„Die het eerste Huis gezien hadden.”
Maar vele van de priesteren, en de Levieten, en hoofden der vaderen, die oud waren, die het eerste Huis gezien hadden, dit Huis in zijne grondlegging voor hunne oogen zijnde, weenden met luider stemme ; maar velen verhieven de stem met gejuich en met vreugde. Ezra 3 : 12.
De tempel van Zerubbabel was niet te vergelijken bij „het eerste Huis."
De schatten die David voor den tempelbouw had bijeenvergaderd, met wat Salomo zelf er aan toevoegde, had den bouw van een pracht tempel toegelaten, die eenig in heel het Oosten was. Wij, aan zoo uiterst soberen vorm van eeredienst gewoon, kunnen ons van een weelde als op Sion schitterde, dan ook geen denkbeeld vormen. Er was alle kunst op aangewend, er was niets aan gespaard, en de vrede die in Salomo's eerste bewindsjaren heerschte, sloot alle overhaasting uit. Het was een bouw die rustig voortschreed, en die ten slotte een tempel schiep van ongeëvenaarden glans.
Die tempel is beroofd, toen verbrand en verwoest, en op Cores' aansporing ondernamen Zerubbabel uit Davids geslacht, en Jozua de hcogepriester ruim zeventig jaar later zijn wederopbouw. En er is op het oude fundament toen weer een tempel op Sion gekomen, maar, helaas, een tempel, zooveel minder van aanzien, dat enkele ouden van dagen, die Salomo's tempel nog gekend hadden, hun tranen niet bedwingen konden, zooals dit nieuwe gebouw, bij het eerste Huis vergeleken, afstak.
De groote massa juichte en jubelde, omdat ze weer een tempel kregen; maar deze ouden van dagen, die nog de grootschheid van Jeruzalem en Sion onder de Koningen van Juda hadden gekend, ze weenden met luider stem.
Dat nieuwe tempelgebouw stond daar voor hen als o, zoo droef teeken van geduchten achteruitgang.
Voor Jehovah, voor Israels God, moest de rijkste, de schitterendste tempel zijn transen omhoog heffen. Zoo was het onder Salomo geweest. En nu dat zooveel mindere Huis! o, Het griefde hen om Gods wil. Het was alsof de eere van Israels God ging tanen.
En toch vergisten deze ouden van dagen zich. Uitwendig bezien, ja, was bij dit eerste Huis vergeleken, in dezen zoo veel nietiger tempel de eere Gods verdonkerd en de glans zijner majesteit verbleekt.
Maar ook inwendig ? Ook in geestelijkeh, ook in reëelen zin?
Maar lees en herlees dan de boeken der Koningen en der Kronieken, en erger er u aan, hoe die prachttempel voor Juda een vrij brief scheen, om met de eere van den alleen waarachtigen God te spotten.
In Abraham en door Mozes had het volk de hooge roeping ontvangen, om tegenover de afgoderij die onder alle andere natiën heerschte, den dienst op aarde te vestigen van den Onzienlijken (ïod, van wien geen afbeeldsel noch zinverbeeldsel zich ook maar denken laat.
En hoe had het volk aan die hooge roeping beantwoord ?
Het heeft eeuw na eeuw, om het met een Schrifiuurlijk woord uit te drukken, „afgehoereerd". Het heeft geofferd op de hoogten. Het heeft eerediensten aangericht in de bosschen. Het heeft afgoden-kapellen en afgodstempels opgericht voor Bail, voor Astaróth, voor Moloch en voor het heir des hemels. Het heeft pries ters geëerd tegenover Aarons priesters. Het heeft keer op keer God en zijn tempel verlaten, zoodat er in Jesaja's dagen slechts een handvol getrouwen overbleef. En eindelijk heeft het geduld, dat in het eerste Huis, in Salomo's tempel zelf, de afgod insloop en werd aangebeden. Het deed zooals zijn Koningen deden. Was er een godzalig Koning, dan bonden ze in, en deden weer op Sion meê. Maar kwam er een Manasse, dan viel al hun vroomheid weg, en huppelden ze achter afgoden. Er was wel altoos een „overblijfsel", er bleef wel altoos bij heel het volk een bezinksel der traditie, maar in zijn groole massa was het afgodisch van hart.
Een prachtige tempel, maar in het hart van het volk geen tempel voor den Onzienlijke
Zóó was het onder het eerste Huis. Heel Sion in 't goud gezet, maar de hooge roepins van 't volk verzaakt.
En nu onder het tweede Huis.
Toen is geen afgoderij meer voorgekomen.
Toen hield het afhoereeren op. Toen stierven de martelaren en helden voor de eere van Jehovah. Toen niet de afgodspriesters, maar de Maccabeën groot in Israël.
En daarom, dat weenen der ouden, toen ze dachten aan het eerste Huis, hoe begrijpelijk ook, was misplaatst.
Wat onder Salomo's tempel niet was bereikt: breuke met het Heidendom, het is verkregen onder Zerubbabel's tempel.
Niet in het eerste, maar in het tweede Huis is de eere van Jehovah gered.
Ook onder ons leeft de heugenis voort van een eerste Huis, de kerk onzer vaderen. Sinds ging een vloedgolf van ongeloof en afval over der vaderen erve heen. En wat we nu aanschouwen, het is niet meer de Kerk van toen.
Toen die Kerk heel het land door machtig. Hoog in aanzien. Rijk in middelen. Heel het volk beheerschend. En tot ver over onze grenzen invloed oefenend op het lot der volkeren.
Thans een geheel andere toestand.
De hooge toon aan wie afweken en afweekten en afvielen. Een klein deel in grootere eu in kleinere kerken nog getrouw. De uiterste be perktheid van middelen. Wat goud was, ko per geworden. En van een invloed naar buiten op 's werelds lot geen sprake meer.
Vanzelf brengt dit tot vergelijken, en bij die vergelijking dringt er ook nu zoo licht een traan van weemoed naar het oog. Meer nog, het doet bij zoo menigeen nog zoo telkens heimwee opkomen naar wat onderging, de bede slaken of het weer worden mocht als in de dagen vanouds. Het eerste Huis v/ordt dan vurig terugbegeerd.
En toch, ook dat is zelfmisleiding.
Wat toen ook ten onzent schitterde, was goeddeels vrucht en product van de toen be staande omstandigheden en van de gebeurte nissen die toen plaatsgrepen, en volstrekt niet louter schepping van het geloof.
Zie maar, hoe spoedig half-geloof en ongeloof weer insloop. Onderscheid met juistheid, wat toen schijn en wat wezen was. Ga na, hoe de groote massa, en vooral de meergegoede en meer ontwikkelde klasse, zich meer geveinsdelijk onderwierp, dan van harte meedeed. En ge staat niet langer voor een raadsel, als ge in den loop van twee ecuwen dat eerste Huis onzer vaderen zoo pijnlijk ziet instorten.
De kern die geestelijk was, bleef, maar wat aan die kern gekleefd meer dan organisch gehecht was, weekte even spoedig los. In den heldentijd van den Zwijger stond éen tiende der bevolking — niet meer — trouw aan zijn zijde. Het groote machtsvertoon dat daarna kwam, miste soliditeit en solidariteit des geestes. Het moest toen zoo zijn, om Gods raad voor dat oogenblik, op dat tijdstip, in ons land en in heel Europa te voleinden. Maar toen het dien raad had uitgediend, viel het weg.
Gods werk is volstrekt niet in alle eeuwen hetzelfde werk. Er is in het werk Gods gestadig wisseling, verwording, ontplooiing. En tel kens komt een ander sterrenbeeld aan den nachtelijken hemel voor ons staan.
Daarom is het een fout, zoo men thans, onder zoo geheel andere omstandigheden, terugwenscht wat onherroepelijk onderging, en zoo men het profetisch oog mist, om te zien, hoe diezelfde God van toen nu op heel andere wijs en door heel andere middel en werkt.
Daardoor is ook de roeping, is de positie, is de macht der Keik een geheel andere geworden. Het eerste Huis zou thans onbewoonbaar zijn; wat wij behoeven is een Huis, voegende bij de worsteling der geesten in onze dagen.
Die positie is thans zuiverder, omdat ze nu los is van de macht. Omdat ze nu enkel gees telijk kan zijn. Omdat ze nu den schijn kan terugdringen, om het wezen te openbaren.
En verstaat men thans zijn roeping, niet met hein? .we.e naar wat onderging, maar met krachtig ingrijpen in de actie van het heden, dan zal ons bespaard worden die afval en dat ongeloof, dat toen verwoestend intrad.
Alleen maar, dit vraagt van de knechten en dienstmaagden des Heeren geen mindere, veeleer veel ernstiger inspanning
De Kerk vindt thans haar uitdrukking veel minder in machtsvormen, maar veel meer in de personen. In hun persoonlijk geloof. In hun persoonlijke trouw. In hun persoonlijke toewijding. In hun persoonlijk geestelijk krachts betoon.
Geen stut die nu den jongen stam meer steunt, gelijk eertijds. De stut viel weg, en de stam moet thans zelf omhoog gaan, op niets dan op zijn wortel steunend.
Dien nieuwen toestand moet ge aandurven en aanwillen. Niet uit gebreke van beter moet ge hem aanvaarden, maar omdat God ons in onze tijden zóó dien toestand schiep. En wie dit niet doet, maar aldoor treurend terug blijtt hunkeren naar een voorbijgeganen toestand die toch nooit terugkeert, plaatst zich buiten zijn tijd, trekt zichzelf de slagpen uit den vleugel, en sterft eens weg, zonder dat er ooit wezenlijke kracht van hem is uitgegaan.
Verstaat ge daarentegen het teeken onzes tijds, en doorziet ge wat nu uw roeping is en wat in deze bedeeling Gods oogmerk met zijn Kerk en met u in die Kerk is, dan zal uw voorbeeld anderen trekken, en zal aan het gekibbel, getwist en geharrewar een einde komen; en al v/at God in waarheid vreest, zal innig verbonden als een kracht in het land staan, om straks geen minderen, maar een sterkeren in vloed ook op het lot van land en volk uit te oefenen.
De nieuwe kracht, die thans wonderen werkt op stoffelijk gebied, is de electriciteit.
Welnu, evenzoo kan men zeggen, dat op het erf der onzienlijke dingen de oude vormen en gesteldheden veelszins doelloos zijn geworden, en dat wat nu die wonderen doen moet, is die electriciteit der geesten, die van den één op den ander overvonkt, en ongezien een macht vormt, een macht des geloofs, om bergen te verzetten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 27 november 1904
De Heraut | 4 Pagina's