Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Prof. Diepenhorst.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Prof. Diepenhorst.

11 minuten leestijd

Amsterdam, 25 Nov. 1904.

Vrijdag 18 November hield de senaat der Vrije Universiteit opnieuw een openbare zitting in het Gebouw van den Werkenden Stand, om aan den jongste der benoemde hoogleeraren, Mr Diepenhorst, gelegenheid te schenken, zijn ambt te aanvaarden als hoogleeraar in de rechtsgeleerde faculteit.

Het persverslag geeft van deze rede het volgende resumé:

In het eerste deel zijner rede over De Klassieke school in de economie bestreed de spreker de zoozeer verbreide opvatting, alsof de oude economie bijna geen aanhangers meer telt en steeds beslister levenskracht verliest. Met een beroep op de belangrijkste Europeesche landen werd aangetoond dat zij nog op een eerbied waardige schaar van volgelingen kan bogen, ja, dat in de laatste jaren weer een belangrijke reactie ten gunste van de oude school zichtbaar is. In Nederland bleef èn in de economische litteratuur èn bij het onderwijs aan de Rijksuniversiteiten de oude richting overheerschend; een wetenschappelijk leerboek bezit de nieuwe school hier niet. Ook in Engeland werd men i< iet ontrouw aan de traditiën, door Smith en Ricardo gevestigd; naast de sporadisch voorkomende aanhangers der historische school werd gewezen op de breede rij van klassieke economen en op het feit dat het viertal weten schappelijke werken over de economie, dat in de laatste jaren het licht zag, nl. van Marshall, Sidgwick, Keynes en Nicholson, vijandig tegen over de nieuwe school staat.

In Frankrijk verloor de orthodoxe economie in niets haar aanzien en belangrijke weerstand werd hier niet geboden. Italië scheen langen tijd voor de oude school verloren, maar toch weigerde de nestor der Italiaansche economie, Cossa, zich te scharen onder de vanen der jongeren, en niet het minst aan zijnen invloed is het te danken dat na 1890 weer door een groot aantal talentvolle schrijvers in den geest der ouden gearbeid wordt.

In Oostenrijk drongen Kaïl Menger en Sax op een terugkeer tot de oude paden aan; rijke werkzaamheid is door hen ontwikkeld en door hunne actie herleefde ook in andere landen de sympathie voor de oude school. Van Oosten rijk uit plantte de beweging zich verder voort in Zwitserland en Duitschland. Bittere teleur stelling openbaarde zich hier over de onmacht der „Historiker", die velen zoo blindelings hadden gevolgd. I3e uitingen van Julius Platter, Adolph Wagner, 't Zeitschrift für Socialwis sense haft, Richard SchüUer en vooral van Hein rich Dietzel toonen, hoe men weer tot het uit gangspunt der ouden tracht terug te keeren.

Na alduj het actueele van zijn onderwerp te hebben betoogd, beantwoordde de spreker in het tweede deel zijner oratie de vraag : Wat het uitgangspunt der klassieken is en of dit uitgangspunt kan worden aanvaard. Voor de uiteenzetting van de beginselen der oude school beroept hij zich bij voorkeur op Adam Smith, teneinde zoo protest aan te teekenen tegen de poging van onderscheidene economen om Smith van de klassieke school los te maken en om te wijzen pp het gevaarlijke der door velen aangehevene leuze: „Achter Ricardo en de zijnen terug tot Smith". Het uitgangspunt dan der Klassieke school vindt hij aangegeven in eene passage van de Wealth of nations, die doet zien hoe Smith de economie wilde baseeren op het egoïsme van den menseh. Bij het uistpreken dezer bewering is de spreker zich volkomen bewust dat men op het voetspoor van Buckle ter beoordeeling van Smith's levensbeschousviug ook rekening dient te houden met zijn vroeger verschenen werk The theory of moral sentiment: vooral sinds het Edwin Cannon gelukte een dictaat van Smith's colleges uit het jaar 1763 uit te geven, staat vast dat van eene veranderuig van denkwijze in het tijdsverloop tusschen het verschijnen van beide werken geen sprake is Maar dit doet niets af aan hrt feit dat Smith, en met hem de geheele klassieke school, m-eende gerechtigd te zijn in de economie uit te gaan van een homo economicus.

Dit baseeren nu van de economie op de drift van het eigenbelang alleen, en de wij üe waarop dit wordt verdedigd en nader uitgewerkt, acht de spreker de groote dwaling der oude school Hij meent toch dat het onmogelijk is om van het eigenbelang te spreken als een constante, zich immer gelijk blijvende, kwantitatief en kwalitatief bepaalde kracht, daar zich allerlei variaties in de richting en werking van eigen belang laten denken. Met name wordt het ge laakt, dat wanneer de mannen der oude school gewagen van het eigen belang als een zeker psychologisch uitgangspunt, zij hierbij het oog hebben op een individu, los van eiken band, dat zij geheel verwaarloozen, wat Tarde noemt de „inter-psychologie".

Nog scherper wordt bestreden de beteekenis, aan dit uitgangspunt gehecht. Cairnes zegt uit drukkelijk, dat aan het eigenbelang eene kracht als van eene natuurwet moet worden toegekend, wier werking even nauwkeurig is te bepalen als die van de wet der zwaartekracht. Menger en Dietzel hebben in den jongsten tijd het isoleeren van het eigenbelang van alle andere motieven verdedigd op eene wijze, die doet zien hoe zij meenen dat de economie als de gelijke der natuurwetenschappen moet worden voorgesteld. Zij meenen dat men ook hier naar hartelust kan isoleeren. Daartegenover wordt door den spreker opgemerkt, dat tegen dit abstraheeren van het eigenbelang op zxhzelf geen bezwaar is in te brengen, maar dat dit anders worde zoo men aan deze analyse wetten ontleent, die op < len vollen menseh van toepassing worden verklaard.

Ook dient wel bedacht te worden, dat een voornaam onderscheid tusschen het abstraheeren in de natuurwetenschappen en in de economie daarin bestaat, dat bij de laatste wetenschap de beteekenis van de geïsoleerde factoren wordt bepaald door het waardeeringsoordeel van den menseh. Bij de natuurwetenschappen is Iiiervan geen sprake, en mitsdien behoeft niet te worden gewaarschuwd tegen vervalsching van het object der abstractie. Maar in de economie dient met kracht te worden herinnerd aan het leit dat abstractie niet mag worden verward met eigen fictie. En aan die fictie maken de mannen der oude school zich in hooge mate schuldig. Zij fingeeren eenen menseh, die alleen beheerscht wordt door de zucht om zijn eigenbelang te bevorderen, en aan de werking hiervan geven zij eene natuur wettelijke kracht.

Alle den het eigenbelang tegenwerkenden fac toren kennen zij de rol van causae turbantes toe. Dit nu kan niet worden aanvaard. Men kan niet de werkingen der andere motieven als storende invloeden beschouwen, en bovenal dient te worden bedacht dat de menseh een verantwoordelijk wezen is, bij wien allerlei geestelijke grootheden werken. Dit heeft de oude economie uit het oog verloren, daar zij optreedt met de preteniie voor het economisch leven een wetenschap te scheppen, op dezelfde leest geschoeid als de physica en de chemie, een mechanische verkeerstheorie, wier stellingen uit de drift van het eigenbelang zijn af te leiden. Het formuleeren van wetten werd de leuze der economen en de breede litteratuuropgave bij Maurice Block toont hoe men in de oude school dit nog als het pri mum verum van de wetenschap der economie beschouwt. Dit principe nu dient met wortel en tak te worden uitgeroeid, niet omdat ontkend moet worden dat er regelmaat en oriie in den Kosmos, ook in het economisch leven, heerscht, maar omdat het niet aangaat in de economie van wetten te spreken en daaraan de gedachte vast te knoopen, dat dezelfde samenloop van oorzaken steeds dezelfde economische gevolgen zal te weeg brengen.

De fatale gedachte alsof men in de economie het bestaan van den menseh als geestelijk wezen mag wegcijferen, dient te worden verworpen en daarmede ook de gevolgtrekkingen, hieruit afgeleid. De spreker toont vervolgens aan hoe het principe dat de economie op ééne lijn met de natuurwetenschappen mag worden gesteld, op den gehcelen bouw der economie zijnen stem pel gezet heeft. n C t

Op methodologisch gebied werd de deduc tieve methode als de eenige ware gehuldigd en in de mathematische school de hypothese tot het uiterste gevoerd. Op practisch terrein weigerde men mede te Jwerken tot leniging der maatschappelijke nooden; de mannen der Man chesterschool putten hun geestelijke fonds uit de werken van Smith. Bastiat en Marx, hoe verschillend de toepassing ook moge wezen, staan onder den invloed van éénzelfde stelsel, dat met het eigenbelang als uitgangspunt, het leven in vaste onverbreekbare wetten wringt. Quetelet zocht de economie in de berekening van den natuurlijken loop der dingen te gemoet te komen. Adolf Held beweert terecht dat wie in de economie aanhanger ij van Smith, in de statistiek bij Quetelet moet belanden. Dat bij eene dergelijke opvatting der economie, deze een hoogst abstract en materialistisch karakter moest ontvangen, werd uitvoerig met een be roep op onderscheidene geschriften uit den kring der klassieke school aangetoond.

Daarna wees de spreker er op hoe de economie, zooals die door Smith in systematisch verband werd gezet, strat in het teeken der deïstische levensbeschouwing, door Smith aangehangen, en met eene verwijzing naar een opstel van Yves Guyot werd duidelijk gemaakt, hoe ook hier blijkt dat het deïsme slechts een overgangsvorm tot het atheïsme is.

Tegenover de opvatting nu der oude school poneerde de spreker de stelling, dat de economie dient uit te gaan van den vollen menseh en moet breken met de opvatting van den homo economicus. Het redmiddel, door Dietzel aangeboden, om in plaats van 't „egoïsme", te .«spreken van het „economisch motief" als „ethisch neutral", moet gewezen van de hand, daar de strijd zich niet richt tegen eene verkeerde woorden keus, maar tegen een valsch principe Door op Dietzel's voorslag in te gaan, zou men be oefenen psychologie, maar geen economie. Den vollen menseh in zijne verhouding tot de stoffelijke goederen op den voorgrond stellende, worden nieuwe banen voor de economie geopend.

De richting, door de historische school aan gegeven, kan hierbij niet gevolgd worden, daar niet slechts haar evolutionistisch standpunt scheiding maakt, maar ook de strijd tegen de oude economie op geheel verkeerde wijze gevoerd wordt, aangezien zij deze aantast niet in haar fundamenteele stellingen maar in enkele onderdeelen op het terrein der practische economie. Vooral sinds Schmoller en Brentano hier den toon aangeven, wordt de theoretische opbouw der economie te veel verwaarloosd en verwacht men, alle hulp van de verzameling van feiten. Hiermede nu kan geen genoegen worden geno men daar de feiten op zichzelf voor de wetenschap niets beduiden, maar moeten gegroepeerd worden en aan een „kruisverhoor onderworpen". Steeds is de dogmatische arbeid noodig.

Door de waarde der theoretische beschouwingen te minachten staat de jongere historische school schuldig aan de vaagheid van begrippen, die op economisch terrein in zoo ruime mate heerscht. Daaraan ook is het toe te schrijven dat bij velen de neiging zichtbaar is om de grenzen der eco nomie uit te wisschen en haar te doen opgaan in de sociologie. Hiertegen nu meende de spre ker zich met ernst te moeten verzetten, daar hetgeen op het voetspoor van Comte en Spencer al.'; sociologie wordt aangediend, er geen aanspraak op kan maken het object eener zelfstan dige wetenschap te zijn. Ook achtte hij bezwa ren, door Dilthey tegen de mogelijkheid eener wetenschap der sociologie ingebracht, niet ge ring. In ieder geval dient de economie hare zelf standige plaats te bewaren en alleen zoo bij hare beoefening de lust tot dogmatischen arbeid der klassieken gepaard gaat met die liefde tot de werkelijkheid, die de jongeren kenmerkt, kunnen hier aanmerkelijke vorderingen gemaakt worden.

Hoe summier zulk een verslag ook wezen moge, het kan toch eenigermate eeifindruk geven van de degelijke en ernstige wij je, waarop deze hoogleeraar zijn taak heeft opgevat. Prof. Diepenhorst toonde hiermede, dat hij zijn stof volkomen meester was, de talrijke richtingen op dit gebied tot haar grondbeginselen wist terug te leiden en daardoor orde wist te scheppen in den chaos van denkbeelden. Zijn critiek zoowel op de dogmatische als op de historische school was, hoe welwillend ook in den vorm, daarom niet minder scherp wat het wezen aangaat. En al heeft Prof. Diepenhorst even als Mr. Anema zich wel gewacht, reeds nu een eigen stelsel te ontwikkelen, wat eerst de vrucht van langdurige studie kan zijn, de critiek van het Calvinistische beginsel uit op de bestaande scholen geoefend, geelt goede hope, dat Prof. Diepenhorst ook wanneer hij zijn eigen stelsel opbouwt, diezelfde beginselen ten grondslag zal leggen.

Dat een leerling der Vrije Universiteit, op zoo jeugdigen leeftijd tot het hoogleeraarsambt geroepen, reeds bij zijn eerste optreden met zulk eene van rijpe studie getuigende rede voor het voetlicht kwam, is een oorzaak van vreugde. Daarin ligt het beste bewijs, dat de Vrije Universiteit zich in de keuze van hare hoogleeraren niet heeft vergist.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 november 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Prof. Diepenhorst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 november 1904

De Heraut | 4 Pagina's