Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

8 minuten leestijd

Prol. Honig opent in de Bazuin met het nieuwe jaar een reeks artikelen over de Religie, die in populairen vorm zullen meedeelen, wat de wetenschap onzer dagen omtrent oorsprong en wezen der religie leert.

Na voorop te hebben gesteld, dat de profetie van de wegbereiders der Fransche Revolutie, dat de dagen der religie geteld waren, schitterend gelogenstraft is door het feit, dat de religie thans meer dan ooit een macht is geworden in het leven, en de diepste denkers zich bezighouden met de verschijnselen der religie te onderzoeken, toont hij in dit eerste artikel aan, hoe ook deze studie in den tooveicirkel van het evolutie-dogma is geraakt.

Het is nog niet zoo lang geleden, dat het in de kringen der zoogenaamde «Vrijdenkers" altoos zóó werd voorgesteld, alsof de godsdienst zijn ontstaan eenvoudig te danken had aan het bedrog van de priesters. Men redeneerde hierbij aldus. Evenals nu zoo kwamen ook vroeger in het rijk der natuur telkens gebeurtenissen als onweder, storm, aardbeving en wat dies meer zij, voor, die de menschen met onzetting vervulden. Zoo zijn lieden, die hunkerden naar macht over hunne medemenschen en tevens naar een gemakkelijk en goed leven, op het denkbeeld gekomen, dat zij hiervan voor zich zelven wel profijt konden trekken. Zij overlegden, wanneer het ons gelukt onze landslieden wijs te maken, dat deze natuurverschijnselen door onzichtbare wezens of »goden" worden veroorzaakt, en dat wij door deze goden als hunne tolken zijn aangesteld, dan zullen zij gaarne bereid zijn tegen eene milde stoffelijke vergoeding onze tusschenkomst tot bevrediging der goden in te roepen. Daarop voegde men de daad bij het woord. De proef werd genomen — en deze gelukte bij uitnemendheid. De lieden lieten zich bedriegen. En zoo ontstonden de godsdiensten en de priesterklassen

Allengs meer is men echter in de wetenschappelijke kringen zelfs van het moderne denken tot het inzicht gekomen, dat op zulk eene platte wijze een zóó algemeen en een zóó machtig verschijnsel als de Religie onmogelijk kan worden verklaard. En hoort men niettemin in onze dagen o. a. door woordvoerders der sociaal-democratische partij deze zienswijze nog voordragen, dan blijkt hieruit eenvoudig, dat zij, die zich zoo gaarne aandienen als de man nen van kennis en vooruitgang, niet op de hoogte zijn van hun tijd.

In onze dagen wordt dan ook eene geheel andere opvatting voorgestaan. sOnze tijd staat nu eenmaal iiï het teeken van evolutie. De mensch schijnt gebroken te hebben met de gewoonte, het wisselende en veranderende te gevoelen als moeite en dus te zoeken naar iets constants De 19de eeuw vindt het heerlijke van het leven juist in die wisseling; de waarde van het leven ligt niet meer in het oogenblik, maar in het voorbijsnellende. De mensch zocht voorheen in den godsdienst negatie van den tijd, de i9de eeuw niet meer'. (Dr. P. D. Chantepie de la Saussaye).

Nu is van algemeene bekendheid wat onder dit evolutiedogma te verstaan zij. Van eene schepping, van een roepen der dingen, die niet zijn, alsof zij waren, wil men niet meer weten. Alles wat wij in de natuur rondom ons zien, heeft zijn ontstaan te danken aan een proces van ontwikkeling, dat eeuwen duurde. Uit de lagere soort is de hoogere voortgesproten. Uit de plant is het dier, uit het dier is de mensch. Zoo is t ook op religieus terrein.

Men weigert de leer te aanvaarden, dat de menschheid oorspronkelijk geloofde, dat er slechts één God was, en dat ieder gehouden was, dien God lief te hebben boven alles en den naaste als zichzelven. Neen, zoo zegt men, deze verheven religie was niet 't aanvangspunt van den langen weg, dien de godsdienst had af te leggen, maar het eindpunt. De oudste religie was geheel anders. Zij stond nog op een zeer lagen trap, en voor hen, die in onze beschaafde landen geboren zijn, is het haast niet te gelooven, hoe plomp en ruw de oorspronkelijke, de oudste vorm der religie wel was. ]a men gaat nog verder. De bekende Duitsche wijsgeer Eduard von Hartmann betoogde, dat, wijl bij den hond reeds bespeurd woidt liefde voor zijn meester, gepaard met een gevoel van ondergeschiktheid en vrees, eigenlijk de aanleg tot religiositeit reeds bij de dieren is te vinden. En dat die aanleg niet tot ontplooiing kwam, is eenvoudig te verklaren uit het feit, dat het dier te zeer opgaat in het zoeken van spijs en drank.

Zoo eenstemmig als nu echter door het moderne denken de idee van evolutie ook op het terrein der religie is overgebracht, zoo groot is aanstonds het verschil onder de religionsphilosofen, als zij zich uitspreken over de vraag, welke heidensche religie dan wel als de oudste moet worden beschouwd. Be weert men toch, dat de oorspronkelijke vorm der religie bij geen enkel volk wordt gevonden, men meent tegelijkertijd, dat bij één van die volkeren die nog zoo goed als geen cultuur kennen, die godsdienst moet worden aangetroffen, die de meeste ge lijkenis. vertoont met den oudste. Maar welk van die cultuurlooze volkeren en welke heidensche reli gie is dit nu?

Het zou ons veel te ver voeren, als wij al de antwoorden gingen opsommen, die op deze vraag gegeven zijn.

Eene opinie, die veel ingang vond, is deze. De natuurmensch is begonnen öf met boomen, bron nen, steenen en dieren te vereeren öf met zon, maan, storm, onweder, aarde en hemel te aanbidden. Deze dingen dacht men zich dan als levende wezens. In een boom huisde een god. De zon strekte eveneens een god tot verblijfplaats En deze goden werden in twee groepen ingedeeld: De goeden en de boozen, echter met dien verstande, dat de goeden niet altoos goed en de kwaden niet altoos kwaad waren. Aan dit geloof paarde zich vervolgens de voorstelling, dat een god zich tijdelijk uit zijne eigenlijke woonplaats kon verplaatsen. Een god, die in een dier school, kon voor eene wijle eene menschelijke gestalte aanemen. Vandaar dan de afgodsbeelden, die eensdeels de gestalte van een mensch en anderdeels de gestalte van een dier vertoonen — afgodsbeelden, die met name in Egypte, Assyrië en Indië werden vervaardigd. Toen de religie deze gestalte gekregen had, is men vervolgens op de gedachte gekomen, dat er ook geesten waren, die niet in een boom of dier of in de zon hunne woonplaats hadden, maar in de geestenwereld. Naar die wereld der geesten verhuisden ook de zielen der afgestorvenen. En waar men nu leefde in de voorstelling, dat ook dezen deel bleven nemen aan de lotgevallen der familie, daar kon het niet uitblijven of ook zij zijn allengs vereerd geworden.

Tegenover deze meening, die door Réville, Max Muller, §du6rd von Hartmann e, a. is voorgedraen, en die het Naturisme wordt genoemd, staat d ene andere, die met het Hoogduitsche woord Ahnen-m ult, aanbidding der voorvaderen, gek rakleriseerd wordt. Zij vond in den bekenden Engelschen yvijs-D geer Herbert Spencer haar representant, terwijl zij d in meer gematigden vorm door Julius Lippert is z voorgedragen. Spencer beweerde, de vereering van de zielen der afgestorvenen is niet pas in zwang r gekomen, toen de religie reeds eenige phasen van g ontwikkeling doorloopen had, maar juist omgekeerd. m De alleroudste godsdienst wist van geen goden. m Vereeren deed men oorspronkelijk alleen de geesten f der voorvaderen. Toen nu echter geslacht na ge­ g slacht het dal des doods was ingegaan en alzoo de g voorvaderlijke geesten zeer menigvuldig in getal waren geworden, is men de oudsten hunner tot den rang van goden gaan verheffen. Aanvankelijk - waren d deze goden gelijk in macht. Maar zóó bleef het z niet. Wat men waarnam in de menschenwereld, t bracht men op de geestelijke wereld over. Wisten h onder de kinderen der menschen sommigen zich c tot beheerschers vsm de overigen op te werken, in d de geestelijke wereld verhieven zich eveneen enkele s geesten, zoowel uit de gelederen der goeden als h uit die der boozen, boven de anderen. Zoo kreeg men de onderscheiding tusschen de lagere en de s hoogere, de minder en meer machtige goden. Hier­ z mede was echter het proces nog niet voltooid. Later b opperde men het denkbeeld, dat niet alle geesten w der afgestorvenen naar het Jenseits gingen, maar d velen ook een zetel zochten in stoffelijke dingen of p in dieren. Zoo werden ook deze stoffelijke dingen (fetisisme i) en deze dieren vereerd. En daarna, nog verder voortschrijdende, kwam men ten laatste tot de vereering van pfanten (waartoe 't feit, dat s sommige planten eene narcotiseerde werking uitoefenen, zal hebben bijgedragen, ) bosschen, bergen, zeeën, zon en maan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 januari 1905

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 januari 1905

De Heraut | 4 Pagina's