den minister reeds scherp aangevallen. De eerste verweet Combes, dat hij den Roomschen priesters hun tractement door middel van een lijfrente verzekeren wil. Daarom is de reformatie van Combes slechts bedrog, er wordt niets door veranderd. Het „bloc", d. w. z. de meerderheid in de kamer van afgevaardigden, die voor het ministerie is, denkt er alleen aan om alles, wat religie is, - tè vernietigen.

De religie, kennen zij alleen in den vorm van de Roomsche kerk, daarom gaat de stiijd tegen Rome. En daar Rome vooral in Frankrijk ook eene politieke macht is, zoo is de strijd tegen de Roomsche kerk aldaar des te heviger.

Op dit oogenblik hebben de Intellectueelen, gelijk zij zich noemen, of de vrijdenkers, in Frankrijk den boventoon. Of de groote menigte op den duur zich door hen zal laten leiden, achten wij zeer de vraag. Wij houden er ons van overtuigd, dat als het concordaat verbroken wordt en men dan verder tegen de Roomsche kerk gaat woeden, gelijk men reeds tegen de scholen die door Roomsche broeders en zusters gedreven worden, gewoed heeft, een groot deel van het Fransche volk tot bezinning komen zal om zich daarna van de leiding der vrijdenkers los te maken.

Voor geval dat het concordaat verbroken wordt en het budget van eeredienst daarmede vervalt, zullen ook de Protestantsche kerken in het gedrang komen. In de Luthersche kerken is men reeds begonnen regelmatig buitengewone collecten te houden, die, als de nood aan den man komt, dienen moeten om staande blijven.

In de Gereformeerde Staatskerk is men bezig de vraag te bespreken, of men in geval van scheiding van kerk en staat als een Gereformeerde Kerk zal blijven voortbestaan, dan wel of men in twee groepen moet uiteengaan.

Er zijn moderne predikanten, die aldus redeneeren: „Om een lid van de kerk van Christus te zijn is het genoeg, dat men den geest van Christus heeft en het leven van Jezus navolgt. De „leer" is slechts het uitvloeisel van het leven. Wij hebben allen, of wij rechts of links of in het centrum staan, hetzelfde ideaal, hetzelfde religieuse streven, dezelfde opvatting van het Christelijke leven; hierin moeten wij ons vereenigen, dat is de hoofdzaak, het eene noodige."

Doch er zijn ook Oithodoxen, die spreken van de eenheid te bewaren, terwijl enkele anderen er van overtuigd zijn, dat uiteengaan noodwendig zal blijken.

Tevergeefs zien wij uit, of iemand in Frankrijk de banier van de confessie van La Roebelle omhoog heft, om rondom haar de belijders van den Christus te verzamelen.

Engeland. Uit de Baptistische en Congregationalistische kerken.

De twee groote lichamen, n.l. de Baptistische en de Congregationalistische Unie, zijn aan den arbeid om hunne constitutie te wijzigen. Men wil, dat al hetgeen de kerk niet noodzakelijk te doen heeft, afgesneden worde, opdat zij zich zou kunnen werpen op hetgeen hoofdzaak is. Ook wil men het leven van zwakke kerken mogelijk maken, doordat deze gesteund worden door sterke. Men neigt dus over tot de Gereformeerde opvatting van het kerkverband. Nu is dit natuurlijk verblijdend. Maar bedroevend moet het genoemd worden, dat op de herfstmeetings van de Congregational Union van Engeland en Wales, de predikant Walker van Glasgow een stuk voordroeg over „De persoon en het werk van den Heiligen Geest", waarin deze predikant de oude Sabelliaansche dwalingen omtrent de Heilige Drieëenheid opnieuw verkondigde, en leerde dat den Heiligen Geest een „ethische Geest" moest genoemd worden.

Als men indenkt wat de Congregationalistische kerken, welke toen den naam van Independenten droegen, waren ten dage van den grooten Olivier Cromwell, kan men het niet anders dan bedroevend noemen, dat deze kerken zóóver afweken, dat een leeraar op eene kerkelijke vergadering kettersche gevoelens kan verkondigen, zonder dat een storm van verontwaardiging daarover opsteekt. The Christian zegt over den arbeid van Dr. Walker, dat men gewenscht kon hebben, dat deze zich gehouden had aan de woorden der Schrift, welke zegt, dat de Heilige Geest de wereld zal overtuigen van zonde, liever dan hem een „ethische geest" te noemen. Doch verder gaat dit blad niet.

Ach, mocht in Engeland de tijd eens aanbreken, dat men in de Vrije kerken de beproefde paden, die de vaderen bewandelden, weer opzocht. Doch daarvan is niets te bespeuren.

In plaats van verheugd te zijn over het feit, dat de hoogste rechter in Engeland den mannen die streden voor de handhaving van de beginselen, welke aan de Vrije Schotsehe Kerk het leven gaven, de goederen dier Kerk toewees, hebben de Congregationalisten aan de Geünieerde Vrije Kerk, aan welke het bezit van het kerkegoed is ontzegd, hunne sympathie betuigd bij de moeilijke positie waarin deze kerk gekomen is.

Het komt ons voor, dat, al doet de Farrey-Alexander Mission veel om het Engelsche volk tot bekeering te roepen, deze evangelisatie arbeid, al worden er ook duizenden door bewerkt, gelijk te voren door Moody en Sankey, niet kan verbeteren, wat de kerken bederven door steeds verder af te wijken van het fondament waarop zij gebouwd zijn.

Noorwegen. Een getuige tegen de Vermittelungs theologie opgestaan.

Tot hiertoe was in Noorwegen de invloed van den hoogleeraar Petersen en van den „Stiftpropst" Jensen zoo groot, dat er haast niet aan te denken viel, om dien aan te tasten. Immers wel 60 percent van de predikanten die de Luthersche kerk van Noorwegen dienen, zijn door professor Petersen, die sedert 1875 hoogleeraar was en ongeveer een jaar geleden stierf, in de dogmatiek en in de ethiek onderwezen. De meesten zijn daarbij in de praktische vakken onderwezen door Gustaf Jensen, hoofdleeraar aan het praktisch Theologisch seminarium der Universiteit, een geestverwant van Petersen.

Nu is de secretaris v.^n het Noorweegsche Zendingsgenootschap, Dahle, opgetreden om den invloed van de Vermittelungs-theologie der beide genoemde mannen te breken. Hij doet dit in een zeer zachten vorm, door bijv. op te merken, dat Prof. Petersen door zijn edelen zin er toe verleid werd, den tegenstanders van de kerk te veel toe te geven, en dat hij, om zooveel moge lijk eerlijken twijfelaars tegemoet te treden, „den inhoud der leer" verzwakte. Hij noemt den hoogleeraars een echten onderzoekenden geest, die meer belang stelt in het onderzoek, dan in de resultaten van zijn onderzoek. Uit die eigenschappen trekt hij dan het besluit, dat de „lieve" man als onderwijzer der aanstaande predikanten het niet verhinderen kon, dat zijn leerlingen op een standpunt kwamen te staan, volgens hetwelk niets meer vaststaat. Hij heeft hen vraagteekens laten zetten en hun „den indruk gegeven, dat bijna illes min of meer twijfelachtig is". Daarom moesten dezen „hun balans verliezen". Op even dezelfde manier laat Dahle zich over Jensen uit, die door sommigen genoemd wordt als de opvolger van Petersen.

Dahle is een autodidact; wellicht heeft hij daaraan te danken dat hij niet besmet is met de Duitsche vermittelungstheologie. Aan de Universiteit van Christiania worden uitsluitend Duitsche leerboeken gebruikt; geen wonder dat zij, die aan deze Universiteitstudeeren, de Duitsche Theologie overnemen. Dahle bleef van dien invloed vrij, doordat hij niet aan die unive^'siteit studeerde. Hij bewandelde zijn eigen weg en wordt door velen als de geleerdste Godgeleerde van Noorwegen gehouden, terwijl zijn tegen standers hem een man met een zeldzaam geheugen en bijna een wandelende encyclopedie h w D d d h d a D i p noemen, al heet hij ontbloot van wetenschappelijken zin.

Wat daarvan zij, de invloed van Dahle is reeds merkbaar geworden op het terrein der zending. De zendingsvrienden zijn uit elkaar gegaan, waarvan het oprichten van nieuwe zendinggenootschappen het gevolg was, doordat sommigen met Dahle samenwerken, terwijl anderen' dit wel wenschten.

Uit alles blijkt, dat Dahle een man is die voor de ontwikkeling van het kerkelijk leven van Noorwegen van groote beteekenis worden kan, al willen zijn tegenstanders hem niet erkennen als een wetenschappelijk man. In elk geval is het reeds veel, dat hij er op durfde wijzen dat ook de kerk van Noorwegen door de Vermittelungstheologie gevaar loopt vad haar belijdenis beroofd te worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 oktober 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Buitenland.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 oktober 1904

De Heraut | 4 Pagina's