Tact.
I.
Naar het schoone woord van den Prediker heeft alle ding zijn bestemden tijd ea alle voornemen onder den hemel zijn tijd. Er is een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven. Een tijd om te planten en een tijd om het geplante weer uit te roeien. Een tijd om steenen weg te werpen en een tijd om te vergaderen. Een tijd om te omhelzen en om verre te zijn van omhelzen. Een tijd om te zoeken en een tijd om te laten verloren gaan. Een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken. Een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten. Een tijd van oorlog en een tijd van vrede. En het is Goddelijke wijsheid, wanneer in dien rythmischen golfslag van het leven het maatgeluid ook door uw zielsoor beluisterd wordt en ge daarnaar uw handelen richt.
God zelf geeft u daarvan het exempel, want gelijk dezelfde Prediker zoo terecht opmerkt: God heeft alle ding schoon gemaakt op zijnen tijd. Er is in alle werken Gods in schepping en herschepping, in natuur en genade die rustige harmonie, dat met volkomen wijsheid kiezen van tijd en gelegenheid, waardoor Zijn doel het best wordt bereikt.
De verheven schoonheid van het schep h pingsverhaal ligt juist daarin, dat God elk ding op zijn tijd gemaakt heeft. Zelfs een v ongeloovige natuur-philosoof als Hackel, de profeet van het Darwinisme, moet erkennen, dat er ond? r aUe kosmogenieën geen h chooner scheppingsverhaal is dan dat wat ozes ons beschreef. Gods hand scheidt erst in den chaos, waarin de aarde bij haar wording verkeerde, tusschen licht en donker, tusschen lucht en aarde, tusschen water en va.steland, voordat Hij het gelaat desaardrijks bekleedde met gras en plant en.boom, die zonder lucht, licht en water niet leven kunnen. Hij schept de dieren niet, de visschen noch de vogelen, de viervoetige noch de kruipende, voordat eerst in dat zaadzaaiende kruid het voedsel hun is bereid. En de mensch, die als koning over deze aarde heerschen zal, wordt niet in het aanzijn geroepen, voordat eerst het rijk waarover hij gebieden zal, door God is voltooid. En zooals het bij dien scheppingsarbeid Gods dat rustig voortschrijden van Gods handelen is, dat ons met stille bewondering vervult, zoo is het ook in het voorzienig bestel, waardoor „de almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods hemel en aarde mitsgaders alle schepselen onderhoudt enregeert." Ook hier heeft God alle ding schoon gemaakt op zijnen tijd. Loof en gras, regen en zonneschijn, winter en zomer, ze komen elk op hunnen tijd, en hoe dieper menschelijke wetenschap in die ordinantiën Gods voor de natuur indringt, hoe hooger de bewondering klimt voor de wijsheid Gods, die voor elk ding zijn bestemden tijd gesteld heeft.
En niet minder dan in het boek der natuur wordt die les ons geleerd in het boek der Heilige Schrift. God doet Zijn Zoon niet geboren worden in den aanvang, maar eerst als de „volheid der tijden" gekomen is. Hij geeft niet het volle Evangelie in het Paradijs, waar de mensch het niet zou begrepen hebben, maar de moederbelofte aan Eva. Hij onderwijst Israël eerst door de wet der ceremoniën en schaduwen, straks door het profetisch woord dat schijnt als een licht in een duistere plaats, en eerst als de voorbereiding van Israël is afgeloopen gaat de Zonne der gerechtigheid op en bestraalt in volle klaarheid alle volkeren en natiën. Van overhaasting is bij dien Goddelijken arbeid nooit iets te bespeuren. Zooals de landman eerst begint met het zaad te zaaien en dan geduldig wacht maandenlang totdat de oogst van goudgeel graan de velden overdekt, zoo zaait ook God eerst de beginselen, en zoo wacht ook Hij met Goddelijk geduld tot de oogst rijp is. Zelfs van het oordeel Gods geldt dit. Al doorziet Hij met Goddelijke Alwetendheid terstond al de diepte en den omvang van het kwaad, al ligt het nog diep verscholen in het menschelijk hart, Hij straft niet terstond, maar is lankmoedig. Eerst als het kwaad is opgeschoten, als de trossen aan den wijnstok rijp zijn geworden, als de zonde haar volle openbaring bereikt heeft, komt God ten gerichte.
Naar dat Goddelijk exempel nu wil God de Heere dat ook wij ons leven zullen regelen. Navolgers Gods te zijn, gelijk de Apostel Paulus het noemde, is de grondtoon van alle ware Godsvrucht. En waar God ons leert, dat alle ding in natuur en genade beide zijn bestemden tijd van God ontvangen heeft, daar is het roeping en plicht van den mensch, op dien bestemden tijd acht te geven. Wie gelooft zal niet haasten.
Reeds voor ons natuurlijk leven geldt dit. Er is, gelijk de Prediker terecht opmerkt, een tijd om te planten en een tijd om te oogsten; een tijd om te spreken en een tijd om te zwijgen; een tijd om te arbeiden en een tijd om te rusten, een tijd om oorlog te, voeren en een tijd om vrede te sluiten. En juist daarin bestaat de ware levenswijsheid, dat „die bestemde tijd van elk ding en van elk voornemen onder den hemel" met juist gevoel door den mensch wordt gegrepen.
Maar nog veel meer geldt dit van ons geestelijk leven en van onzen arbeid in het Koninkrijk Gods. Ook hier is er vooralle ding een bestemde tijd, en alle krachten en talenten, waarmee ge zijt toegerust, alle ijver, die uw ziel vervult, alle beginselvastheid, waarop op trotsch zijt, baat u niet, wanneer ge niet het juiste oogenblik weet te kiezen, geen geduld hebt om Gods tijd af te wachten, door te overhaasten en te forceeren de vrucht plukken wilt eer ze rijpte aan den stengel. Het is geen toeval dat Christus zijn discipelen koos uit de visschers van Genesareth's meer, om hen tot „visschers van menschen" te maken. Indien bij één menschelijk bedrijf, dan is het juist bij dat visschen dat alles aankomt op den „bestemden tijd" en dat ge met haast en ongeduld geen stap vordert. De visscher weet precies bij welken wind en bij welk getij en in welk uur van den dag de visch het liefst in het lokaas bijten wil. Hij haalt niet telkens den hengel op, om te zien of er geen buit gevangen is, maar wacht rustig af. Zelfs al toont de deinende beweging van den dobber, dat de visch zuigt, hij weet dat „zuigen" nog geen „bijten" is n verspeelt zijn kans niet door te vroeg p te halen. Eerst als de dobber met een uk naar onder schiet en met het aas ook de scherpe angel naar binnen is geslokt, weet de visscher dat de visch werkelijk „beet" heeft en dat thans het loon voor zijn arbeid hem wacht.
Die kunst nu om den „bestemden tijd" te kiezen, om te weten wanneer gespreken n wanneer ge zwijgen moet, wanneer ge moet planten en wanneer ge moet oogsten, at is het wat men tact noemt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 15 januari 1905
De Heraut | 4 Pagina's