Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Meest nu niet traag!”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Meest nu niet traag!”

9 minuten leestijd

Mijne zonen, weest nu niet traag; want de Heere heeft u verkoren, dat gij voor zijn aangezichte staan zoudt, om Hem te dienen, en opdat gij Hem dienaars en wierookers zoudt wezen. 2 Kron. 29: II.

Onrustwekkend blijft het afnemen van het schuldbesef.

In de 16^ eeuw was het schuldbesef, na diepe inzinking, weer krachtig opgeleefd; en wat bij de Hervorming den stoot gaf tot groote dingen, was juist de drang der conscientie, de angst van het zichzelf aanklagend hart, de dorst naar rechtvaardigmaking voor God.

De sleur was gebroken, er was iets onmiddellijks in den geest wakker geworden, men gevoelde weer dat men persoonlijk met den levenden God te doen had, en men kon niet rusten alvorens de onwrikbare overtuiging te hebben herwonnen, dat er verzoening, dat er verlossing was, dat men die verzoening persoonlijk deelachtig was geworden, en dat men krachtens die verzoening weer recht voor zijn God stond.

Maar tot die klare, onmiddellijke aanraking met de wereld der geesten daarboven, komt de ziel gewoonlijk alleen in dagen van hooge spanning; en nauwlijks treedt weer ontspan ning in, of nevel na nevel trekt weer tusschen God en het hart. Het licht verdonkert zich weer in schemering. En niet lang meer of de vroegere donkerheid omvangt weer het hart.

Alles toont dan ook, hoe sterk deels reeds op het eind der 17", maar vooral in de i8e eeuw het schuldbesef weer was uitgesleten, en al is het onder den druk der Fransche overheersching een tijdlang door den Reveil weer opgewekt, toch kan niet gezegd dat het de oude kracht herwon en de oude geestelijke veerkracht deed herleven.

Aan één ding vooral merkt ge dit; men staat nog wel beschaamd voor bepaalde zonden, maar voelt de klem van de zonde, d.i. van het aangeboren inshiipsel in onze natuur, niet meer als eigen schuld voor God.

Als men een oneerlijkheid beging, als men in een leugen zijn toevlucht zocht, als men zich aan het recht vergreep of verviel in drank of wellust, dan spreekt de conscientie, dan knaagt het zelfverwijt, dan voelt men drang om zijn God op de knieën om vergiffenis aan te roepen.

Maar als men doorgaande de hebbelijkheid heeft, om onlief, om onvriendelijk, om karig en schriel, om hoogmoedig en trotsch, om driftig en oploopend, om slordig en traag te zijn, dan leven de meesten er onder door, en dalen ten slotte met die hebbelijkheid ten grave.

Dat alles voelen ze wel als schuld bij anderen. Hoor maar, hoe ze, in beoordeeling van anderen, haaifijn weten te zeggen, van wat fouten ieders karakter blijk geeft. Ook mag niet ontkend, dat ze, door anderen op uitingen van die karakterfouten betrapt, oogenblikken kennen, dat ze er tegen ingaan en een zwakke poging wagen om er zich aan te ontworstelen. Maar in den regel werken ze daar even spoedig overheen, en tot het punt om in zoo zondige hebbelijkheid een wezenlijke zonde van hun natuur, en als zoodanig schuld voor God te erkennen, komt het niet dan bij hooge uitzondering.

Zelfs kan men zeggen, dat de zedelijke maatstaf der meesten door het vergoelijken van hun eigen fouten bepaald wordt. Wie zinlijk van aard is, maar gul en goedhartig, zal het zedelijk kwaad in de eerste plaats zoeken in trots en hoogmoed en zelfzucht. En omge keerd, wie streng van leven is, maar op het kussen van den hoogmoed slaapt, zal de'scherpte .van zijn zedelijke critiek allereerst keeren tegen zinlijke uitspatting.

Men hangt dan een gordijn voor dien kant van het zondige leven, waar men zelf aan vast zit, en laat het zoeklicht van zijn zedelijken ernst bijna uitsluitend spelen op die andere zijde van het zondige leven waar men buiten staat.

En dit nu stompt het schuldbesef af. Schuldbesef wordt dan iets, dat alleen spreekt in die enkele oogenblikken waarin men zich bepaaldelijk vergreep of misging. En het overige van zijn zondig leven blijft men zoo ingewikkeld in zijn gewone zondig bestaan, dat de conscientie er geen hinder meer van voelt, en geen schuld over onze zondige natuur meer in de ziel bekend woidt.

Vooral geldt dit van die zondige hebbelijkheden, die niet rechtstreeks tegen een gebod Gods ingaan, en zoo ook van de zonde der traagheid.

Wat Hiskia, toen de ontheihgde tempel gereinigd moest worden, aan de Levieten toeriep : „Mijne zonen, iveest nu niet traag", drukt dit scherp uit. Bij de priesters was die traagheid nog erger, want in vs. 34 staat: „De Levieten waren rechter van hart om zich te heiligen, dan de priesters." Maar ook zoo was toch de traagheid der Levieten nog ergerlijk.

In vs. 5 van hoofdstuk 24 staat uitdrukkelijk: „Maar de Levieten haastten zich niet."

En het was met die ervaring voor oogen, dat Hiskia het hun met zooveel teederheid en met zulk een klem op 't hart bond: „Mijne zonen, weest nu niet traag T

Nu versta men deze „traagheid" wèl. Er is niet bedoeld een minder spoed maken voor een enkel oogenblik, maar gemis aan veerkracht, zekere slapheid en pitteloosheid van karakter, een bij de pakken blijven neerzitten, een loom en onmanlijk zich aanstellen, een niet aanpakken van de dingen, een niet durven, een missen van geestdrift en hoogere bezieling, een niet met heel zijn persoon zich werpen op de aanbevolen taak.

Dit nu is zonde.

In God is alles één eenige energie, een steeds naar alle zijden uitstralende almachtigheid, en wij, kinderen der menschen, als dragers van zijn beeld, zijn geroepen, om evenzoo in onze mate, alle krr.cht die in ons gelegd is in te spannen, en met volle veerkracht op te treden. Er zijn ook buitengewone omstandigheden, waarin we onze veerkracht moeten overspannen en ons zelf overtreffen! Doch dit zijn uitzonderingen, en vormt den regel niet. Maar de normale spanning van de gaven, krachten en talenten, die God ons schonk, is een ieder ten plicht gesteld, en wie daarin tekort schiet, zondigt.

Bij ons menschen werkt die veerkracht niet rusteloos door als bij God. Gebruik put uit, en daarom heeft God voor ons ruste verordend, de ruste van den slaap, de ruste van den Sabbath, de ruste van de ontspanning. Maar én dio slaap én die Sabbath én die ontspanning hebben juist ten doel, ons weer tot voller betoon van onze veerkracht in staat te stellen.

En wie daar nu tegen ingaat met gemakzucht, met slapheid, met half stoom, als we ons zoo mogen uitdrukken, begraaft zijn talent wel niet geheel, maar toch ten deele; die ontsteelt aan God de eere van zijn gaven; die zondigt tegen zichzelf, tegen zijn gezin, tegen zijn volk en tegen zijn God.

Luiheid, ook al openbaart ze zich slechts in loomheid, is des duivels oorkussen.

Nu heeft ons volk veel van de Levieten onder Israel weg.

We stuiten hier op een lichtzijde van onzen volksaard, maar die tegelijk zijn donkere schaduwzijde heeft.

We zijn niet opgewonden, onze natuur is bedaard, onzer is eer rustige kracht. We blijven lang zitten, maar staan we eenmaal op, dan meenen we het en oefenen taaie volharding.

Dat is de lichtzijde, die in onze historie telkens uitkomt.

Maar de schaduwzijde, die er mee saamhangt, is, dat we behept zijn met onduldbare langzaamheid; dat met passen en meten de tijd wordt versleten; dat we over alles nog eens een nacht slapen moeten; dat we wikken en wegen zonder tot een besluit te komen; en dat we het drukte-maken noemen, als iemand eens niet aarzelt, maar doortast.

Aarzelen, dat is het echte woord voor dezen karaktertrek; en het is die karaktertrek die zich dan zondig uit in traagheid, loomheid en slap heid van ons aan te stellen. Daardoor steekt de werkman buitenaf onze werklieden de loef af Daardoor verkreeg heel onze levensbeweging iets looms en gedrukts. Daardoor zijn onze vergaderingen meer geschikt voor eindeloos praten, dan voor kloeke besluiten. En daardoor wordt het nietsdoend rentenierschap, het lui waarnemen van zijn ambt of bediening, de luiheid op school en in zaken aangekweekt. En daardoor mist ge zoo telkens in personen en gezinnen dat flinke, dat pittige, dat bezielde, dat aantrekt en wonderen doet. Een kwaad daarom van te bedenkelijker natuur, omdat de één den ander aansteekt, de loome in de achterhoede den vlugge in de voorhoede ophoudt, en er eindelijk zelfj spotlust opkomt, om wie harder vooruit wil, uit te lachen.

De laffe volksdeun: „Haast je maar niet, " die maandenlang langs onze straten weerklonk, was zoo typisch-Nederlandsch. Doch het gevaar dat hierin steekt, nu de wedstrijd der volken zoo veel machtiger wordt, voelt de natie niet.

Amerika staat hierin vlak tegen onzen landaard over, en zie hoe het ons vooruit snelt.

Bezworen nu wordt dit kwaad niet door een opwelling van het oogenblik. Alleen in den wortel ligt ook hier de genezing.

Op den persoonlijken prikkel, op den prikkel der conscientie komt het aan; op het besef dat ook deze traagheid zonde is en ons voor God tot schuld moet worden.

Vooral op de Christenen in den lande moet daarom hope gesteld.

Hunner is de kennisse der zonde; de kennisse van het zondige niet alleen in daden, maar ook in onze natuur; en hunner is de kennisse der kracht om ook aan dat zondige in onze natuur ons te ontworstelen.

Geve God dat de priesters, beter dan in Juda, hierbij voorop mogen gaan, en dat de Le vieten, anders dan onder Hiskia, het: „weest nu niet traag, mijne zonen, " mogen verstaan.

Maar toch, niet alleen op de voorgangers, op ieder onzer persoonlijk, op ieder in zijn gezin en in zijn werkkring komt het aan. En dan eerst zal van ons Chris'.envolk de zegen onder de natie uitgaan, dien heel die natie van ons verwachten mag, zoo we in eigen kring en in eigen boezem die zonde te boven komen, na ze eerst beleden te hebben voor onzen God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 november 1904

De Heraut | 4 Pagina's

„Meest nu niet traag!”

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 november 1904

De Heraut | 4 Pagina's