Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De plaats van den mensch in het heelal.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De plaats van den mensch in het heelal.

11 minuten leestijd

XI.

Voor de vraag of er behalve deze aarde nog meer bewoonbare of bewoonde werelden in het heelal zich bevinden, komt ge met een beroep op het ontzaggelijk aantal sterren rondom ons dus geen stap verder.

Het mag op den onkundige zekeren indruk maken, wanneer men met pathetische vervoering hem vraagt: meent ge dan heusch, dat alleen deze kleine en nietige aarde onder zoovele millioen sterren het voorrecht, zou hebben door menschen bewoond te zijn ? Maar de deskundige zal dit Echelklinkende argument terstond den vrager uit de hand slaan met de opmerking, dat we, dank zij de spectraalanalyse, thans zeker weten, dat deze millioenen sterren zonnesterren zijn, die zich allen in brandenden toestand bevinden; dat ze zóó gloeiend zijn, dat zelfs de hardste metalen niet alleen smelten, maar in dampvorm worden opgelost ; en dat het toch ondenkbaar is dat bij een hitte, waarvan de gloeiendste smeltoven op aarde nog maar een flauwen indruk geeft, eenig levend wezen hetzij dan plant, dier of mensch, het zou kunnen uithouden.

Hierover bestaat dan ook geen geschil. Dat deze sterren zelf onbewoond en onbewoonbaar zijn, stemt elk man van wetenschap u grif toe. Maar, zoo zal hij er op laten volgen, daarmede is het vraagstuk nog niet uitgemaakt. Evenals onze zon niet op zich zelve staat, geen eenzame ster is, maar omgeven wordt door een stoet van planeten, die als trouwe trawanten haar vergezellen, zoo moeten ook die andere zonnesterren wel het middelpunt zijn van een planetenstelsel, en al zijn deze zonnen zelf onbewoonbaar evenals onze zon, onder die planeten zullen er wel gevonden worden, die evenals onze aarde geschikt zijn voor de ontwikkeling van het leven. Stel zelfs, dat in elk dier zonnestelsels slechts één planeet dezelfde gunstige voorwaarden voor het leven aanbood als de aarde, dan zouden er toch millioenen en millioenen bewoonbare werelden behalve onze aarde-bestaan.

Dat is de laatste reddingsplank, waaraan de voorstanders van de „meerderheid der bewoonde werelden" zich vastklemmen, en ieder gevoelt wel, hoe zwak deze reddingsplank is.

Men verlaat hier toch den vasten bodem der exacte feiten en zweeft weer op het slappe koord van onbewezen hypothesen. Feit is, dat nog nooit een onderzoeker bij deze andere zonnesterren iets van een planetenstelsel bespeurd heeft. Deze sterren bevinden zich op zulk een afstand van ons, dat zelfs indien ze door planeten omringd waren, geen telescoop in staat zou zijn ze te ontdekken. Er is hier dus nooit afdoend bewijs te leveren. Men kan hier over en weer gissen, vermoeden, onderstellen, maar met de feiten elkaar overtuigen kan men nooit.

Of het in de toekomst gelukken zal, hetzij door nog meerdere volmaking onzer telescopen of door geheel andere instrumenten, deze vaste sterren zoo dicht bij ons te brengen, dat we na kunnen gaan, of ze evenals onze zon door planeten omgeven zijn, kan niemand zeggen. De schitterende ontdekkingen op zoo menig gebied in den laatsten tijd gedaan, geven hoop, dat ook hier de mensch in staat zal blijken met de hem geschonken krachten door te dringen in de verborgenste schuilhoeken van het heelal. Maar zoolang dit niet het geval is en het telescopisch onderzoek ons hier geheel in en steek laat, past het den man van etenschap ootmoedig zijn onkunde te beijden en geen theorieën te gaan verkondigen, ie geen de minste wetenschappelijke waarde ebben. Of er buiten ons zonnestelsel ook og planeten bestaan — en aan die vraag angt geheel het probleem van de meererheid der werelden — weet niemand. e zijn nooit waargenomen, en elk argument voor haar bestaan aangevoerd, is voor e vierschaar der wetenschap onhoudbaar gebleken.

Het hoofdargument, waarop men meestal ich beroept, is de wet der analogie. Onze arde heeft een nog kleinere planeet of wachter, die haar vergezelt, nl. de maan; maar dit feit staat niet op zichzelf; het bleek al spoedig dat ook andere planeten zulke manen hadden; toen dit eenmaal vastgesteld was leidde men er uit af, dat dit bij alle planeten het geval moest zijn, en metterdaad bleek dit juist. Zoo nu, redeneert men, moet de wet der analogie ook doorgaan bij de andere zonnesterren. Indien onze zon niet alleen is, maar haar licht en warmte gebruikt om een aantal planeten te verlichten en te verwarmen, dan moeten ook de andere zonnen door zulke planeten omgeven zijn. Het zou toch hoogst toevallig wezen, dat onze zon pnder al deze millioenen sterren een uitzondering vormde en een voorrecht bezat, dat bij geen andere ster zich herhaalde.

En bij dit eerste argument voegde men een tweede, dat aan de kosmogonie ontleend is. Aan de schepping gelooft men niet. Dat God de sterren uit het niet te voorschijn riep, kan de wetenschap niet aannemen. Er moest dus naar een andere verklaring voor het ontstaan der sterren gezocht worden. Kant en Laplace meenden die gevonden te hebben in de nevel-hypothese. Oorspronkelijk, zoostelden zij het zich voor, was ons zonnestelsel een groote nevel-vormige massa, die om haar middelpunt zich bewoog. Allengs begon deze nevel-vormige massa zich te verdichten, en nu scheidden zich achtereenvolgens verschillende ringen af, die tot het ontstaan van de onderscheidene planeten hebben geleid, terwijl de hoofdmassa geconsolideerd werd in de zon. Wat van onze zon gold, geldt natuurlijk ook, zoo zegt men, van de andere zonnesterren. Ook die waren uit zulke nevelachtige massa's ontstaan; ook bij dit wordingsproces moest zich dus hetzelfde feit hebben herhaald als in ons zonnestelsel, dat er bij de verdichtingzulke ringen waren ontstaan en uit die ringen planeten waren gevormd. Dezelfde oorzaken moeten tot dezelfde gevolgen hebben geleid. En indien uit hetzelfde proces van verdichting der nevel-massa alle sterren zijn ontstaan, dan moeten door dit proces, evenals bij onze zon, ook bij alle andere zonnen zulke planeten gevonden geworden.

Op deze twee argumenten steunde het betoog. Of liever, in den grond was het één argument. Want ook hier redeneerde men weer uit de analogie. Alleen met dit onderscheid, dat men nu trachtte een wetenschappelijke verklaring te geven, waarom ons zonnestelsel met zijn planeten aldus geworden was, en dezen zelfden ontwikkelingsgang voor alle sterren toepasselijk verklaarde. Waarbij men echter vergat, dat heel deze kosmogonie of voorstelling van het ontstaan van ons zonnestelsel niets dan een hypothese was en elke conclusie, hierop gebouwd, dus even wankel was als deze hypothese zelf.

Beide argumenten zijn dan ook door de nieuwere wetenschap reeds prijsgegeven, omdat ze door de feiten zelf gelogenstraft zijn.

Vooreerst is de nevel-hypothese van Kant en Laplace om daardoor de wording van ons zonnestelsel te verklaren, thans reeds ten doode opgeschreven. Er zijn zoo ernstige en zoo afdoende bezwaren tegen ingebracht, dat weinigen er meer aan gelooven. Proctor, Sir Norman Lockyer, Dr. Isaac Roberts e. a. nemen aan, dat het ontstaan van de sterren niet te danken is aan de verdichting van nevels of brandende gassen, maar aan het zoogenaamde kosmische stof. De nevel-hypothese maakte plaats voor de meteoor-hypothese. Overal in het heelal moet deze kosmische stof zich bevinden; ook op aarde komen wij er soms mee in aanraking door de zoogenaamde meteoren of luchtsteenen. Uit deze stofdeeltjes zouden ook de zoogenaamde nevelvlekken zijn saamgesteld. Ze zouden elkaar aantrekken, straks in een bepaalde beweging om een middelpunt geraken, zich allengs verdichten en alzoo tot het ontstaan van zonnen en sterren aanleiding geven.

De juistheid of onjuistheid dezer hypothese laten wij thans in het midden. Stellig spreekt ze ons meer toe, omdat wat de Schrift ons leert, veeleer aan een ontstaan der sterren uit stofdeeltjes dan uit gasvormige nevels denken dcet. In Spr. 8 : 26 zegt de Wijsheid: Ik had de aarde nog niet gemaakt, noch den aanvang van de stofjes ' der wereld." Dat God de Almachtige eerst deze „stofjes" schiep en daarna uit deze „stofjes" de verschillende sterren deed ontstaan, is de voorstelling, die ook de Schrift ons geeft. En zonder nu te veel nadruk hierop te willen leggen, omdat we in Spreuken 8 met een dichterlijke beschrijving te doen hebben en niet met een scheppingsverhaal, toch blijft het opmerkelijk, dat de nieuwere astronomie, geheel buiten de Schrift om, tot dezelfde voorstelling van het ontstaan der sterren neigt.

Doch hoe dit ook zij, de nevelhypothese van Kant en Laplace is in elk geval onjuist gebleken, en daarmede vertaalt ook de conclusie, die daarop gebouwd was, alsof de vaste sterren evenals onze zon door planeten omringd zijn.

En evenzoo is gebleken, dat de wet der analogie in het heelal niet doorgaat, omdat de Schepping de meest rijke verscheidenheid van vormen ons te aanschouwen geeft. Reeds lang was het bekend, dat onder de

sterren verschillende zich om een gemeenschappelijk middelpunt bewogen en men hier niet te doen had met een zon als middelpunt en daaromheen een stoet van planeten, maar met twee zonnen, die zich om elkaar bewogen. Vooral Herschel en Struve hebben aan deze „dubbelsterren" de aandacht geschonken, en haar aantal klom alras tot 6600. Nog veel grooter werd dit getal echter, toen door de spectraalanalyse het licht onderzocht kon worden van de zoogenaamde veranderlijke sterren. Deze sterren hebben de eigenaardigheid, dat haar licht n'et altoos constant is, maar nu eens zwakker, dan weer sterker. De spectraalanalyse toonde aan, dat dit verschijnsel te danken was aan het feit, dat ook deze sterren niet enkelvoudig zijn, maar uit twee sterren bestaan, waarvan de eene donker en de andere licht is. Daardoor klom het aantal dezer dubbelsterren reeds tot ii.coo. Nu is het onderzoek, of men met een enkele of met een dubbele ster te doen heeft, uiterst moeilijk. Alleen bij de dichterbij staande sterren kan men hier tot afdoende resultaten komen. Maar waar bij verder voortgezet onderzoek het aantal dubbelsterren steeds klom en thans reeds ongeveer Vs van de dichterbij zijnde sterren dubbelsterren zijn gebleken, daar is het geen wonder, dat astronomen als Proctor e. a. het er voor houden, dat de meeste sterren dubbelsterren zijn en de enkelvoudige sterren een uitzondering vormen.

Dit feit nu is daarom van zoo hoog belang, niet alleen omdat al wat uit de wet der analogie werd afgeleid, onjuist is gebleken, maar omdat daardoor ook vast schijnt te staan, dat bij verreweg het meerendeel dezer sterren planeten niet voorkomen. Want dat behalve zulk een nevenzon ook nog een planetenstelsel zou voorkomen, is om meer dan één reden onwaarschijnlijk. Ons zonnestelsel met zijn planeten is dus geen typisch voorbeeld, hoe de andere sterren er uitzien, maar is een exceptie. En waar alleen op de planeten het leven mogelijk is, daar blijkt, dat bij verreweg de meeste sterren, van bewoonbare werelden geen sprake kan zijn.

Dr. H. C. Vogel in zijn bewerking van Newcomb-Engelmann's Populare Astronomie geeft dit dan ook voetstoots toe. Op de vraag, of er behalve bij onze zon ook bij andere zonnesterren planeten voorkomen, geeft hij ten antwoord op pag. 621, „dat deze vraag in eens zou kunnen beantwoord worden, wanneer onze telescopen machtig genoeg waren om ons op zulk een afstand als van de vaste sterren de planeten te toonen, maar dat, waar zelfs op veel geringer afstand als van de naaste vaste ster alle planeten van ons zonnestelsel volkomen zouden verdwijnen uit het bereik van de machtigste telescopen, die wij ooit hopen te construeeren, de waarneming ons dus geen antwoord op die vraag kan geven. Wij moeten derhalve, zoo gaat hij voort, onze toevlucht nemen tot kosmologische overwegingen, en deze leiden ons tot het resultaat, dat indien het gansche heelal zich verdicht heeft en nog verdicht van nevelachtige massa's tot vaste lichamen, dezelfde oorzaak, die onze zon met planeten omgaf, ook bij andere zonnen op gelijke wijze heeft kunnen werken. Wij hebben echter vroeger gezien, dat deze symmetrie van vorm en orde, welke wij bij ons zonnestelsel bewonderen, moeilijk het gevolg kan zijn van de verdikking van zoo onregelmatige massa's als die van het meerendeel der eigenlijke nevelvlekken; veeleer schijnen de excentrische banen der dubbelsterren ons te wijzen op datgene, wat in het heelal zooal niet de regel dan toch althans een zeer vaak voorkomend geval is. Het is waarschijnlijk dat planetengroepen, die zich in kringvormige banen om een zon bewegen, eer een uitzondering vormen dan een regel zijn."

We stelden er prijs op ook dit getuigenis te doen hooren, omdat de heer Vogel niet als de heer Wallace aan de Schrift vasthoudt en zijn getuigenis voor ongeloovigen daarom wellicht meer waarde heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 december 1904

De Heraut | 4 Pagina's

De plaats van den mensch in het heelal.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 december 1904

De Heraut | 4 Pagina's