„Wij geven het U, uit Uwe hand.”
Want wie ben ik, en wat is mijn volk, dat wij de macht zouden verkregen hebben, om vrijwillig te geven als dit is ? Want het is alles van U, en wij geven het U uit uwe hand. I Kron. 29 : 14.
De persoon van David blijft zielkundig een raadsel.
Herhaaldelijk leest ge van ergerlijke dingen; in de zaak van Uria den Hethiet stuit ge bij David zelfs op een misdaad, die uw afschuw wekt; en toch heet diezelfde David niet alleen keer op keer „een man naar Gods hart", maar vangt ge gedurig tonen uit zijn lied op, waaruit voorbeeldig vrome zin spreekt.
Natuurlijk moogt ge ook ten opzichte van David niet onbillijk wezen. De ijzingwekkende manier waarop David meer dan eens zijn overwonnen vijanden vernietigde, mag niet op rekening van zijn wreedheid, maar moet op rekening van de krijgsmanieren dier dagen gesteld worden, en zijn tot zich nemen van de ééne vrouw na de andere, was onder de koningen dier dagen eisch van hofstoet. Maar ook al laat ge dit gelden, toch blijft het u een raadsel, hoe Davids beslist vrome zin zoo weinig temperend op dit alles heeft ingewerkt, ook al blijkt uit alles hoe, na begane zonde, Davids berouw hartaangrijpend was, en de standaard van het zedelijk leven heel een andere was te Jerusalem, dan aan de hoven van Ninive en Babyion.
Dat het cement voor den bouw van het Koninkrijk der hemelen niet uit menschelijke deugd of werkheiligheid gemengd is, maar alleen aan de Ontfermingen Gods zijn vastigheid ontleent, is wel de klaarste openbaring die ons uit dit heldenleven toekomt. Dat juist Bathseba's zoon de verkorene uit al Davids kroost werd, en in de geslachtslinie van den Messias haar zondig stuk historie is ingeweven, is een prediking op zichzelf
De gelooflooze wereld verstaat dit niet en 2iet in den zoon van Isaï niets dan huichelarij en eerzucht. Moge Davids historie maar nooit onder Christenen misbruikt worden om zinlijken lust met het kleed der vroomheid toe te dekken 1
Dat voor het overige Davids vrome zin van echte soort was, blijkt uit zijn zielsuiting in zijn lied.
Wie als zanger huichelt, kan niet voor dertig eeuwen den toon aangeven voor het vroom gemoedsleven onder de hoogst ontwikkelde volken. En dat te minder, omdat ook in die eigen psalmen meer dan eens harde uitingen voorkomen, die óns weinig toespreken, en alleen uit een heldenleven, als David doorworstelde, worden verklaard.
In weinig komt het diepste roersel van veler hart zoo scherp uit als in hun kleven aan hun goed, of in de gulle mild heid waarmee ze van opgezamelden schat kunnen scheiden.
Dat laatste nu kon David.
Behalve al den rijksschat, dien hij voor den bouw van den tempel bijeen had gegaard, gaf hij uit zijn privaatvermogen voor dat hooge doel nog drieduizend talenten gouds en zevenduizend talenten zilver; een schat, die naar ons geld gerekend, miljoenen en miljoenen beloopt.
Toch kon hieraan de echte vroomheid nog ontbreken.
Er is zooveel gegeven om vertoon voor menschen, zooveel ook om loon voor eeuwig mee te verdienen. Ook bij het geven van zijn goed kan de „milde gever" zichzelf bedoelen.
Maar wat nu bij David zoo sterk uitkomt, en zoo het echte stempel van vroomheid op zijn daad drukt, is, dat hij niet enkel al wat kon zweemen naar eigen verheffing hierbij van zich afwerpt, maar dat hij, meer nog, hiervoor een uitdrukking vindt zoo keurig, zoo diep gevoeld, als alleen uit het rijkst gevoel des harten kan opwellen.
En die uitdrukking vond David, toen hij van al den geschonken tempelschat deze woorden uitsprak: „Het is alles van Z7, en wij geven het U uit uwe hand t"
De bereidwiligheid tot het doen van offerande stierf, Gode zij dank, ook onder de Christenen van onze dagen nog niet uit.
Veeleer mag gezegd, dat het „geven van zijn goed, " onder den invloed van het Christendom zoo diep wortel in onze samenleving schoot, dat ook onder nietgeloovigen die goede neiging stand hield. In Amerika, waar de fortuinen fabelachtig omhoog gingen, is dit „geven van zijn goed" niet eerst na zijn dood, maar reeds bij zijn leven, tot vroeger zoo ongekende hoogte gestegen, dat het ons in het oude Europa verbaast. En al is er veelal de schaduwzijde aan, dat zulke gevers liefst de stichting die ze in het leven roepen, met hun naam sieren, toch openbaart zich hier een macht, die ook in Europa moet inwerken.
En dat dit niet overbodig is, toonen de feiten. De Christelijke groepen, ook ten onzent, tellen niet meer zoovele schatrijke personen in haar midden, als vroeger. In de dagen van het Réveil was dit nog in het oog springend. Juist vele dezer mannen echter stierven kinderloos, en hiermee ging al hun schat naar andere kringen over, zonder dat andere millionairs hen vervingen.
Haast zou men kunnen zeggen, dat op dien vroegeren schat weinig zegen heeft gerust. Er is in die dagen zoo weinig van aanbelang gesticht; er is zoo weinig duuriaams tot stand gekomen; er is meer in het kleinere naar allerlei land uitgestroomd, dan dat blijvende steun voor den geloofskring tot stand kwam.
Thans is dit heel anders geworden. Wat er nu telken jare, onder allerlei vorm, voor kerk en school, voor zending en philanthropie, op sociaal en staatkundig terrein geofferd wordt, overschaduwt in bedrag al het vroegere geven zeer verre, en neemt nog gestadig toe.
Een winste, daaruit te verklaren, dat de gevers in de lagere maatschappelijke rangen op zoo verrassende wijze vermenigvuldigd zijn. Voor tien gevers van voor vijftig jaar vindt ge er nu duizend. Het geven is usantie geworden. Te geven is een mildheid, die onder Christenen als vanzelf spreekt.
En wat het schoonste mag heeten is, dat ook in arbeiderskringen de offervaardigheid soms zoo beschamend uitkomt.
Er is minder uitgaan en vermaakzucht, er is minder drankzucht en verkwisting; en het is deze zelfbeheersching, dit spenen aan de wereld, die tot zoo verrassend geven bekwaamt.
Doch juist naarmate het geven van zijn goed weer meer inheemsch onder ons wordt, wordt toetsing van wat tot geven beweegt, steeds ernstiger plicht.
En dan zal ook ons geven wel altoos te toetsen zijn aan dezen stelregel: „ Vit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen."
Al wat we geven is óns „gegeijen goed", goed als vrucht van onzen arbeid, als erfenis uit ons geslacht, als winste van bezit ons in den schoot geworpen, maar in elk dezer vormen ons van Hem toekomend, die ons kracht tot den arbeid, welslagen in ons bedrijf, of ook blosd verwantschap aan wie goed naliet, toebedeelde.
Geen gulden, en geen cent, kunt ge de uwe noemen, of ze zijn onder Gods bestel, door kracht die God verleende, van Hem als den eenigen Soeverein, in uw hand gesteld.
Ze zijn niet uit Gods eigendom in uw eigendom overgegaan, maar ze zijn Gods eigendom gebleven. Zijns is en blijft alle ding in hemel en op aarde. Het hoort alles Hem en Hem alleen toe, en wel tegenover het schepsel, maar nooit tegenover Hem, den Schepper aller dingen, kunt gij op iets, wat het ook zij, eenig recht doen gelden.
Het is dus niet het uwe, zoodat gij het van het uwe alsnu aan God geeft.
Ook wat gij hebt of bezit was en bleef in Gods hand; en het is daarom zoo diep-vroom gevoeld en gedacht, als David van dien enormen tempelschat het voor de ooren van heel Israël uitspreekt: o. Onze God, wij geven het voor uw tempel uit uw eigen hand.
Rentmeester zijn over het goed is ook een rijke gedachte, maar ze slaat meer op onze verantwoordelijkheid, op den last, op de roeping die we ontvingen. Het rentmeesterschap raakt de vroomheid wel, maar drukt ze niet uit.
En de gevoelige snaar der vroomheid trilt dan eerst, als we metterdaad voelen: Het is niet het onze, dat wij aan God offeren, neen het komt uit de ééne hand van God, dat wij in de andere hand van God overleggen.
De ééne hand Gods die 't ons geeft; de andere hand Gods die het van ons neemt.
Is zoo alle geven uit God, alle echt geven is evenzoo door God.
Te geven mild, met opoffering van eigen weelde of genot; te ge v-en met beleid en overleg, zoodat onze gave nut stich'; te geven niet om van de menschen gekend te worden, maar in het verborgen; te geven niet om zonden goed te maken, maar om Gods koninkrijk te doen komen; te geven niet om er dank voor te ontvangen, maar om er God voor te danken, dat we geven mochten; staat zoo hoog, dat alleen bijzondere genade dit in uw hart bewerken kan.
Dien God daartoe niet willig maakt, die kan het niet, en doet het niet. Zulk-een kan wel geven, maar niet geven met zulk een zin van het hart.
Waar dan ook ooit zóó gegeven is, daar is gegeven niet alleen uit God, maar ook door God, door Hem er toe bekwaamd.
Het derde eindelijk hangt aan de intentie.
God alleen is al onze liefde waard. De liefde voor den naaste staat niet naast deze liefde voor God, maar is er in besloten.
Vooral bij het „geven van uw goed" komt dit sterk uit.
Immers aan God zelven kunt ge niets toe brengen. Christus zelf heeft betuigd, dat ge, om Hem iets te geven, het geven moet aan een van de zijnen. En ook als ge voor een kerk, voor een stichting, of wat ook uw gaven reikt, strekt dit om het gebruik ervan voor menschen te scheppen.
Rechtstreeks komt aan God niets toe van uw gaven. Maar omgekeerd moet alles Hem toekomen door middel van wie of wat op aarde in nood verkeert.
En daarom, het goede, het vrome geven is er, wanneer ge elke gave met de intentie „fc/God" uitreikt. Aan al wie hulp behoeft, omdat de behoeftige Gods schepsel is; aan een kerk of stichting, omdat deze het koninkrijk der hemelen bevorderen.
Altoos om Gods wille.
God zelf alleen is het, in wien ons hart ook bij ons geven kan rusten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 13 november 1904
De Heraut | 4 Pagina's