Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Een belangrijk proces.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een belangrijk proces.

11 minuten leestijd

VI.

De onderscheidene argumenten, die de rechters in het Hoogerhuis hebben bewogen, de Vrije Kerk in het gelijk te stellen, hebben we een vorig maal kort meegedeeld.

Intusschen is het vonnis niet met algemeene instemming genomen. Twee van de rechters. Lord Macnagthen en Lord Davey, hebben zich tegen de conclusie van de meerderheid verzet. Wanneer we ook hun adviezen meededen, dan is dit niet alleen billijkheidshalve, maar ook omdat het door hen ingenomen standpunt evenzeer onze aandacht verdient, wijl zij niet zonder deugdelijke redenen en vooral Lord Macnagthem met groote welsprekendheid en warme bezieling zijn opgekomen voor het recht der Kerk om desnoodig hare belijdenis te herzien.

Ons eigen oordeel zullen we later uitspreen. We bepalen er ons thans toe, de meeingen der beide partijen zoo objectief

mogelijk weer te geven. Heeft de meerderheid der rechters zich geplaatst op het standpunt, dat een Kerk trouw moet blijven aan hare belijdenis, omdat die belijdenis als 't ware het wezen der Kerk uitmaakt, zoodat wanneer de meerderheid die bezems verlaat of verandert, de ware voortzetting der Kerk te vinden is bij degenen die aan de belijdenis vasthouden en hun ook het kerke. roedtóëkonit, - -deminderheidheeftwaarlyk •• - „m f-— de minderheid heeft w niet ten onrechte er op gewezen, dat de Kerk aldus voor heel haar toekomst gebonden wordt aan een petrefacte belijdenis, ophoudt een levende Kerk te zijn, en m confessionaiisme versteenen en wegsterven moet.

Het betoog van Lord Macnagthen laten we vooropgaan, omdat hij de quaestie het zuiverste poneerde, en zich het minst ophield met juridische spitsvondigheden.

Voorop stelde Lord Macnagthen, dat ook hij de quaestie van wettelijk standpunt uit beoordeeien wilde, en erkende hij dat het proces ging over de vraag, of het kerkegoed, dat voor een bepaald doel was gegeven, n.l. voor de Vrije Kerk, door de vereeniging met de Presbyteriaansche Kerk en de daarmee gepaard gaande veranderingen in de belijdenis, aan zijn oorspronkelijke bestemming onttrokken was. Zoo ja. dan was de klacht over breach of trust rechtvaardig, zoo neen. dan moesten de klagers, i. c. de Vrije Kerk, worden afgewezen.

Vandaar dat hij, evenals de meerderheid, zich beriep op de deed of trust, de acte van vertrouwen waaronder het goed gesteld was. In deèe acte stond, dat het goed bestemd was voor de Vrije Kerk. En er bestond geen geschil over de vraag, dat onder deze Kerk te verstaan was „de vrijwillige vereeniging van belijdende Christenen, gesticht door die predikanten van de Staatskerk van Schotland, die in 1824 bij de merkwaardige gelegenheid, die bekend staat als de Scheiding, zich onttrokken aan de Staatskerk, of, volgens hun eigen beschouwing van deze gebeurtenis, zich afscheidden van den Staat, met zich meenemende het grootste deel van de ambtsdragers van de Staatskerk en ten minste de helft van haar belijdenis doende leden, terwijl ze zonder ophouden volhielden dat zij zelf en hun volgelingen in toekomstige tijden de oude en ware Kerk van Schotland waren. Terwijl zij met die hooge pretenties optraden, verklaarden zij zich vast te klemmen aan de beginselen en de practijk van de Kerk van Schotland, wat betreft de leer, den eeredienst, de tucht en de kerkregeering, maar zonder de kluisters of banden, die de betrekking met den Staat meebracht en gezuiverd van eiken smet van Erastianisme (d. w. z. het beginsel, dat de Staat over de Kerk te zeggen heeft)."

Na zoo eerst het ontstaan der Vrije Kerk geteekend te hebben, gaat Lord Macnaghten aldus voort:

„De quaestie schijnt mij. derhalve, deze te zijn: Was de aldus gezuiverde Kerk, — de Vrije Kerk, — zoo gebonden en vastgehouden door de belijdenisschriften van de Kerk van Schotland, die golden ten tijde van de Scheiding, dat afwijking van deze belijdenisschriften op eenig wezenlijk punt een schending zou zijn van die belijdenis of dat getuigenis, dat de ongeschreven grondwet van haar stichting kan genoemd worden, en daaruit noodzakelijk zou volgen dat er misbruik van vertrouwen heeft plaats gevonden bij het beheer der goederen, die voor geen ander doel zijn bijeengebracht dan om-de Vrije Kerk te onderhouden, — de Kerk van de Scheiding.' Was de Vrije Kerk door de eigenaardige^ wijze zelve waarop zij in het aanzijn trad, gedwongen met zoo wanhopenden greep zich te snoeten vastklemmen aan hare aan Gods Woord ondergeschikte formulieren van eenigheid (subordinate standards) dat zij geen vat meer heeft op of aanraking met de hoogste richtsnoer van het geloof.' Was zij van haar geboorte af onvatbaar voor alle groei of ontwikkeling ? Was zij in een woord een afgestorven tak en niet een levende Kerk? "

Dit was volgens Lord Macnaghten de werkelijke vraag waarom het ging. Daarom keurde hij het af, dat men deze quaestie als 't ware „verdonkeremaand" had, door een breed onderzoek in te stellen naar het zoogenaamde „beginsel van een staatskerk", een beginsel dat volgens hem „veel had van de misleidende bekoring van een dwaallicht en weinig of veel beteekende naar mate men een der meest duistere gedeelten van de Westminster Confessie verkoos uit te leggen; een gedeelte dat in zekeren zin geen Christen, naar hij meende, zou weigeren te beamen, maar dat in den mond van een Kerk, die de Staatskerk had verlaten en zich afgescheiden had van den Staat, alleen beteekenis kon hebben als een ideaal van volmaaktheid, op deze aarde althans onbereikbaar tot de komst van het duizendjarig rijk".

Hij Het daarom verder deze quaestie glippen, om heel de kracht van zijn betoog op de door hem gestelde vraag te richten.

In de eerste plaats beriep hij er zich op, dat de zoogenaamde Evangelische partij, die later tot de scheiding was overgegaan, in 1838 in de Generale Synode een resolutie had aangenomen, waarin zij op de meest krasse wijze voor de geestelijke onafhankelijkheid en de autonomie der Kerk opkwam en o. a. verklaarde „dat de Heere Jezus als Koning en Hoofd der Kerk, in die Kerk een regeering had aangesteld door middel van kerkedienaren onderscheiden van de burgerlijke overheid, en dat in alle zaken betreffende de leer, de kerkregeering en de tucht van deze Kerk, hare kerkelijke vergaderingen uitsluitend de macht hadden om recht te spreken gegrond op het Woord van God, welke kerkelijke macht (naar luid der woorden van het tweede Book of Discipline) onmiddellijk uit God en den Middelaar Jezus Christus afdaalt en geestelijk is, geen wereldlijk hoofd op aarde hebbende, maar alleen Christus, den eenigen geestelijken oning en Heerscher over zijn Kerk." De Evangelische partij, waaruit later de Vrije Kerk geboren werd, had dus van meet af het recht der Kerk gevindiceerd om in haar kerkelijke vergaderingen ook over de leer te beslissen; juist daarin zoekt ze de „geestelijke zelfstandigheid der Kerk" tegenover de suprematie van den Staat; en het ging dus niet aan de Kerk, wanneer zij van dit recht gebruik maakte, voor te stellen als ontrouw aan haar origine.

Een tweede pijl op zijn boog ontleende Lord Macnaghtem aan de verklaring der Vrije Kerk, dat zij geen secte was maar d zichzelf beschouwde als de Nationale Kerk d van Schotland. „Wat was de Vrije Kerk? Verliet zij de Kerk als een secte of een scheurkeric of een gezelschap met bijzondere geloofsbelijdenissen, die afgesneden en verdroogd waren en vastgesteld in de preciese taal van een notaris.' Niets van dat alles. Zij die de Kerk verlieten, gingen heen met de verklaring, dat zij niet een secte waren, maar de Nationale Kerk en dat zij nog waren de Kerk van Schotland. „Wij zijn, zeiden zij (om de woorden van Dr. Chandlish aan te halen, die in beteekenis alleen onderdeed, indien hij onderdeed, voor Dr. Chalmers zelf), wij zijn nog de Kerk van Schotland, de eenige Kerk die dien naam verdient, de eenige kerk die kan gekend en onderkend worden, doordat zij vasthoudt aan die beginselen, aan welke de Kerk van onze vaderen trouw was, toen ze rondzwierf op de bergen en in de velden, toen ze onder de verdrukking was, toen ze een uitvaagsel van de wereld was. En terwijl we gelooven dat we geen algescheidenen zijn van de Kerk, maar de Kerk afgescheiden van den Staat; dat we niet zijn een secte losgemaakt van de Staatskerk, maar dat we de Kerk van Schotland zijn losgemaakt van den Staat; houden wij ons zelf gerechtigd, zonder eenige geringschatting van andere godsdienstige vereenigingen, het beginsel te mogen aannemen en diensvolgens te mogen handelen, dat het onze plicht is te handhaven het karakter van de Nationale Kerk van Schotland."

Voor de bedenking, dat dit standpunt volgens de wet toch onthoudbaar is, gaat Lord Macnaghten niet uit den weg:

„Een onthoudbare positie zal men zeggen uit het oogpunt van de wet! Zij gingen heen niet als kerk, maar als individuen, die zich afscheidden van de Kerk, en zij vereenigden zich wederom tot een vrijwillige vereeniging van belijdende Christenen. Dat moge zoo zijn; maar in hun eigen oog en in dat hunner aanhangers, en ik mag er bij voegen ook in het oog van andere kerken, die niet van hun gemeenschap waren, droegen zij het karakter van de Nationale Kerk op Schotland." Op hun eigen standpunt zich plaatsende kan men dus niet ontkennen, dat zij al de macht hebben, die een Nationale Kerk toekomt. Tot de macht van zulk een Nationale Kerk nu behoort, dat zij ook over de belijdenis beslissen kan.

„Ik kan, zoo ging Lord Macnaghten voort, al spreek ik hier voor mij zelf, mij geen voorstelling vormen van een Nationale Kerk, die, wanneer ze vrij is en niet gebonden door den Staat, niet ten minste de macht bezit de onderteekenings-formules, die ze aan haar eigen ambtsdragers voorlegt ook te herzien en te verbeteren en de macht, om met gezag te verklaren, dat voor hare leden eenige speling van inzicht geoorloofd is met betrekking tot die zaken, die, volgens de gewone opvatting der menschen, geen geloofszaken zijn. Ik stem toe dat een secte het een of ander artikel of artikeltje, hoe onbeduidend of absurd, tot een geloofsartikel kan verheffen. Maar ik neem het standpunt in dat de aanhangers der Vrije Kerk geen secte zij en dat zij het beginsel van de staatskerk nooit tot een geloofsartikel gemaakt hebben. Doch ik ga nog verder. Dit beginsel van de staatskerk, wat het ook moge zijn, kan niet meer autoriteit hebben dan het artikel van de Westminster confessie, waarin het ondersteld wordt te zijn neergelegd. Indien de kerk macht heeft haar Geloofsbelijdenis te verbeteren, dan kan ze, dit spreekt vanzelf, aanleiding vinden om te verklaren, dat het beginsel van de staatskerk moet beschouwd worden als een open vraagstuk, waaromtrent ieder mensch vrijheid heeft zijn particulier gevoelen te hebben." Lord Macnaghten beroept zich dan verder op den Catechismus, dien de Vrije Kerk zelf had uitgegeven en waarin dit recht van de Kerk om te oordeelen over geloofsgeschillen uitdrukkelijk werd gehandhaafd. Het is te begrijpen dat Lord Macnaghten op zijn standpunt kort maar krachtig de beteekenis van de beslissing, die de rechters hadden te nemen, aldus saamvat: „Ik zou wat mij aangaat lang aarzelen voor ik mijn stem zou geven aan een beslissing, die de Vereenigde Vrije Kerk dwingen, of in elk geval haar er toe leiden wil om de Schriften ondergeschikt te maken aan de Westminstersche geloofsbelijdenis.”

Ten slotte zij er nog op gewezen, hoe Lord Macnagthen, wiens naam doet veronderstellen dat hij zelf van Schotsche origine is, met de grootste waardeering over den arbeid der Vrije Kerk en der zoogenaamde Evangelische partij spreekt. Van de laatste zegt hij: „Zij waren de partij van vooruitgang, van hervorming en van uitbreiding van de Kerk. Zij planten de banier der religie in de ver verwijderde districten van de Hooglanden. Zij hebben zendingsposten gevestigd in alle deelen van de wereld. Hun ijver en bezieling vormden, gelijk hun aanhangers roemden, een treffend contrast met de apathie en lauwheid van de Moderaten.”

Ds. Chalmers, den stichter der Vrije Kerk, noemt hij „een groot theoloog en een welsprekend redenaar, die een wonderlijke gave had van te organiseeren en iets van het genie van een staatsman."

Hij is vol bewondering voor de kracht, die de Vrije Kerk ontwikkeld heeft, zoncjer enige hulp van den Staat. „De schitte­ g e ende offervaardigheid van de Vrije Kerk, k itgeoefend op een grondslag en op een ijze, die nooit te voren was verstaan of eproefd, heeft deze kerk in haar eigen and op eenzelfde hoogte geplaatst met de taatskerk en haar, wat haar zendingsrbeid in den vreemde aangaat, een positie eschonken, die stellig niet voor die der taatskerk onderdoet."

En hoe hoog Lord Macnagthen haar moed stelt om met de Staatskerk te breken, blijkt wel uit zijn slotwoord, waar hij van e thans bestaande Vrije Kerk zegt: „Ik enk dat zij nog recht heeft op evenveel eerbied — ik had bijna gezegd, evenveel heilige bewondering (veneration) — als toen zij de staatskerk verliet, om der conscientie wille afwerpende de banden en verzakende de voordeden, die de betrekking met den Staat medebracht.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 januari 1905

De Heraut | 4 Pagina's

Een belangrijk proces.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 januari 1905

De Heraut | 4 Pagina's