Uit de Pers.
Onze zendingskroniekschrijver Ds. Dijkstra heeft in het Zendingsblad een woord van warme waardeering gewijd aan de nagedachtenis van Mevrouw Pos:
Gel! Onder treurigen indruk zetle ik me ditmaal om u te schrijven. Het is wegens het tragisch lot van Mevrouw Pos, of neen, niet van haar, maar van haren man. Want ik vertrouw dat zij nu is ingegaan in de ruste die er overblijft voor het volk van God, waar neen niet meer klaagt over ziekte of gebrek. O, hoe hebben wij die ferme vrouw bewonderd tijdens de vacantia in het vaderland. Wat een flinke, beschaafde wijze van optreden! Wat een offer had zij gebracht, door haar leven te wijden aan dat afgelegen eenzaam dorpje, daar op Soeraba's woeste kust, om daar aan de zijde van haren man enkele zielen voor Jezus te belpen winnen en den Heere een tente te stichten op het ruwe strand! Met hoeveel bewondering zagen wij de vruchten van haar geduld, in de fijne handwerkjes, die de Savoeneesche meisjes onder hare leiding hadden vervaardigd! Met ingehouden adem luisterden wij, als zij verhaalde van hetgeen ze daar had beleefd. Bewonderd werd zij, en op de handen gedragen, omdat wij wisten dat zij, meer dan iemand onzer, voor het Koninkrijk Gods ten oiïer had gebracht.
Ook diegenen, die meer in het bijzonder in haar intieme leven en in het bestuur van hare huishouding waren ingeleefd, bewonderden hare gaven om met weinig toch zooveel te doen, en bij gelegenheid zelfs voorname heeren als den resident van Timor, aan hare tafel te ontvangen en te zorgen dat onze zending daarmee eere inlegde. Haar tocht door het land, in gezelschap van haren man, maar zij vaak de meerdere, leek wel een triumftocht. Ach! hoe treurig is dat afgeloopen. Zij heeft zich op Soemba nooit meer tehuis gevoeld! Zij vond stof tot klagen... En zij stierf. Haar graf, werd gedolven naast dat van mevrouw Van Alphen. Die graven daar op Soemba's rotsige kust, prediken onze roeping.
Hare laatste jaren waren jaren van moeite. Ds. Pos keerde op Soemba terug zóó verzwakt in zijne beenen, dat hij bij het loopen gesteund moest worden. Vele levensmiddelen waren op Soemba, ten gevolge van den oorlog, die er geweest was, duurder geworden. Het werk, vroeger met zooveel toe wijding verricht, werd, ten gevolge van die ziekte, die duurte en een daardoor veroorzaakte gedrukte en ontevredene stemming, die meer tot klagen dan tot gelooven gericht was, niet weer met de oude energie aangevat. Ook haar gestel schijnt onder dat • alles geleden te hebben, en ten slotte kwam die verschrikkelijke malaria, de kwaal van Indië, en sleepte haar in weinige weken ten grave. Wel werd haar vertrek geraden; het mochte zijn dat veran derirg van woonplaats genezing brachte, maar, alsof nog weer de oude energie ontwaakte, zij beiden, hoe krank oük, wilden dat Ds. Wielenga hen op hun post zou vinden. En hij heeft ze er gevonden! Invaliden, bouwvallen; maar trouw op hun post. Onze hulde aan de^e dappere daad! Wie eerst aan eigen leven denkt en dan aan zijn werk, is den naam van krijgsknecht des Heeren niet vi'aard. Zij ruste in vrede! Hout, hooi en stoppelen zullen verbranden, maar goud en zilver en edelgesteente zullen van haar werk overblijven. Al helderder rijst haar beeld op voor onzen geest in oorspronkelijke grootheid en heldenmoed. De Heere zal gedenken hetgeen zij voor Soemba is geweest en voor haren echtgenoot. Brenge de Heere hem tot ons, opdat wij zijne dagen van donkerheid en droefenis verlichten met onze liefde. Broeder Pos! Wie heeft hem niet lief! Met wat eenvoud en trouwe deed hij zijn werk! Gode de eere voor hetgeen hij op Soemba mocht doen.
Voorts woidt ook door hem weer gewezen op de noodzakelijkheid om christelijke Indische ambtenaren te krijgen:
Het onderwerp Indische Ambtenaren is onder het motto: «verkeerd gezien" ook door Be Statidaard eens weer ter sprake gebracht. De schrijver betoogt, dat het zeer loflijk is dat de Christenheid zooveel tonnen gouds ten offer brengt voor de Zending, maar dat het verkeerd is om uitsluitend voor de Zending oog en hart te hebben. De Javaan ziet het Christendom, zooals het zich in zijne slechtste en onverschilligste vertegenwoordigers openbaart. Want ambtenaren, die waarlijk ernst maken met den Christelijken godsdienst, kan men op zijn tien vingers gemakkelijk tellen. De Christelijke kringen hebben één pijl op den boog gezet: de pijl der Zending. Uitnemend.
«Maar hoe heel anders zou dit niet geweest zijn, indien men in onee Christelijke kringen twee pijlen op de pees had genomen en niet alleen Zending had gedreven, maar zich ook in massa op den ndischen dienst had geworpen; indien van meet f het Christelijk element in de ambtenaarswereld n 'grooten getale ware opgetreden; en, mede als evolg hiervan, allengs ook m de hoogere ambreaarsposten en zelfs in den R^ad van Indië, manen van positief Christelijke belijdenis waren opgereden."
«Hierdoor is een invloed te loor gegaan, die, al s hij niet onder cijfers te brengen, toch zoo verrassend hoog had kunnen stijgen. Had de Javaan n alle rangen van de ambtenaarswereld vroombelijdende en vroom-levende Christenen zien optre en, zoo zou de Christelijke religie hem veel hooger eerbied hebben afgedwongen en het werk der Zening zou op ongelooflijke wijze zijn verlicht."
Iemand, die een Christelijk gymnasium heeft afgeloopen, kan voor den Indischen dienst evengoed worden aangewezen als iemand die een Staatsgymnasium bezoekz. Hoe komt toch, dat bij de laatste oproeping slechts één sollicitant van positief Chris telijke kleur kwam opdagen, v/aar de weg nu toch voor ieder open staat?
Het is metterdaad «verkeerd gezien" als ons Christenvolk den Indischen dienst blijft overlaten aan het ongeloof!
Terwijl in verband daarmede besproken wordt de noodzakelijkheid van Christelijke scholen voor opleiding van hoogergeplaatste Javanen:
Op nog een anderen tak van arbeid is in den laatsten tijd de aandacht gevestigd. Het is op de noodzakelijkheid van Christelijke opleiding voor de zonen van Javaansche hoofden en rijke Chineezen. De overheid zal meer en meer, zoo betoogt kapitein Colijn, hare officieren, ingenieurs, ambtenaren enz. zoeken uit de kringen van voorname Javanen, en goede opleiding in deze richting zal dus zeer gewaardeerd worden en ongetwijfeld ^^gesubsidieerd". (hoofdzaak tegenwoordig \)
Ik vind dit een zeer goede zaak. Men weet, dat de school van Horstman reeds in die richting werkzaam is, maar als daar wat van komen zal, moet die n"g heel anders worden. Het schrijven van onzen broeder mededeputaat Ds J. D. v. d. Munnik, waarbij hij die school met haar leerdarzooeenigszins aanbiedt aan «Zuidelijke" Kerken, heeft gelukkig nog al eenigszins de aandacht getrokken. De school van Horstman ligt bijna op ons terrein, zooals ons kaartje wel aanduidt, en hoewel er m. i. groot bezwaar is tegen uitbreiding van het terrein, zou er misschien toch iets op gevonden kunnen worden om op die plaats de grens enkele uren te verschuiven. De afdeeling Temangoeng is slechts 16 o mijlen groot, d. i. gelijk aan % deel van de Provincie Utrecht. Als er eert kerk opstaat die zegt: «Geef ons Horstman en zijn school!" dan zou ik zeggen: Generale Synode, stap nu die kleinigheid maar over.
Maar hoe moet het dan? Horstman moet dan door die kerk beroepen worden als Dienaar des Woords. Hij moetdan te Temangoeng blijven wonen en het toezicht over de school moet vooreerst aan hem toevertrouwd blijven. Aan het hoofd der school moet echter komen als directeur een hoofdonderwijzer met verschillende acten, en aan zijn zijde een onderwijzer en een onderwijzeres (de laatste is er reeds). Vermoedelijk zal de Regeering wel genegen zijn, om zooveel subsidie te geven (al weer die subsidie!) dat die school weinig kos*. De kerk zou dus het traktement van haar Dienaar moeten betalen. En nu ben ik toch aan het plannen maken. Als gij eens in het Zuiden komt, bepleit dan eens de samenwerking van de Classes van Zeeland, van Noord-Brabant en van de Zuid-Hollandsche eilanden (Dordrecht en Brielle). Met elkander zou de last hun niet te zwaar zijn.
Maar, vraagt gij, zou de Generale Kas de hulp van die Provincies en Classes kunnen missen? Ja, mijn waarde, dat is een lastige vraag. De Generale Kas zou door deze overname ook weer een weinig ontlast worden. Maar wij moeten niet te veel over de bezwaren rekenen. Een goed werk moet worden aangevat.
Er zijn nog menschen genoeg in Nederland, die met hun geld geen raad weten. Misschien beweegt God hunne harten. En anders met elkaar elk wat, dan hebben wij, eer wij bet weten, een heel kapitaal. Laten de Zuidelijke Kerken maar eens in actie komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 27 november 1904
De Heraut | 4 Pagina's