De plaats van den mensch in het heelal.
IX.
Ten einde zich een voorstelling te vormen van het heelal, moet op drie feiten gelet worden, waarop we reeds kort in ons vorig artikel wezen.
Vooreerst hierop, dat de melkweg, die zich voor 't oog voordoet als een lichtende boog, in werkelijkheid ringvormig onzen geheelen sterrenhemel omgeeft. Bij het telescopisch onderzoek blijkt hij te bestaan uit een eindeloos aantal sterren, zoo dicht bij elkander geplaatst, dat haar licht voor ons oog samensmelt. William Herschel telde op een breedte van vijf graden bij de sterrengroep van de Zwaan in den melkweg 331 000 sterren, en men schat, dat het totaal aantal sterren van den melkweg ongeveer 18 millioen bedraagt.
Ten tweede, dat de sterren in aantal toenemen naarmate men den melkweg nadert en afnemen naarmate men dichter bij de beide polen van den melkweg komt; een verschijnsel dat evenzeer voor beide helften van den sterrenhemel geldt, die boven en beneden den melkweg zijn ge legen. Het volgende diagram van J Herschel geeft hier een voorstelling van. De donkere strepen geven de dichtheid van den sterrenhemel aan. Zooals men ziet, bereikt die dichtheid bij den melkweg haar hoogtepunt, om dan aan beide zijde naar de polen toe vrijwel gelijkmatig af te nemen.
Natuurlijk is deze graphische voorstelling slechts ten deele nauwkeurig. Vooreerst, omdat hierbij alleen gerekend is met sterren van een bepaalde grootte. En ten tweede, omdat er enkele plekken zijn aan den hemel, die nog armer schijnen aan sterren dan de beide polen. Maar generaal genomen kan dit beeld toch dienst doen, om een voorstelling te geven van de verdeeling der sterren aan den hemel, gelijk wij dien waarnemen.
En ten derde, dat behalve deze sterren aan den hemel no^ voorkomen lichtende plekken of nevelvlelcken, die voor een deel door het telescopisch onderzoek gebleken zijn even evenals de melkweg een verzameling van sterren te zijn, de zoosfpnaamde v sterren-zwermen, terwijl een anU-^r c'.rel blijkens de spectraalanalyse bestaat uit brandende gassen, de zoogenaamde gasvor d mige nevelvlekken. De sterrenvormige nevelvlekken of sterrenzwermen bevinden zich alleen in de nabijheid van den melkweg, terwijl daarentegen de gasvormige nevelvlekken het meest voorkomen bij de beide polen. Reeds William Herschel had dit verschijnsel opgemerkt; zoodra hij door zijn telescoop gedeelten van den hemel beschouwde, waar hij zag dat de sterren zeldzamer werden, was hij gewoon tot zijn secretaris te teggen: maak u gereed om te schrijven, de nevelvlekken gaan komen.
Op grond nu van dit drietal waarnemingen heeft men zich de volgende voorstelling van het hedal gevormd. De vroegere voorstelling van Kant en Laplace, alsof het heelal den vorm van een schijf had, waarvan de lengte ongeveer acht maal zoo groot was als de doorsnede, wordt tegenwoordig prijsgegeven. Ze berustte op de veronderstelling, dat ons heelal op dezelfde wijze als ons zonnestelsel uit een nevelvormige massa ontstaan was en daarom onze zon met de haar omgevende planeten, die allen in één vlak zich bewegen, ongeveer het beeld moesten leveren van wat op veel grooter schaal in het heelal gevonden werd. Nu echter deze nevelhypothese om verschillende redenen onjuist is gebleken, neemt men tegenwoordig meest aan, dat de sterrenwereld niet den vorm heeft van een platte schijf, maar een min of meer kogelvormige gestalte. Snijdt men dien kogel nu middendoor, dan heeft men hier de zoogenaamde melkwegregion. De melkweg omgeeft als een breede gordel deze streek, waarin de meeste sterren gevonden worden. In dit vlak ligt nu ons zonnestelsel en wel zoo, dat het niet ver afligt van het middelpunt van den cirkel. Boven en beneden deze melkwegregion bevindt zich dan een tweede „region", waarin de sterren veel dunner gezaaid zijn. En daaronder of daarboven, naar de beide polen toe, komt dan de derde „region" van de nevelvlekken. Het volgende beeld ontleend aan de geschri.'ten van den heer Wallace en Newcomb-Engelmann moge dienst doen om dit duidelijk te maken.
Terwijl een dwarsdoorsnede dit beeld zou geven:
Gelijk vanzelf spreekt, heeft men in beide figuren niet te doen met nauwkeurige afbeeldingen, maar slechts met een zwakke poging om een voorstelling te geven van den vorm, dien men vermoedt, dat het heelal heeft.
Nog twee opmerkingen moeten hieraan toegevoegd worden, voordat v/ij de vraag kunnen beantwoorden, of er waarschijnlijkheid bestaat dat onder deze sterren er gevonden worden, die evenals onze aarde bewoonbaar zijn.
De eerste geldt de beweging der sterren. Langen tijd meende men, dat alleen de planeten een vaste loopbaan beschreven en dat de andere sterren buiten ons zonnestelsel onbewegelijk waren. Men noemde ze daarom ook vaste sterren, in tegenstelling met de planeten of bewegelijke sterren. Intusschen is dit onjuist gebleken, en bij zeer vele sterren is het reeds gelukt vast te stellen, dat ook zij in het heelal zich verplaatsen. Ook onze zon is geen vaste of stilstaande ster, maar beweegt zich in een bepaalde richting. Vraagt men nu, door welke wetten deze beweging beheerscht wordt, welke loopbaan deze vaste sterren beschrijven, welke orde hier heerscht, dan vermag de wetenschap hierop nog geen antwoord te geven. In ons zonnestelsel wordt de loop der planeten bepaald door de wet der zwaartekracht; ze wentelen zich in vaste banen om de zon als middelpunt. Maar of de vaste sterren zich zoo ook wentelen om het middelpunt van het heelal, weet men niet. Schijnbaar is de loop dezer vaste sterren zeer grillig, bewegen zij zich in tal van elkaar afwijkende banen en is elke poging om hier een vaste orde te vinden, onmogelijk. De oorzaak hiervan schuilt waarschijnlijk in het feit, dat men nog elk middel mist om den werkelijken afstand van de sterren tot de aarde te bepalen en daarom wel de schijnbare beweging dier vaste sterren kan nagaan, maar niet hoe deze beweging werkelijk plaats vindt. We staan hier voor een probleem, waarvan eerst de toekomst een oplossing brengen kan. Alleen dit schijnt voorloopig te mogen worden aangenomen, dat bepaalde groepen I a van sterren, — men noemt ze in het i Engel-sch stardrifts — zich in dezelfde rich g ting voortbewegen en dan ongeveer met nnt dezelfde snelheid. De onderzoekingen van Proctor e. a. hebben dit aangetoond. Deze sterren vormen dus een soort eenheid, een i sterren-systeem in het heelal. Met name geldt dit van verschillende sterren in de sterrenbeel i den van den Grooten Beer en de Pleiaden. d Daaruit blijkt, dat de-e vaste sterren dus niet elk op zic'a; eif staan, geheel onaf d hankelijk van elkander, maar dat er een zekere orde is, dat er groepeeringen voorkomen, dat er een verband is tusschen ster en ster. In hoeverre dit verschijnsel zich bij voortgezet onderzoek ook bij de overige sterren zal voordoen, moet de toekomst leeren. Maar het feit zelf is van belang, omdat het de voorstelling loochenstraft, alsof de vaste sterren een ongeordende hoop zijn, waarin alle regelmaat ontbreekt en waarvan elk haar eigen weg gaat.
En hieraan knoopt zich vanzelf onze tweede opmerking vast, dat ook ons zonnestelsel tot zulk een groep van sterren schijnt te behooren. Reeds Herschel sprak dit vermoeden uit. Prof. Kaptein uit Groningen heeft aan dit onderwerp bijzondere aandacht geschonken, en zijn onderzoekingen zijn nog aangevuld door Newcomb e. a. Ofschoon Prof. Kaptein later op zijn conclusie is teruggekomen, meent de heer Wallace, dat de autoriteit van Newcorab e.a. toch groot genoeg is om aan het resultaat dezer onderzoekingen geloof te mogen hechten. Die onderzoekingen zelf hier in den breede meê te deelen, zou te veel vergen van het geduld onzer lezers; alleen de conclusie is hier van belang. En deze is, dat om het middelpunt van het heelal een groep sterren zich beweegt, waartoe ook ons zonnestelsel behoort; dat deze groep min of meer den vorm van een ring of bol zou hebben en op eenigen atstand omgeven zou zijn door een nog breeder ring van sterren, die evenzeer een bolvormige gedaante zou vertoonen.
Onze afbeelding van het heelal geeft een grafische voorstelling, hoe men zich deze beide groepen of ringen om het middelpunt van het heelal voorstelt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 27 november 1904
De Heraut | 4 Pagina's