Buitenland.
Noörd-Amerika, Critiek over een sy nodaal besluit.
Onze broeders der Christelijke Gereformeerde kerk zijn, blijkens stukken in De Wachter, bezig met elkander te bestrijden over het supra en infralapsarisme. Van harte hopen wij, dat zij daarmede zullen ophouden. Het komt ons voor dat het op dit oogenblik raadzamer is, datgene te handhaven en te propageeren, wat voor alle Gereformeerden als een paal boven water staat, dan datgene waaromtrent nog geen overeenstemming onder de broederen verkregen is. Datgene wat alle Gereformeerden, die dien naam kunnen dragen, voorstaan, wordt in de nieuwe wereld lang niet door allen begrepen, ja, bij veleneen voorwerp van bestrijding. Men zou er veel beter bij varen, als men de beginselen der Gereformeerde leer, de beginselen der kerkregeering tot een onderwerp van bespreking maakte.
Wij zeggen dit met het oog op hetgeen wij in No. 1569 van De Wachter lazen, in een stuk van Ds. F. Fortuin.
Daarin komt deze, ook in Nederland bekende broeder op tegen het besluit der jongste Synode der Christelijk Gereformejrde kerk, om den doop van Ds. J. Van den Broek niet te erkennen. Genoemde Ds. Van den Broek is helaas ook in Nederland bekend; hij heeft in Noord-Amerika aanhangers weten te verwerven; hij heeft in door hem gestichte kerken den heiligen doop bediend. Nu kwam op genoemde Synode de vraag aan de orde, of de doop, door Ds. Van den Broek toegediend, als geldig moest beschouwd worden. De Synode antwoordde hierop ontkennend, oordeelend dat Ds. Van den Broek, zich van wege „zijn levenswandel, het ambt onwaardig heeft gemaakt."
Ds. Fortuin critiseert dit oordeel, op grond dat het aan de Synode niet vrij stond, een kerkelijk oordeel over Ds. Van den Broek's levenswandel uit te spreken. Maar, al ware deze kerkelijke vergadering daartoe bevoegd geweest, toch had zij niet het oordeel mogen uitspreken, dat door ieder Gereformeerde moet gewraakt worden.
Wanneer er quaestie ontstaat over het al of niet geldig zijn van een doop, moet er volgens de practijk der Christelijke kerk, van meer dan 16 eeuwen, slechts gevraagd worden:
1. Is de doop geschied met water in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes?
2 Is de doop bediend door den persoon, kerk of in den kring, waarin vindt, als daartoe bevoegd veris de die in de hij plaats klaard is?
3. Is de doop als wezenlijke, welgemeende doop door de kerk of secte, waarin hij toegediend werd, erkend ?
Had men den doop, door Ds. Van den Broek bediend, aan deze objectieve regels getoetst, men zou tot een tegenovergesteld besluit gekomen zijn. Ds. Fortuin wijst hierop terecht en dringt er dan ook op aan, dat eene volgende Synode op het genomen besluit zal terug komen.
Volkomen juist, zegt Ds. Fortuin in zijn stuk in De Wachter:
„Als de kerken bij het beoordeelen van elkanders doop in den loop der eeuwen zoo te werk waren gegaan, als onze Synode in het onderhavig geval deed, dan zou er van het erkennen van elkanders doop wel nooit, of althans bijna nooit sprake kunnen geweest zijn. Hoe b.v. zouden onze vaderen dan den doop van „mispapen, " van wederdoopers, en zelfs van afgezette Remonstrantsche predikanten als geldig hebben kunnen erkennen ? De Synode van Dordt oordeelde juist omgekeerd, dat het bij vagabondeerende priesters niet de vraag was, of zij naar der Gereformeerde kerkrechtelijke beschouwing nog een roeping hadden, maar of de Roomsche kerk hun nog een roeping toekende. En wat zelfs den geëxcommuniceerden predikanten betrof, werd de zaak beslist door de vraag, of zij daarna weer „enighe ordinaire beroepinghe van enighe vergadering" hadden ontvangen.
Uit vrees voor den monsterachtigen gruwel der „wederdooperije" waren onze vaderen dan ook eer te mild en te ruim in het erkennen, dan te streng en te enghartig in het verwerpen van een toegedienden doop. Wij voor ons zijn dan ook op grond van de aangevoerde argumenten stellig overtuigd, dat onze kerken bij uitvoering van het Synodaal besluit zich tegen de katholiciteit van het genadeverbond bezondigen en zich door herdoop aan de zonde van het anabaptisme (wederdooperij) schuldig maken zouden".
Wij meenen dat onze broeders aan de overzijde van den Oceaan beter zouden doen deze en dergelijke quaestiën die beslist zijn, met elkander te bespreken en te behandelden, dan die over welke de kerken geen oordeel hebben uitgesproken en in de naaste toekomst ook geen oordeel zullen uitspreken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 27 november 1904
De Heraut | 4 Pagina's